20.08.16 – Nog eentje van PAC

| Geen reacties

PACPAC – zo noemden zijn vrienden Pierre-Antoine Cousteau, waar ik het voor kort over had, en waarvan ik nu een tweede boek gelezen heb, boekje eigenlijk: Mines de rien ou Les grandes mystifications du demi-siècle (Editions Dualpha, Paris, 2004 – de eerste uitgave dateert van 1955).

In even veel hoofdstukken vertelt Cousteau er acht gevallen van wat we ‘practical jokes’ (‘canulars’) kunnen noemen, en waarbij de pers (dat was toen de geschreven pers) gebruikt werd om valse verhalen de wereld in te sturen, en daarmee bepaalde groepen belachelijk te maken. Meestal zijn de slachtoffers politici geweest. En de halve eeuw waarvan sprake in de titel is de eerste helft van de twintigste eeuw. Dat is niet onbelangrijk, want in het verspreiden van geruchten en onwaarheden speelt de techniek natuurlijk een belangrijke rol. De kranten en weekbladen uit die tijd waren wat dat betreft totaal niet te vergelijken met het hedendaagse Facebook, en ook de grote persagentschappen hebben vandaag de dag middelen waar de journalisten uit die tijd zelfs niet van konden dromen.

Uiteraard is dit journalistiek, maar dan wel van de betere soort; enerzijds door de inhoud: personen uit de publieke wereld worden er op een nogal anarchistische manier te kakken gezet, hetgeen op zichzelf al aangenaam om lezen is. De eerste twee verhalen gaan bv. over het oprichten van een standbeeld voor éne ‘Hégésippe Simon, éducateur de la démocratie’, en het tweede over het onderdrukte Poldavië (jaja, met een ‘p’ en niet met een ‘m’). Het komt er in beide gevallen op neer dat een aantal volksvertegenwoordigers officieel, d.i. op verzorgd papier mét briefhoofd, aangeschreven worden om de goede zaak te steunen. De antwoorden zijn vaak grappig. En de auteur drukt zijn ongenoegen wel uit over het feit dat slechts één kant van het politieke spectrum aangesproken werd. Wat misschien toch wel begrijpelijk was.

Misschien wel de beste is die van Edouard Herriot die zogezegd tijdens een reis naar de Sovjet-Unie de titel van kolonel van het Rode Leger kreeg; het ging zo ver dat de ambassade zelf van de Sovjet-Unie het gerucht moest ontkennen, die graad bestond immers helemaal niet in dat leger. Cousteau was niet enkel zelf een grapjas, hij was breeddenkend (of anarchistisch?) genoeg om zelfs zijn tegenstanders van de totaal andere kant te waarderen, toen die erin slaagden hemzelf en Gaxotte, ofte heel extreem-rechts van die tijd, voor de zot te houden met een verzonnen verhaal over toestanden bij de communistische jeugd. Ook Cousteau liep gewoon in de val van de communistische grapjas Jacques Yonnet. Blijkbaar waardeerden beiden elkaar, want ze ontmoetten elkaar wel eens tijdens de bezetting, zonder overigens veel van elkaar te weten (zeker Yonnet, die diep in het gewapende verzet zat, zweeg wijselijk over wat hij deed), en tijdens diens proces getuigde Yonnet voor Cousteau – tegen het uitdrukkelijke bevel van de Partij in. ’s Anderendaags – zo snel ging dat toen in die kringen! – was hij plots een ‘espion hitléro-trotskyste’ geworden.

Niet enkel door de grappen zelf, maar ook door de manier van schrijven is dit nog steeds een zeer leesbaar boek. In de schriftuur komt de begenadigde journalist tot uiting, die voortdurend met verve en in een directe stijl de anekdotes – want dat zijn het natuurlijk – weet te schetsen. Daarbij opent hij werkelijk alle mogelijk registers van de humor: van de subtielste ironie tot het sterkste cynisme en alles wat zich daartussen situeert. En rekent hij af met de menselijke domheid. Die van alle tijden is, vandaar ook wellicht dat dit nog altijd zo goed leest. Het volstaat sommige hedendaagse parlementairen voor ogen te houden om zich daarvan te overtuigen: heel de houding bv. van een Servais Verherstraeten, wiens voortdurend arrogant omhooggestoken kop onherroepelijk denken doet aan de haan van Arnold Sauwen: ‘Fier stapt hij, als in koningskleren/de krop vooruit…’.

Maar buiten het ontspanningskarakter om, roept dit boek toch ook meer fundamentele vragen op over de hedendaagse pers (in ’t begin heb ik er al even op gewezen). In die tijd was het blijkbaar zeer gemakkelijk om leugenverhalen te verspreiden en voor waar te doen aannemen door zeer velen. Nochtans was dat niet vanzelfsprekend, want er moesten werkelijk valse stukken gebruikt worden, er moest getelefoneerd worden enz. m.a.w.: er waren altijd meerdere personen in het ‘complot’ betrokken, wat de kans natuurlijk altijd vergrootte dat er iets zou uitlekken.

Vandaag de dag is die kans veel minder groot, en dat heeft alles te maken met de technische vooruitgang. Niet enkel kan één persoon in een flits een ‘canular’ de wereld in sturen, vaak is het ook amper mogelijk de juiste bron te achterhalen. Wie herinnert zich bv. Timisoara nog? En dat was nog van voor de huidige technische ontwikkelingen. Men groef enkele pas begraven lijken op en stelde die voor als slachtoffers van de ‘securitate’. En omdat het in de ideologische kraam van het westen paste, nam iedereen dat over en was iedereen er weg mee. Toen uitkwam dat het een hoax was, las je daar absoluut niets meer over. Krek hetzelfde gebeurt dagelijks rond Syrië, maar nog op een meer gewiekste manier, en door organisaties waarvan je het niet verwacht. Neem AI, die het weer maar eens over doden en folteringen onder Assad heeft. Wat ze beweren kan best waar zijn, maar over de toestanden bij de door het Westen gesponsorde moordenaarsbendes heeft AI het nog nooit gehad. Alsof die dingen buiten elke context om gebeuren.

Wat Cousteau beschrijft zijn enkel grappen, die in feite geen enkel kwaad konden. Maar datzelfde procédé kan ook gebruikt worden om geruchten te verspreiden die wel degelijk kwaad kunnen, en die zware consequenties kunnen hebben.

Een boek dus dat je niet enkel doet lachen, maar ook doet nadenken. Die combinatie alleen al kom je niet zo vaak tegen.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 − 7 =