31.06.16 – Wapenbroeders

| Geen reacties

Bijna een halve eeuw is het geleden dat ik een op bepaalde punten erg belachelijke licentiaatsverhandeling over het Werk van Boon geschreven heb. Belachelijk wat de politieke uitgangspunten betreft, inderdaad. Maar dat belet niet dat er toch ook wel iets goeds in gestaan zal hebben, of iets dat juist en raak was.

wapenbroedersIk zou graag nog eens kunnen herlezen wat ik toen geschreven heb over de roman Wapenbroeders, waarvan zonet een nieuwe uitgave verzorgd werd in de reeks ‘Verzameld Werk’ van Boon, met een uitgebreid woord nadien van de hand van Kris Humbeek.

Die uitgaven schaf ik me slechts zelden aan; niet omdat ik ze slecht zou vinden, integendeel; eerder omdat de boekkwaliteit me tegensteekt, en ik alle uitgaven van Boon sowieso al heb, vaak in mooie gebonden uitgaven in plaats van de niet eens in katernen gedrukte paperbacks van die reeks.

Maar van sommige boeken van Boon wou ik meer weten, en die delen heb ik dan wel weer aangeschaft; wegens de nawoorden van Humbeek dus, die altijd goed gestoffeerd en ter zake zijn, zonder overbodige uitweidingen, en ook nog eens, bij alle wetenschappelijkheid, goed geschreven.

Sommige boeken van Boon heb ik zodoende ook herlezen, voor zover ik dat vroeger al niet gedaan had, want een boek als De Paradijsvogel bv. heb ik toch wel een drie keer gelezen. Daar staat dan wel weer tegenover dat ik De Kapellekensbaan / Zomer te Ter-Muren nooit herlezen heb; zo moet ik tot mijn schande toegeven.

Maar nu dus Wapenbroeders. Degenen die iets meer dan oppervlakkig op de hoogte zijn van het werk van Boon, weten dat dit een bewerking is van de verschillende Vlaamse, Franse en zelfs een Duitse versies van wat bij ons Van den vos Reynaerde heet. Wat in al die versies verstrooid door elkaar lag, heeft Boon in een ‘normaal’ chronologisch verhaal gegoten, dat volledig draait rond de spitsbroeders én tegenstanders Reinaert (de vos) en Isengrimus (de wolf). Wie de oorspronkelijke teksten, vooral de Vlaamse en de Franse kent, zal onmiddellijk de anekdotes herkennen, de losse verhalen zeg maar, maar ook hoe Boon die naar zijn hand zet, niet enkel om een afgerond verhaal te maken, maar vooral om het verhaal vol te stoppen met verwijzingen naar het eigen leven en de eigen tijd. Dat is wat Humbeek in zijn nawoord grondig uitpluist en aantoont.

De roman zelf had ik nooit herlezen. En weer eens blijkt hoe bedrieglijk een geheugen is. Of moet ik zeggen: hoe diep bepaalde (voor)oordelen erin wortel schieten, en hoe gemakkelijk?

Voor mij was Wapenbroeders de afrekening van Boon met de KP en zijn overgang van het ‘rode klooster’ (de KP) naar het ‘roze klooster’ (de BSP). Dat zit er zeer zeker in, maar eigenlijk is het maar een heel klein facet van het boek. Eigenlijk is het één grote afrekening, met de politiek, met de medemens, met de wereld in z’n geheel zou je kunnen zeggen. Daar ligt ook het verschil met de vroege versies van het Reynaert-verhaal: Reynaert werd daar min of meer voorgesteld als een positieve held, en hij was dat grotendeels ook. Hier krijg je de indruk dat hij eveneens wordt voorgesteld als een positieve held, maar de facto is hij het absolute tegendeel: een profiteur van alles en iedereen, die daarbij letterlijk over lijken gaat.

De verteller noemt zichzelf enkele keren een ‘nihilist’, waarbij het in het midden blijft of hij dat ook is of niet. Maar de toon van het boek is zo, dat je eigenlijk tot geen andere conclusie kunt komen. En dat is al helemaal in ’t begin het geval:

“Maar als ge dit toch leest, dorpers ende dooren, begin dan niet te doen gelijk de raven die krassen en alles zwart maken, in de winter de sneeuw en in de zomer het koren, maar leer eruit dat in deze tijd zowel als in alle tijden achter de schoonste leuzen alleen bedriegtdeboer hoogtij viert, en de idealen werden uitgevonden om er een stuiver aan te verdienen.” (p.15)

Deze stelling wordt het boek door volgehouden en uitgewerkt: iedereen bedriegt iedereen en wordt door iedereen bedrogen. Daar en van niets anders hangt de wereld aan elkaar. Daardoor is het boek in feite totaal amoreel. Ook ‘moraal’ in al zijn vormen kan immers onder de rubriek ‘idealen’ gerangschikt worden; ‘moraal’ schrijft immers altijd voor wat ‘goed’ is en ‘kwaad’, en dat voorschrijfgedrag kadert onomwonden in wat meestal een ‘wereldbeschouwing’ of een ‘ideologie’ of iets dergelijks genoemd wordt, in elk geval een set van opvattingen die een min of meer ‘ideale’ wereld willen bereiken. Het communisme, waar Boon lang in geloofd heeft, valt daar duidelijk onder.

Ik denk dat Humbeek in dit verband wellicht een steek heeft laten vallen, of, beter gezegd: niet heeft durven doordenken.

Wat zijn immers de consequenties van een dergelijk nihilisme? Dat alles toegelaten is. Dostojewski beweerde via een van zijn beroemde personages dat alles toegelaten is als God dood is. Boon gelooft niet in welke God dan ook. Maar hij komt tot dezelfde conclusie: als er geen ‘goed’ en ‘kwaad’ meer bestaat, als elke vorm van moraal enkel maar bedrog is, dan kan enkel nog de wet van de sterkste heersen, en dan is inderdaad alles toegelaten. De vos in deze roman is de schitterendste illustratie van die stelling. Hij kent immers geen moraal en instrumentaliseert alles wat op zijn weg komt, voor zijn eigen meestal onmiddellijke doeleinden. Daarmee is hij overigens een schitterend icoon van het hedendaagse kapitalisme.

Maar is de roman inderdaad ‘zo veel meer dan het product van machteloze frustratie en rancune’, zoals Humbeek stelt? Ja en nee. Nee, omwille van de ontgoochelingen van Boon in de naoorlogse maatschappij en met name in de KP, en nog allerlei zaken, die Humbeek uitgebreid en degelijk te berde brengt. Ja, omdat hij die frustratie en die rancune op een ongeëvenaarde manier weet te verwoorden, en daardoor ook te veralgemenen en te overstijgen. Ja dus door het schrijfproces, dat de facto het nihilisme weerlegt.

Een volle nihilist schrijft niet; die trekt zich gewoon uit de wereld en de maatschappij terug. Oppervlakkig gezien kan hij nog meedoen, maar dan enkel omdat het niet anders kan: er moet brood op de plank komen, want zelfmoord is een te positief iets om te overwegen; en betekent dat je de rotzooi die het leven is veel te ernstig neemt. Nihilisme kan dus uiteindelijk enkel maar leiden tot de maatschappij van vandaag; een maatschappijvorm die Boon al heel, heel vroeg gedetecteerd heeft (het best en het gevarieerdst in De Kapellekensbaan / Zomer te Ter-Muren) als zijnde nihilistisch; een maatschappij die een (voorlopig?) culminatiepunt bereikt heeft in het ongebreidelde en extreemste en meest extremistische liberalisme van vandaag: dat van de De Wevers en de de Ruttensen, voor wie liberalisme enkel nog economisch liberalisme is van de ergste soort: de strijd van allen tegen allen van Hobbes, en dat de sterksten winnen en alle zwakkelingen verrekken.

Dat betekent ook dat Humbeek zich vergist wanneer hij stelt dat dit de roman is over de positie van de kritische enkeling in de Westerse wereld. Dat zou de ‘centrale problematiek’ van de roman zijn. Ik denk het niet, gewoon omdat Reinaert in dit boek géén voorbeeldige enkeling is, helemaal niet kritisch is, tenzij uiteraard op de nihilistische manier die eigen is aan deze maatschappij. Waarbij we eigenlijk moeten bedenken dat dit nihilisme innerlijk tegenstrijdig is. Volgens de filosofen geldt dat voor het ontologisch nihilisme, en daar is eenieder het wel over eens; maar volgens mij geldt dat eveneens voor het morele nihilisme, waar het in deze context over gaat. Dat is immers enkel mogelijk wanneer je niets doet en niets denkt; want zelfs wanneer je tegenover elk argument een tegenargument zet, in die zin dat alles tegelijkertijd waar is en niet-waar, én omgekeerd, en dat je daarmee doorgaat tot je op de muur stuit die op een afwezigheid van enig verder criterium neerkomt, dan nog ben je enigszins positief bezig, met het dóórdenken tot aan de laatste grondslag – die er inderdaad wellicht niet is.

boontje

Boon heeft zover doorgedacht, dat lijkt me wel zeker; en hij is op die muur gestuit, hij heeft ‘en dan?!’ gezegd, waarna alle discussie overbodig is; maar hij is wel altijd blijven schrijven, én: hij is altijd betrokken gebleven bij de wereld en de maatschappij waarin hij leefde en werkte. Hij was dus duidelijk géén vos zoals hij die in dit boek schetste. Een stuk ervan heeft zeker in hem gezeten, maar hij is er nooit mee samengevallen.

Maar tot die conclusie kwam ook Humbeek zelf al.

In deze context lijkt me verder nog éen zaak van groot belang, waar noch Humbeek noch Boon zelf op ingaan. Naast morele regels bestaan er ook maatschappelijke regels, nl. het heersend positief recht (dat begrip heeft niets te maken met enig ‘positiefs’ maar duidt enkel het vigerende recht aan). Beide hebben niets met elkaar te maken. Maar nihilistisch leven in de betekenis van: zonder moraal leven, dat is perfect denkbaar en doenbaar. Zonder recht leven daarentegen is wel denkbaar, maar niet doenbaar. Want dan komen we echt in de oertoestand van Hobbes terecht, waarin enkel nog de strijd van allen tegen allen geldt.

Maar in de visie van de verteller van Wapenbroeders zijn ook die rechtsregels niets dan bedrog. De rechtsstaat is een fictie, uitgevonden door machthebbers om hun belangen te dienen. Net zomin als er moraal bestaat, bestaat er recht. Want in laatste analyse is élk recht immers niets anders dan het recht van de sterkste. En dus gaat het altijd over macht, nooit over recht.

Ik vrees dat Boon hier uiteindelijk wel eens gelijk zou kunnen hebben. Maar zelfs de politiekers zien dat niet echt in – op hier en daar een uitzondering na wellicht. En dan blijft de vraag: wie moet dan maar de sterkste worden, wie moet dan macht uitoefenen? De equivalenten van de vos? Of moeten we elke macht zo veel mogelijk ondermijnen?

Samen met zijn hoofdwerk lijkt me deze roman degene waarin Boon het diepst gegraven heeft in de ordening en de fundamentele impulsen van de individuen en van de maatschappij die ze al dan niet, of willens of nillens vormen. Het gaat dus veel verder dan het (eigenlijk afwezig) kritische individu. Het is een metaforische diagnose van een zieke maatschappij. Waartegen, zeker in de ogen van de verteller, niets te doen is.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × een =