16.08.16 – Seneca

| Geen reacties

senecaEmily Wilson begint haar boek Seneca, a life (Penguin Books, 2016 – de eerste uitgave, bij de Amerikaanse Oxford University Press dateert van 2014) met te beargumenteren waarom het onmogelijk is een biografie van Seneca te schrijven. Waarna zij overgaat tot de orde van haar dag en die biografie toch schrijft – en op een zeer boeiende wijze nog wel.

Dat is helemaal geen tegenstelling, maar een normale wijze van handelen wanneer je een biografie schrijft van iemand wiens bestaan zo ver terug ligt in de tijd als dat van Seneca, die leefde van enkele jaren voor Christus tot het jaar 62 na Christus, tijdens het bewind van Nero dus (nadat hij al diens voorgangers Tiberius, Claudius en Caligula had meegemaakt). Immers: directe bronnen uit die tijd zijn niet enkel schaars, ze zijn zogoed als onbestaande. Er zijn natuurlijk de teksten van Seneca zelf, waarin heel wat autobiografisch materiaal aanwezig is; maar dat moet, zoals altijd, ook in de hedendaagse periode, steeds met vele korrels zout genomen worden, en gecheckt en dubbelgecheckt worden – en dat laatste is bij Seneca quasi onmogelijk. We kennen hem ook nog uit de boeken van Tacitus, Cassius Dio en Suetonius vooral. Maar ook die moeten kritisch benaderd worden, want zoals alle historici in die tijd (in latere tijden niet?) hebben ze ook een dubbele agenda.

Daarmee moet de historica het dus grotendeels doen. En het is goed dat ze het in haar inleiding duidelijk stelt, zodoende ontstaan geen misverstanden: “The nature of the evidence we do have is problematic in itself.” (p. 5), zo schrijft ze. Maar dat belet niet dat er genoeg aanwezig is om een biografie in algemene termen te schrijven, ik bedoel: een biografie die volledig focust op wat algemeen geweten is over het leven in de tijd van Seneca, en die dat algemene dan probeert toe te passen op het leven van deze ene protagonist. Dat betekent enkel dat we slechts heel weinig details zullen krijgen, maar vooral grote lijnen, die dan gestoffeerd worden, zo veel als mogelijk is, door de geschriften zelf van Seneca, zeker de autobiografische.

Die onzekerheid betreffende de bronnen leidt soms tot zeer typische paragrafen, zoals de volgende:

“Seneca had shown no interest in entering public life until this point. Perhaps he was so disabled by sickness during his twenties that he felt unable to aspire to any future except death. Perhaps he did not even want a career in his youth; he may have hoped for a quieter life as a philosophical writer and teacher. Perhaps, too, he shrank from climbing the political ladder in fear of the particular dangers of life in the court of Tiberius. But presumably by the time he arrived back in Rome, he was ready to begin his political career.” (p. 63, ik cursiveer).

En zo gaat het uiteraard het ganse boek door, niet zo uitgesproken expliciet als in deze passage, maar toch: heel veel blijft onzeker, en moet met de nodige mitsen en maren gelezen worden.

Dat geldt vooreerst en vooral voor het eerste hoofdstuk, dat de jeugd van Seneca beschrijft, dwz dat een typische jeugd beschrijft van een Romeinse jongen uit een betere klasse (lower higher class noemt Wilson het met de huidige Engelse classificatie) in een provinciestadje als het huidige Cordoba. Er is voldoende geweten over het Romeinse opvoedingssysteem om dit concreet toe te passen op één geval, zeker wanneer de vader van dat geval, Seneca de oudere, ook een bekende scribent was (veel van zijn werk is trouwens eveneens bewaard gebleven). De jonge Seneca zou een biografie van zijn vader geschreven hebben, maar die is jammer genoeg niet bewaard gebleven. Dat de jongere eerder naar het ‘literaire’ leven neigde (in casu was dat: retorica en filosofie) kan misschien verklaard worden door het feit dat hij van jongsaf een beetje tot soms erg ziekelijk was. Maar uiteindelijk is het dan toch op de eerste plaats de politiek geworden (zoals in het geval van zijn oudere broer), waarbij de filosofie en de sterk retorische theaterstukken a.h.w. erbij kwamen.

Het tweede en het derde van de amper vier hoofdstukken handelen over het openbare leven van Seneca; daarbij maakt Wilson veel gebruik van de geschriften van Seneca zelf, maar vreemd genoeg eerder weinig van het theater. Wellicht is het ook veel moeilijker om dat op de een of andere manier in direct verband met het leven van de schrijver te brengen, dan diens andere geschriften, zeker en vast zijn brieven. Maar de weinige keren dat ze het dan toch doet, valt er helemaal niets op aan te merken.

Twee maal heeft Seneca in het centrum van de macht gestaan, de eerste keer onder Claudius, en dan maar zeer kort, want hij werd snel verbannen naar Corsica, waar hij de hele acht jaren waartoe hij veroordeeld was moest blijven. Zijn zonde: overspel. Je houdt het niet voor mogelijk in het toenmalige Rome en al zeker niet aan het keizerlijke hof, maar toch: er bestond zoiets als een lex iulia de adulteriis, afkomstig van Augustus en Tiberius, en die overspel zelfs met de dood bestrafte. Daar ontsnapte Seneca dus aan. Ik weet het niet, maar ik veronderstel dat het een van die wetten geweest zal zijn, die enkel werden toegepast à la tête du client.

Hoe dat ook zij, Wilson weet ons zeer duidelijk te maken dat die ballingschap op een eiland dat amper een dagreis van Rome verwijderd lag, moeilijk als een zware straf beschouwd kan worden, temeer daar Corsica een vruchtbaar eiland was, waar veel Romeinen zich vrijwillig neerlieten. Moeilijk kan hij het daar dus niet echt gehad hebben, en als hij toch klaagde en meermaals vergeefs probeerde de ban opgeheven te krijgen, dan wijst dat wellicht eerder op iets anders: politieke ambitie van een nogal sterk gehalte.

Het was uiteindelijk de moeder van Nero, Agrippina, die hem terug naar Rome riep om op te treden als ‘tutor’ voor haar toen nog minderjarige zoon. Die was geadopteerd door de heersende keizer Claudius, en dus een kandidaat voor de troon…na Britannicus, de bloedeigen zoon van Claudius (en welbekend uit de klassieke tragedie van Racine, die mensen van mijn leeftijd nog wel gelezen zullen hebben op school). Die zou ook het eerste bekende slachtoffer worden van Nero (toen nog in samenwerking met zijn moeder). Of Seneca zelf er ook iets mee te maken had laat Wilson in het midden (net zoals ze dat doet bij latere bekende moorden van Nero, op zijn eigen moeder bv.); maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij, gelet op zijn zeer hoge functie aan het hof, niet minstens op de hoogte zou zijn geweest.

In die jaren was Seneca ook gehuwd en kreeg hij een zoon, die snel stierf. Dat weten we uit een troostschrift aan zijn moeder, Helvia, “a public and highly polished literary document, not an expression of the author’s deepest feelings and emotions.” (p. 73), zoals de schrijfster nog maar eens stelt. Seneca was toen al min of meer een van de hoofdfiguren van de filosofische school die Stoa heette, en die als een van haar belangrijkste kenmerken het streven naar ataraxeia, zeg maar: lankmoedigheid had, het zich niet laten meeslepen door sterke emoties, in alle gevallen je koelte en evenwicht bewaren. Uit deze biografie krijg ik de indruk dat Seneca daar meestal wel goed in geslaagd is. Des te opmerkelijker lijkt het me dat in de tragedies die gevoelens wel een overgrote, meestal zelfs uitvergrote rol spelen. Kan het zijn dat hij zijn gevoelsleven daarin kwijt kon, eerder dan in zijn filosofische geschriften, die toch allemaal van een zekere afstandelijkheid getuigen?

seneca-1

Je kunt niet in de ziel van een mens lezen natuurlijk, en al helemaal niet in die van een mens die al tweeduizend jaar dood is. Maar een zekere verscheurdheid lijkt me zonder meer aanwezig, zoals later bij schrijvers uit de barok, of nog later bij veel schrijvers uit de twintigste eeuw. In zekere zin kun je Seneca, wat dit gevoelsleven betreft, zelfs een beetje een voorloper noemen van wat vandaag de dag nog steeds psychologie heet, en dat als zodanig in de 19de eeuw pas bestond. Wilson zegt het expliciet in haar epiloog, maar eveneens in de tekst zelf is ze duidelijk genoeg:

“One of Seneca’s most original contributions to the Stoic study of the emotions is his emphasis on involuntary feelings. This allows him to give a much more nuanced, and more plausible, account both of anger and of the other ‘passions’. Seneca insists that there is a distinction to be made between ‘impulses’ (motus), which are preconscious responses and do not require the assent of the mind, and real ‘passions’ (affectus), which necessarily imply a particular set of beliefs.” (p.95)

Dit is letterlijk het onderscheid dat vandaag nog gemaakt wordt in het strafrecht om te onderscheiden tussen voorbedachte moord en doodslag. De ire (over de woede) is van de twaalf ‘dialogen’ die we van Seneca nog hebben de langste. Je zou wellicht kunnen zeggen dat in de loop van zijn leven zich veel woede in zijn ziel moet hebben opgestapeld. Maar dat uitte zich dan toch enkel in zijn theater:

“Seneca’s tragedies are dramatic meditations on cruelty, pollution, and disgust, on horrific extremes of behavior, on power, on failed attempts at teaching restraint or moderation, and on spectacle – all themes to resonate very suggestively with the world of Neronian Rome.” (p. 157)

En met onze hedendaagse wereld, moet je zeggen. De angst en de vrees waaraan ook Seneca toenemend ging lijden, noemt Wilson niet, maar ook die zijn vandaag terug van nooit weg geweest. Soms lijkt het alsof overal ter wereld nieuwe Nero’s en Caligula’s opstaan.

Die angst moet zeker gegroeid zijn naarmate zijn pupil volwassener werd, op eigen benen ging staan en handelen, en zo Seneca liet zien dat opvoeding eigenlijk niks uithaalde wanneer de context ongunstig was, context zijnde de persoonlijkheid van de betrokkene plus de tijdsomstandigheden. Het verwondert dan ook niet dat Seneca hoe langer hoe meer de behoefte voelde zich terug te trekken op het platteland, in een van zijn villa’s annex wijngaarden. Il faut cultiver notre jardin zou Voltaire dat veel later noemen. Toch lukte hem dat niet, ook al had hij zo veel grond en villa’s en andere eigendommen, dat hij waarschijnlijk een van de rijkste burgers van Rome was. Wilson vraagt zich af hoe hij daaraan kwam, maar dat lijkt me van minder belang. Net zoals de vraag hoe die rijkdom compatibel was met zijn stoïcisme? Dit laatste lijkt me niet eens zo moeilijk te verklaren; het was Fortuna die voor die rijkdom zorgde, het toeval dus. En waarom zou je het dan afwijzen?! Wilson zelf stelt het eveneens zo, maar zij betwijfelt die uitgangspunten van Seneca blijkbaar zeer sterk. En dat hij zich helemaal de vraag niet stelde naar een gerechte verdeling van de rijkdom, lijkt me nog meer voor de hand te liggen. Die vraag is nl. totaal anachronistisch; niemand stelde zich toen die vraag. Net zoals de vraag naar de rechtvaardiging van slavernij. Ook dat is een anachronisme. De vroege Christenen stelden zich die vraag evenmin. Rijkdom en slavernij waren natuurlijke gegevenheden.

In het laatste hoofdstuk gaat zij ook in op bekende tijdgenoten van Seneca, zoals zijn neef Lucanus (de zoon van zijn jongere broer), maar ook de wellicht bekendere Petronius (en die beide evenzeer tot zelfmoord gedwongen zouden worden, samen met Seneca zelf). Meer wellicht dan vroeger zijn de laatste werken van Seneca nauw verbonden met het eigen leven, en dat geldt dan zowel voor de ‘vraagstukken over de natuur’, waarin we een vorm van escapisme mogen zien, als de bekendere Brieven aan Lucillius, die het laatste grote werk van Seneca vormen. Maar over die laatste zegt Wilson ook zeer expliciet: “The Epistles, even more than most of Seneca’s work, are deeply resistant to biographical interpretation, while at the same time inviting the reader to contemplate Seneca’s life as well as his or her own.” (p. 194) Onzekerheid, onstandvastigheid en dood zijn hoofdthema’s, zeker dood; die is trouwens het hele werk door prominent aanwezig, het duidelijkst in de tragedies uiteraard, maar zeker ook daarbuiten. Het zal met Seneca’s slechte gezondheid (hij leed aan de longen) te maken hebben, maar zeer zeker ook met de tijdsomstandigheden. “For somebody who wrote so frequently about the importance of facing death bravely and readily, Seneca was extremely good at avoiding it.” (p. 203), zo stelt Wilson met een beetje ironie.

Maar uiteindelijk ontloopt uiteraard niemand zijn lot. Seneca wist zeer goed dat zijn leven voortdurend aan een zijden draadje hing, en dat het enkel door de willekeur van de keizer was dat hij nog leefde. Daar kwam een einde aan toen hij beticht werd deel te hebben genomen aan een complot tegen de keizer. Wat daarvan waar is, is niet geweten. Het enige min of meer zekere is het feit dat ook Seneca’s dood een nogal theatrale gebeurtenis was, een scene uit een van zijn stukken waard.

Tenslotte volgt nog een interessante epiloog, waarin de auteur ingaat op het verdere leven van Seneca. Dat begon al onmiddellijk na zijn dood met een soms (ten onrechte) aan hem toegeschreven stuk, Octavia, waarin hij zelf optreedt. Daarna is het verdwijnen en weer opstaan. Vooral de katholieke kerk heeft in het begin gepoogd zich Seneca toe te eigenen, zoals ze dat wel met de hele Stoa gedaan heeft (er zijn overigens duidelijk sterke overeenkomsten tussen de twee), o.m. door het publiceren van een apocriefe briefwisseling tussen Seneca en Paulus. Maar dat heeft niet lang geduurd. De theaterstukken hebben grotere schommelingen gekend, waarbij het opvalt dat ze vooral weer op de voorgrond kwamen in tijden van grote maatschappelijke omwentelingen, zware onrust, tijden waarin schijn en werkelijkheid amper nog uit elkaar te houden waren (zoals vandaag weer) enz. Bij ons is Seneca vooral in het toneelwerk van Claus manifest aanwezig, en niet enkel in de bewerkingen van klassieke stukken (zie zijn Toneel IV; in de tweedelige prachtuitgave van zijn toneel komen die bewerkingen niet voor).

Emily Wilson heeft met Seneca, a life een zeer leesbare introductie geschreven, op de eerste plaats tot het leven van Seneca, voor zover we dat nog kunnen kennen; maar evenzeer tot zijn werk, waarvan toch een zeer groot gedeelte bewaard is gebleven. het enige dat ikzelf jammer vind, is dat de tragedies nogal onderbelicht blijven, temeer daar Wilson een deel ervan zelf in het Engels heeft vertaald. Maar bon, dat is haar keuze. En wat nu voorligt is een uitstekend boek.

°°°

In het Nederlands zijn mij enkel uitgaven bekend van de ‘dialogen’ en van de brieven aan Lucillius, in vertalingen van Cornelis Verhoeven. Het zijn vertalingen die al dateren uit de jaren tachtig van de vorige eeuw, en dus waarschijnlijk niet meer regulier verkrijgbaar. Als mijn geheugen me niet bedriegt, waren dat vlotte en degelijke vertalingen.

Hetzelfde en nog meer moet uiteraard gezegd worden van de vertalingen van de tragedies, van de hand van Piet Schrijvers. Twee delen daarvan zijn tot op heden verschenen, en de boeken geven de Nederlandse én de Latijnse tekst naast elkaar, wat uiteraard zeer aan te bevelen is. Het derde en laatste zou onderweg moeten zijn. Maar het is nog niet aangekondigd. Maar gelet op de verschijningsdata van de andere twee (respectievelijk 2013 en 2015) zal het wel 2017 worden. En als ’t God belieft zal ik er dus nog kennis van kunnen nemen.

seneca-2

En dit alles gezegd zijnde, merk ik dat ik iets vergeten ben: enkele jaren geleden heb ik al een boek over de heren Nero en Seneca gelezen, in het Nederlands, van de hand van de hoogleraar klassieke geschiedenis Anton van Hooff: Nero & Seneca, de despoot en de denker (Uitgeverij Ambo, Amsterdam, 2010). Het geheugen verslijt, inderdaad, totdat het er uiteindelijk uitziet als een Zwitserse kaas. Maar dit boek focust dus vooral op de verhouding tussen de twee mannen, de politieke machtsstrijd in hun tijd, en de geschriften van Seneca in die context. Ik herinner me wel nog dat ik het zeer goed vond. Wilson is algemener, van Hooff specifieker. Maar beiden zijn uiteraard uitstekende geleerden.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


elf − 1 =