21.07.06 – Ernest Claes (begot!)

| 3 reacties

Wat ik mij in verband met Ernest Claes het best herinner is niet direct van hem: het is Jef Burm in een BRT-reeks naar de roman Charelke Dop. Deze was een grove oorlogsprofiteur, verklikker en alles wat men verder maar wil. De reeks eindigt wanneer Charelke Dop een ereteken krijgt wegens zgn. diensten aan het vaderland; dan zegt Burm/Dop, en als ik me goed herinner was dat het laatste beeld: ‘Het vaderland, dat zijn mensen zoals ik.’ Van een heerlijk cynisme was dat!

Die roman (De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop) had ik gelezen en goed gevonden; maar het is natuurlijk heel goed mogelijk dat boek en film in mijn geheugen gewoon in elkaar gevloeid zijn.

ernest-claesBert Govaerts gaat daar in zijn biografie – Ernest Claes, de biografie van een heer uit Zichem (Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen/Utrecht, 2016) – ook niet op in, omdat die film jaren na de dood van Claes gemaakt werd (maar wel op een ogenblik, zo voeg ik er maar aan toe, dat de televisieschermen nog niet effenaffe stront uitstraalden – bij wijze van reclame die de programma’s om de tien minuten onderbreken). Het is een goeie biografie, dat kan ik al wel onmiddellijk zeggen. Vooral natuurlijk omdat ik er veel door heb bijgeleerd, want behalve de heel grote lijnen wist ik eigenlijk weinig of niets van het leven van Claes. Dat leven is op zich misschien niet zo interessant, maar wordt het wel door de tijd waarin hij leefde, waarin twee wereldoorlogen plaats hadden en waarin wat men noemt de ‘Vlaamse Beweging’ duidelijk en meestal op een onfrisse wijze van zich liet horen.

Govaerts moet wel een beetje onzeker zijn van zichzelf, want in zijn ‘verantwoording’ vooraan verontschuldigt hij zich a.h.w. omdat hij een ‘ouderwets’ boek geschreven zou hebben. En dat zou dan tot uiting komen in de volgehouden chronologie. Maar elke biografie volgt zo’n stramien. Af en toe is er eentje die met de dood van de protagonist begint, maar het volgende hoofdstuk begint dan steevast met de jeugd om dan verder te gaan in chronologische volgorde.

En verder stelt hij daar dat dit ‘geen literaire biografie in de enge zin van het woord’ zou zijn. Wat hij daarmee bedoelt, weet ik niet. Een biografie behandelt uiteraard eerst het leven; en als literatuur in dat leven een grote rol speelt, ook de literatuur. Bij Claes was dat belangrijk (naast de politiek en het ambtenarenleven) en dus komt dat aspect voortdurend aan bod in deze biografie. Wel is het zo dat Govaerts zelf zelden het werk van Claes grondig analyseert en evalueert. Dat laat hij meestal aan anderen, de critici en zo, over. Enkel voor de roman Daar is een mens verdronken maakt hij een uitzondering. En laat dat nu net de tweede roman van Claes zijn, die ik echt goed vond (zonder nog te weten waarover hij ging overigens – ik was een tiener toen ik die las), terwijl Govaerts het een mislukking vindt. Herlezen?

Wat mij ook verheugt is dat blijkbaar niemand Govaerts iets in de weg heeft gelegd, en dat hij van alle relevante documenten kennis heeft kunnen en mogen nemen, en die ook heeft verwerkt in zijn biografie. Het is dus gelukkig alles behalve een hagiografie geworden, want ook de kleine en de onnozele kanten van Claes worden duidelijk in de verf gezet. Het beeld is dus wel volledig. Het zal geweten zijn dat Claes van boerenafkomst was, en dat hij enkel heeft kunnen studeren dank zij mecenaat (middelbaar onderwijs) en dank zij wettelijke mogelijkheden voor soldaten gecombineerd met mecenaat (universiteit). Het was altijd moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen, en ik kan me voorstellen dat dat vernederend geweest moet zijn. Maar toch is van enig ressentiment daardoor nergens iets te bespeuren. Wel zal zijn houding tegenover geld daar later wel een rol in hebben gespeeld: “Claes had enig talent om op het juiste moment de rol van financiële dramaqueen te spelen.”(p. 230) zo stelt de auteur het enigszins eufemistisch. Terwijl hij als topambtenaar bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers al een topwedde had, en daarbij kwamen dan nog de royalty’s, de inkomsten vanaf de jaren dertig uit films, en de inkomsten van ontelbare lezingen. De auteur zegt het niet, maar ik vermoed dat Claes eigenlijk wel van zijn pen had kunnen leven.

Wat ik helemaal niet wist, is dat hij in Leuven een concilium abeundi gekregen heeft, d.w.z. dat hij van de universiteit werd weggestuurd. Een maatregel die slechts op het nippertje ingetrokken werd. Zovele jaren later gebeurde net hetzelfde met een andere, anderszins bekende Vlaming, maar bij die werd dat concilium abeundi niet ingetrokken: Ludo Martens had het in 1966 gewaagd om de pedofilie van priesters aan te kaarten.

Martens zou politicus worden, Claes werd dat nooit, ook al heeft hij zich z’n leven lang voor politiek geïnteresseerd. Hetgeen uiteraard bijna vanzelf sprak, gelet op zijn statuut van ambtenaar bij de kamer, waardoor hij bijna dagelijks met alle politici van het land in aanraking kwam, en er zelfs enkele vrienden maakte, de bekende Frans Van Cauwelaert bv. Wat hij uiteindelijk daaruit voor conclusie trok, zegt hij zelf: “Voor geen enkel politieker heb ik nog eenige achting. Ik kan hun knapheid bewonderen, dat is alles. Ik ken er geen enkele, Huysmans evenmin als Frans Van Cauwelaert, die niet in de eerste plaats en bijna uitsluitend aan zichzelf denkt.” (p.284) Zo is het, ben je geneigd te zeggen.

Maar het duurt lang vooraleer dat op zich juiste inzicht leidt tot dat andere inzicht: dat het in de politiek altijd zo is, dat er geen andere, laat staan een betere politiek mogelijk is. Claes is wellicht nooit tot dat inzicht gekomen, ook al heeft hij zich op het einde van zijn leven , grosso modo na de tweede wereldoorlog, nog maar heel weinig met politiek bemoeid. Vreemd genoeg was die politiek ook quasi totaal afwezig uit zijn zuiver literaire werk – op de twee hierboven genoemde boeken na. De journalist Claes daarentegen schreef wel degelijk voortdurend over politiek. En wel in Vlaamsgezinde richting. Blijkbaar was dat geen enkel bezwaar vanwege zijn broodheren van de kamer. Maar daar had hij uiteraard invloedrijke ‘vrienden’, vooral bij de christen-democraten. Die elkaar toen al verscheurden blijkbaar, getuige de vete Sap-Van Cauwelaert.

Claes gaat door als Vlaamsgezind, en dat was hij natuurlijk ook. Maar toch moeten ook daar enkele randnotities bij geschreven worden, zo blijkt. Zo was hij tijdens de eerste oorlog duidelijk niet, en zelfs anti-activistisch. En heeft hij z’n hele leven lang in bewondering gestaan voor het koningshuis, tot en met Boudewijn, die regelmatig van zich liet horen als er rond Claes iets te vieren viel. En z’n kleindochter werd in het Frans opgevoed – tot spijt van Claes, dat wel, maar blijkbaar heeft hij zich toch niet daartegen verzet.

En hoe zit het dan met zijn Duitsgezindheid? Hij ging veel op vakantie in Duitsland, maar als dat een criterium is, ben ik ook Duitsgezind. Quod non, dus, zeker in die context en betekenis. Maar het is een feit, en Govaerts verbloemt dat niet, dat Claes in de tweede helft van de jaren dertig meewerkt met enkele artikelen aan het lijfblad van de SS, Das schwarze Korps. Dat wist ik helemaal niet (en ik zal wel de enige niet zijn). Toen hij later, bij het begin van de oorlog, nog eens gevraagd werd door die club, weigerde hij; of beter: antwoordde hij niet, wat ook een weigering is natuurlijk. Met alles wat we nu weten, lijkt dat een vreselijk iets. Maar wisten de mensen toen, zelfs mensen als Claes die dagelijks in contact stond met politici, wat dat allemaal voorstelde, laat staan waar dat allemaal toe zou leiden? Waarschijnlijk zeer weinig. Temeer daar de moffen tijdens de reizen van Claes door Duitsland mooi de schijn wisten op te houden. Uit heel de biografie van Govaerts treedt een man naar voren, die in sommige opzichten van een vreselijke naïveteit geweest moet zijn; zo is ook minstens één geval gedocumenteerd waarin hij zich door een financiële oplichter erin liet luizen. Waarbij ook zijn neiging om ‘belangrijke’ personen te bewonderen (zijn eigen vader was vroeg gestorven!) een grote rol gespeeld zal hebben. Govaerts stelt het zo: “Toen de Tweede Wereldoorlog eenmaal beslecht was, werd hij op slag een democraat die Churchill en Roosevelt bewonderde en zich niet meer leek te herinneren dat hij ooit geschreven had dat Hitler door de voorzienigheid gestuurd was.” (p. 456)

Laat mij één voorbeeld geven. Claes schrijft op 4 november 1940 in zijn dagboek: “Ik geloof vast dat Adolf Hitler een eerlijke mensch is, dat hij het eerlijk meent. Maar de mensch moet er toch ook onder lijden, dat zooveel menschen moeten vallen om zijn idealen te verwezenlijken.” (p. 310). Dat is van een naïveteit die aan onnozelheid grenst. En helemaal niets wijst erop dat dit fake zou zijn. Dat is het politieke niveau van de Vlaamse schrijver Ernest Claes.

’t Kan verkeren.

Na de oorlog werd hij door de kamer geschorst in het belang van de dienst, zoals dat dan heet. Een collega had een heus dossier over hem aangelegd (nooit iemand vertrouwen, denk ik dan, géén vrienden hebben) en dat aan het gerecht gegeven. Maar zowel in eerste aanleg als in beroep werd hij vrijgesproken. Vermoedelijk wel terecht. Maar hij heeft wel geluk gehad natuurlijk, want voor hetzelfde geld werden heel wat collega’s wel vaak zwaar gestraft. Dat hing van de totale willekeur van het parket en de rechter(s) af. En van de zgn. klein-inquisiteur Toussaint van Boelaere, die zich tot aan zijn dood in 1947 ontpopte als verbeten jager op alles wat in litteris van dichtbij of van heel ver verdacht kon worden van heulen met de vijand. Overigens werd ook het huis van Claes in Ukkel geplunderd; op basis van een bestaande en geldende wet kon hij daarvoor schadevergoeding krijgen. Maar voor de periode van 10 mei tot 15 juli 1945 werd die wet door de regering gewoon opgeschort, zodat niemand (want er waren uiteraard nog gevallen) een cent kreeg. Dat heette (en heet nog als het de machthebbers uitkomt) in België ‘democratie’.

Govaerts weet ook zeer goed en overtuigend te schetsen hoe geliefd Claes eigenlijk was bij de Vlamingen. Dat valt me nu zeer sterk op, omdat ik me geen enkele schrijver van na de oorlog kan indenken waarbij dat het geval is, toch niet zo algemeen. Boontje in Aalst natuurlijk, dat wel. Maar Hugo Claus zie ik nog niet in een koets door Brugge of Gent of Antwerpen trekken, toegejuicht door de menigte. Zijn werk moet toch een sterke snaar geraakt hebben, ook de vele televisieverfilmingen wijzen daarop. En het feit dat een linkse rakker als Robbe de Hert Claes’ bekendste werk De Witte een tweede keer (de eerste keer gebeurde dat in de jaren dertig al) verfilmde.

Behalve de twee genoemde romans (plus de laatstgenoemde natuurlijk – wie heeft die niet gelezen?!) heb ik maar weinig van Claes gelezen, en van dat weinige staat me nog minder bij. Maar dat is ook het geval met andere lectuur; waarschijnlijk heeft dat enkel met de werking van mijn geheugen te maken. Ik kan dus moeilijk een globaal oordeel over dat werk vellen. Dat doet trouwens ook Govaerts zelf amper. Wat dat betreft laat hij zijn onderwerp liever zelf aan het woord, die hier wel degelijk over een scherp inzicht in het eigen kunnen en niet-kunnen beschikte: “Ik heb juist talent, schrijverstalent, genoeg om in te zien hoe klein het is. Maar dat kleine beetje is voldoende om me te doen begrijpen wat het zou kunnen zijn. Mij zoo klein voelen, zoo waardeloos naast de grote kunstenaars die ik door lezen ken, waarvan ik de werken heb gezien of gehoord, en daarvan bewust te zijn, is het bitterste deel van mijn leven. het succes van mijn boeken, of beter gezegd het verkoopsucces, doet me dat soms wel vergeten, maar dat is juist het ergste, geloof ik.” (pp.308-309)

Er is nog een laatste aspect aan de persoonlijkheid van Claes, dat vermeld moet worden. Govaerts doet dat ook uiteraard, maar erg diep gaat hij er niet op in. Nochtans is Govaerts van 1952, en dus moet hij het rijke Roomse leven hier te lande nog gekend hebben, aan den lijve zou ik zeggen. Hij schrijft dat Claes door zijn repressiemiserie ‘haast kinderlijk devoot’ geworden is. Maar ik vrees dat dat er altijd al ingezeten heeft, vanaf het begin; en dat daar een groot deel van zijn naïveteit haar oorsprong vindt. Waarschijnlijk komt dat ook tot uiting in zijn werk (zoals in dat van Timmermans trouwens): het is een katholicisme dat door en door volks-naïef is, met alle bijgeloof dat daarbij hoort. Tot en met de jaren zestig was dat levend in Vlaanderen. Waarschijnlijk heeft ook dat bijgedragen tot het grote succes van Claes’ werk.

Ik heb in heel de biografie één enkel feitelijk foutje aangestreept: op pagina 375 wordt gesteld dat Johan Daisne een spotgedicht op Verschaeve gepubliceerd zou hebben in Zondagspost. Maar degene die daar onder het pseudoniem Diogenes een zevental scherpe gedichten tegen de collaborateurs publiceerde, was, voor zover ik weet, Herwig Hensen, en niet Johan Daisne.

Maar dat doet niks af aan de waarde van deze biografie, die de figuur en de persoonlijkheid van Claes zeer goed weet te vatten, en vooral in zijn tijd te plaatsen. Dat de auteur zich daarbij onthoudt van eigen standpunten, maar de feiten gewoon voor zichzelf laat spreken, maakt zijn werk alleen maar sterker. Claes’ werk mag dan amper nog gelezen worden, het heeft toch een zeer belangrijke rol gespeeld in het literaire leven in Vlaanderen; zoals de persoon Claes in het politieke leven. En daarom alleen al is zo’n biografie welkom. Zeker als ze dan ook nog goed geschreven is zoals deze; en als de biograaf zichzelf op de achtergrond weet te plaatsen en zijn best doet om objectief te blijven. Waarin hij trouwens grotendeels slaagt.

Delen:

3 reacties

  1. In het, overigens zeer leesbaar en boeiend werkstuk, vond ik een foutje.
    Bert Govaerts schrijft dat Stijn Streuvels’ echte naam Frans Lateur is.
    Is die dan niet Frank Lateur?

  2. “Frank Lateur” staat er op veel briefpapier van Streuvels. Maar Claes gebruikte haast nooit die voornaam. In de briefwisseling die is bezorgd door Marcel De Smedt (Davidsfonds, 2013) is bijna altijd “Frans”.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


20 + 17 =