13-07-16 – Hitler und kein Ende

| Geen reacties

Nee, met die titel bedoel ik niet datgene wat in de politiek wel eens de reductio ad hitlerum genoemd wordt; daarmee wordt bedoeld dat al te veel politici al te gemakkelijk tot nieuwe hedendaagse Hitlers gebombardeerd worden. Wat dan niet daarbij gezegd wordt: dat dit meestal politici zijn uit de derde wereld, die weigeren te luisteren naar de dictaten van Washington of, in voorkomend geval Tel Aviv. Meestal hebben die weinig tot niets met Hitler te maken, want de echte opvolgers van Hitler zijn in datzelfde Washington, en de filialen in Londen en Parijs te zoeken. De kern van het bewind van Hitler was immers het streven naar wereldheerschappij, en al de rest kwam daarna.

Nee dus, waar ik het wel over heb is de nieuwe, wetenschappelijke uitgave van Hitlers roemruchte boek: Hitler, Mein Kampf, eine kritische Edition, herausgegeben von Christian Hartmann, Thomas Vordermayer, Othmar Plöckinger, Roman Töppel, Im Auftrag des Instituts für Zeitgeschichte, 2 Bände, München – Berlin, 2016.

hitler-mein-kampf

Een dik half jaar hebben de twee dikke delen (tesamen net geen 2000 bladzijden) bij mijn leeshoekje gelegen, en met een half uurtje tot een uurtje per dag (soms ook helemaal niets) ben ik er nu eindelijk doorheen. En dan heb ik de tekst van Hitler zelf nog niet eens gelezen! Dat had ik vroeger al kunnen doen, want sinds mijn tienertijd ben ik al in het bezit van een exemplaar van de oorspronkelijke uitgave. Het moet een van de weinige, zeldzame boeken zijn waar ik nooit doorheen gekomen ben. En dat heeft niets met de inhoud te maken, maar alles met de stroeve, extreem zelfingenomen stijl. Ook nu dus weer: amper tekst van Hitler zelf tot me genomen.

Wat dan wel, zal men vragen?

Heel eenvoudig: de inleidingen, uitleidingen en de voetnoten.

De presentatie van het boek is schitterend, en laat zo’n lectuur dan ook zonder problemen toe. Op de rechterbladzijden staat de tekst van Hitler, vet gedrukt. Naast die tekst staan filologische voetnoten; de basistekst voor deze uitgave was de eerste druk van beide delen, en die voetnoten duiden de verschillen aan met zeven latere, bewerkte uitgaven. Om dat wetenschappelijk te kunnen doen werden blijkbaar kosten noch moeite gespaard: de zeven versies werden ingescand (wat voor Frakturschrift niet voor de hand lag), waarvoor speciale apparatuur gemaakt moest worden, en dan door de computer vergeleken. Soms zijn die latere ingrepen wel interessant, maar in meer dan negentig procent van de gevallen helemaal niet: er valt een letter weg, of er komt een letter bij, dat soort ingrepen.

Op de linkerpagina’s plus onder de tekst van Hitler, plus soms nog op de twee volgende pagina’s staan dan de inhoudelijke voetnoten. Het zijn die, die ik grondig gelezen heb, want die zijn wel degelijk interessant. Ze gaan na waar Hitler zijn mosterd haalde, welke van zijn interpretaties totaal onjuist waren, waar hij effenaf loog, enzoverder. Het opstellen van dit voetnotenapparaat moet een ontzaglijk werk geweest zijn, waar uiteraard niet enkel de op het kaft genoemde uitgevers verantwoordelijk voor zijn, maar een heel team van specialisten (die op het einde van het tweede deel overigens een uitgebreid dankwoord krijgen) op veel gebieden. Van een o zo typisch Duitse grondigheid dus.

hitler-annotaties

Sommige zaken vallen daarbij wel op: Hitler stak nooit onder stoelen of banken wat zijn bedoeling zou zijn als hij aan de macht zou komen; het staat er inderdaad allemaal in: de hoofdvijand was het judeo-marxisme, zijnde de Sovjet-Unie die geliquideerd moest worden, en de joden moesten desnoods uitgeroeid worden. Iedereen die kon lezen, kon dus weten wat Duitsland en anderen te wachten stond. Maar blijkbaar werd het boek enkel in die Sovjet-Unie effectief gelezen. Wat alleszins sommige dingen kan verklaren.

De samenstellers citeren veel uit politierapporten uit de tijd dat de NSDAP nog een kleine partij was, die vooral in München, Rosenheim en nog enkele andere Beierse bleds actief was. Ook dat wijst allemaal in dezelfde richting. Alleen stelde Hitler in zijn boek de deelnemers en het ledenaantal van zijn partij in een groter daglicht dan het in werkelijkheid was.

Maar wat het meest opvalt, wat mij ook het meest verbijsterd heeft is de alomtegenwoordigheid van het antisemitisme in het Duitse leven, en niet enkel dat van extreem-rechts. Uit deze voetnotenreeks komt een beeld naar boven van een maatschappij die totaal aangevreten was door dat virus – dat, ik herhaal het nog maar eens, op niets, maar dan ook werkelijk op niets steunde. Blijkbaar was het een collectieve psychose, die enkel met de vroegere heksenwaan te vergelijken valt, met dezelfde nefaste gevolgen. En dat hoorde niet enkel tot de twintigste eeuw, de periode na de wereldoorlog, zeg maar. Nee, in de 19de eeuw was dat al overal aanwezig in Duitsland.

Het geheel van de voetnoten biedt eigenlijk een globaal cultuurhistorisch overzicht van Duitsland vanaf het einde van de 19de eeuw, en zelfs nog verder terug, tot de tijd van Hitler zelf, een overzicht in fragmenten, dat wel. Maar dat belet niet dat je een goed beeld krijgt, vooral natuurlijk van de ‘völkische’ beweging in Duitsland. Dat beeld kan overigens ook als uitgangspunt dienen voor een vergelijking met hedendaagse Duitse toestanden, die vaak beangstigend sterke overeenkomsten vertonen met zaken uit de Weimarrepubliek, en dan denk ik op de eerste plaats aan de symbiose tussen geheime diensten en extreem-rechts (NSU!). Maar zover wagen de samenstellers hier zich natuurlijk niet, ze blijven afstandelijk, objectief en wetenschappelijk. Maar de lezers zijn natuurlijk best wel zelf in staat om conclusies en parallellen te trekken.

De principes die aan de basis lagen van deze uitgave worden expliciet uitgelegd in de inleiding; maar daarnaast wordt ook elk hoofdstuk van Hitler nog eens voorafgegaan door een kortere inleiding. Het boek wordt afgesloten door een uitgebreide bibliografie en de nodige registers. Plus door een opsomming van de vertalingen die tot 1945 verschenen. Jammer dat ook latere vertalingen niet opgesomd werden; zo hadden we kunnen weten wat ervan aan is dat er nog altijd Arabische en Turkse vertalingen zouden circuleren; en dan hadden we geweten of dat oude of nieuwe vertalingen zouden zijn.

Dé vraag die ik me bij dit alles stel: is dit onleesbare boek zoveel heisa en zoveel werkuren waard?! Ik twijfel eraan. Vermoedelijk zal van de miljoenen exemplaren slechts een uiterst kleine fractie ook werkelijk gelezen zijn. En dat die lectuur iemand overtuigd zou hebben, geloof ik niet. Met dergelijke politieke boeken is het immers zo, dat ze, als ze al gelezen worden, dat enkel door mensen is die toch al overtuigd zijn. Hitlers invloed is vooral door zijn zeer geënsceneerde optredens en het daarbij horende gebrul (ook wel ‘toespraken’ genoemd) te verklaren, vrees ik. Niet door een stupide boek.

Geleerden moeten natuurlijk hun bestaansrecht bewijzen; dat hebben de leden van het Institut für Zeitgeschichte hiermee ten overvloede bewezen. Ze mogen gerust geplaatst worden in de reeds uit de negentiende eeuw stammende (von Ranke!) reeks grondige Duitse historici van soms wereldfaam. Ze hebben een schitterend en voor alle komende historici voorbeeldig werk afgeleverd.

Maar ook een zinvol werk?

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × een =