08-07-16 – De laatste maanden van Drieu la Rochelle

| Geen reacties

pierre-drieu-la-rochelle-met-kat

Pierre Drieu la Rochelle heb ik wel degelijk grondig en bijna helemaal gelezen, vanaf het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw tot op vandaag zelfs nog, als er iets nieuws verschijnt. Maar ook van die lectuur herinner ik me maar weinig, zeker van de romans en verhalen; de essays daarentegen zijn me beter bijgebleven. Hoe dat komt zou ik niet kunnen zeggen. Maar er is natuurlijk veel bij Drieu dat ik als in een spiegel herken. Naast zijn zelfwalg wellicht (gepaard gaand met walg voor de wereld en de mensheid in ’t algemeen, totale misantropie dus), vooral dat nooit positie kunnen kiezen in politieke zaken, erdoor gefascineerd zijn en willen meedoen, maar tezelfdertijd een te scherp verstand hebben om niet alles te doorzien, om niet achter alle maskers te kunnen kijken.

Onlangs verscheen een boek waarin de laatste acht maanden van Drieu’s leven opgeroepen worden, de maanden waarin hij in en rond Parijs ondergedoken zat, op de vlucht voor politie en aanverwanten, die op zoek waren naar collaborateurs: Aude Terray: Les derniers jours de Drieu la Rochelle (Editions Grasset, Paris, 2016). Niet de laatste dagen dus, maar de laatste maanden.

aude-terrayJe zou kunnen stellen dat het die éne fout is die biografen te allen prijze moeten vermijden, die van dit boek een zo sterk en lezenswaardig verhaal maakt, waarin je a.h.w. meegezogen wordt. Die fout bestaat er op de eerste plaats in dat zaken geponeerd worden zonder bronvermelding, en op de tweede plaats dat gedachten van het onderwerp, gemoedsgesteltenissen etc. worden weergegeven; dat laatste moet bijna altijd zonder bronvermelding gebeuren, want geen enkele biograaf kan in de ziel (of de hersenen, als men wil) van zijn of haar onderwerp lezen zoals een alwetende verteller in die van zijn personages.

Maar in onderhavig geval is het juist dat, wat het boek zo boeiend en meeslepend maakt!

En laten we ook niet te streng zijn: het overgrote deel van wat Terray schrijft kan wel degelijk gecontroleerd worden aan de hand van dagboeken, herinneringen, briefwisselingen enz. Zowel van Drieu zelf als van anderen. En de passages die in de erlebte Rede gesteld zijn, zouden zonder uitzondering inderdaad van Drieu kunnen zijn. Van de auteur zijn ze zeker niet; zij komt, zeker naar het einde van haar boek toe, vaker zelf evaluerend aan het woord, maar de lezer kan het onderscheid wel duidelijk maken; wat dat betreft zorgt Terray ervoor dat geen misverstand  mogelijk is.

Een geromantiseerde biografie heet dat, en het is een even legitiem genre als alle andere. Misschien moeten auteur en lezer gewoon wat meer inlevingsvermogen tonen dan bij een echte, wetenschappelijke, academische biografie, waar afstand eerder aangewezen is. Het is dus normaal dat Terray amper bronnen vermeldt (af en toe is er een voetnoot met een verwijzing), en ook een bibliografie achterwege laat.

Het boek leest als een film; je kent natuurlijk het uiterlijk van Drieu, en dat zorgt ervoor dat je de figuur gewoonweg voor je ziet, zo goed weet Terray hem van buiten en van binnen op te roepen. Voor de anderen is dat veel minder het geval; die anderen, dat zijn dan vooral zijn minnaressen, die hem zo goed mogelijk verbergen; enkel zijn huishoudster Gabrielle wordt wat meer in de verf gezet: een schitterend contrast eigenlijk tussen de aristocratische Drieu en de volksvrouw die hem bedient. Blijkbaar volgde zij hem ook naar alle, vaak niet al te aangename schuilplaatsen.

Van binnenuit volgen we de grotendeels bekende Drieu: de eeuwige twijfelaar die nooit kon kiezen: ben ik nu links of rechts (eerst steunde hij Hitler dan Stalin, eerst was hij lid van de PPF van Doriot, dan gaf hij weer zijn ontslag, dan werd hij opnieuw lid enzoverder enzovoort), moet ik mij engageren of niet? Wij weten natuurlijk dat hij zich beter nooit met politiek had ingelaten, maar was dat mogelijk, in die tijd en met die biografie? Drieu was – eerder als politiek geïnteresseerde dan als schrijver – een verwoed krantenlezer en bij hun bezoek moesten de verschillende minnaressen altijd kranten meebrengen. Daarin kon hij uitgebreid lezen over de processen tegen vooraanstaande collaborateurs, over het fusilleren van Fernandez en Brasillach, maar ook over de genade voor Béraud en de relatief gunstige uitspraak voor de mummie van Maurras. Het kan inderdaad niet anders of hij moet daarbij sterk hebben nagedacht en gegruweld over zijn eigen (mogelijke) lot. Drieu in Fresnes? Kakkend op een plastieken emmer in een vochtige en klamme, vuile cel? Stinkend, met dagenlang hetzelfde ondergoed? Hij kon het zich niet voorstellen, en vermoedelijk kan ook nu nog niemand die de figuur enigszins kent, zich dat voorstellen.

Maar het zal daarom alleen niet zijn dat hij de eer aan zichzelf hield. Gabrielle had hem al toevallig teruggevonden (ze had haar tas vergeten in zijn appartement) na zijn eerste zelfmoordpoging, vandaar zijn briefje bij de laatste, de gelukte poging: “Gabrielle, laat me nu toch slapen.” Z’n leven lang is hij door zelfmoord een beetje geobsedeerd geweest. En uit zijn dagboek blijkt duidelijk dat hij het niet meer zag zitten, dat zijn ‘engagement’ eigenlijk vanaf het begin eerder een voluntaristisch masker geweest was dan een echte overtuigingsdaad. Hij wou, maar hij kon niet. Zoals hij veel eerder communist had willen worden, maar het niet kon. Vandaar wellicht ook de verveling, die in zijn verschillende schuilplaatsen natuurlijk meestal nog prangender werd, maar die eveneens nooit helemaal afwezig is geweest uit zijn leven. Blijkbaar hielp ook het schrijven niet. In zijn schuilplaatsen werkte hij grotendeels aan twee teksten: het bekende en mooie Récit secret, dat gerust als een soort testament gezien kan worden, en aan de roman Memoires de Dirk Raspe, die hij nooit beëindigd heeft, ook al moest het zijn meesterwerk worden: tijdens de laatste maanden liet hij het helemaal afweten, en kon hij blijkbaar niet meer schrijven. Dat zal eerder het gevolg geweest zijn van zijn algehele toestand dan een bijkomende oorzaak van zijn zelfmoord.

(Overigens, die Dirk Raspe handelt over Vincent Van Gogh; iets eerder had bij ons ook Boon een roman over Vincent Van Gogh gepubliceerd: Abel Gholaerts; misschien zou het interessant kunnen zijn de twee eens te vergelijken, de ene schrijver op dat ogenblik immers links zijnde en de andere rechts, de ene collaborateur, de andere kleine verzetsman.)

Eveneens zeer filmisch doen de flash-backs aan, die Terray regelmatig inlast in haar boek. Ofschoon inderdaad niet door bronnen bewijsbaar ligt het voor de hand dat Drieu tijdens zijn onderduikperiode terugdacht aan vroeger, zeker aan vroegere vrienden zoals Aragon (waar hij waarschijnlijk in zijn jeugd een verhouding mee had, ook al heeft geen van twee dat ooit expliciet toegegeven) die nu aan de totaal andere kant van de barrière stonden; of aan Berl, ontsnapt aan de judéocide, en die hem ondanks alles zeker geholpen zou hebben om onder te duiken.

Er is toch iets vreemds aan dat antisemitisme van Drieu; het heeft hem nooit belet op zeer vriendschappelijke voet met joden om te gaan  en zelfs ermee te trouwen en ook na de scheiding bevriend te blijven; hij heeft zijn joodse echtgenote zelfs uit de klauwen van de moffen gered. Waarschijnlijk was ook dat antisemitisme niet meer dan een modieuze mantel die hij omhing, zoals alle andere mantels vooral bedoeld om die enorme leegte in hem te vullen. Hij doet een beetje denken aan Scott Fitzgerald, ook wat zijn romans betreft: het doen alsof tot hoogste kunst verheven.

Een van de andere vroegere vrienden was André Malraux, die tijdens de maanden van Drieu’s onderduiken effectief en met de wapens streed tegen de moffen in Alsace-Lorraine, met name in de buurt van Straatsburg en Metz, die hij meehielp bevrijden. Wat doet Drieu? Hij neemt via omwegen contact op met Malraux om zijn diensten aan te bieden om onder diens leiding mee te vechten tegen de bezetter! Hoe wereldvreemd kun je in godsnaam zijn! Malraux kende Drieu blijkbaar veel beter dan die zichzelf kende, want hij antwoordde positief maar stelde wel voorwaarden, waarvan hij waarschijnlijk wist dat de ijdele Drieu die toch niet zou aanvaarden.

52 was hij toen hij veronal slikte en zichzelf aan het gas legde. Hij had gerust nog wat langer mogen leven en eindigen als académicien. Maar in overdrachtelijke zin is hij uiteraard gedurende heel die periode na zijn dood wel degelijk aanwezig gebleven; zoals Terray het in haar eindconclusie zegt:

“L’oeuvre est inachevée, le procès reste ouvert, mais Drieu a gagné un ticket pour l’immortalité. Il est devenu le fantôme embarrassant qui hante de son charme triste la littérature française.” (p. 234)

°°°

Inmiddels is hij ook doorgedrongen tot de Pléiade; enkele jaren geleden al is een deel Oeuvres van hem in die meest prestigieuze reeks verschenen. Er zal wel weer wat discussie aan vooraf zijn gegaan natuurlijk; is dat oeuvre zo goed en/of zo belangrijk dat het in zo’n reeks thuishoort? Ik durf daar niet over te oordelen; ik vind dat zijn romanwerk op dezelfde hoogte staat als dat van Brasillach, dat wel, maar heel erg hoog schat ik beiden niet in. En Brasillach was in elk geval een veel beter criticus, zeker op literair vlak. Maar voor wat de roman betreft is er eigenlijk maar één fascist (Céline is volgens mij helemaal geen fascist) die een meesterwerk geschreven heeft dat in de Pléiade zou thuishoren: Les deux étendards van Lucien Rebatet.

Maar dat durft Gallimard, of de bevoegde personen binnen Gallimard, uiteraard niet aan.

Ik heb het Journal 1939-1945 van Drieu nog eens uit de rekken gehaald. Daarover was in 1992 wel veel te doen, volkomen ten onrechte mijns inziens, want zo erg was het helemaal niet. Maar wat me interesseerde was vooral te zien wat ik aangestreept had – bij wijze van spiegelfragmenten, zeg maar. Heel veel was dat niet, maar toch genoeg om in te zien wat ik in hem herkend heb, toen (en nu wellicht nog?). Nee, ik ben niet van plan het daarover verder te hebben. Ik weet het voor en van mijzelf, en dat moet maar volstaan.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


4 × twee =