07-07-16 – In die tijd…

| Geen reacties

Oorlog 1939-1945. Alain Laubreaux en Pierre Antoine Cousteau (onder het schilderij van de maréchal Pétain) tijdens een meting in de Magic City. Parijs, mei 1942. LAPI-7549 © LAPI / Roger-Viollet

Alain Laubreaux en Pierre Antoine Cousteau (onder het schilderij van de maréchal Pétain) tijdens een meting in de Magic City. Parijs, mei 1942. LAPI-7549, © LAPI / Roger-Viollet

Walter De Bock heeft ooit een van zijn boeken De mooiste jaren van een generatie genoemd, en daarmee doelde hij op de generatie die even voor de oorlog volwassen was geworden, tijdens de oorlog collaboreerde met de bezetter en na de oorlog van niets spijt had want ze hadden immers nicht gewusst.

Ik kan me niet voorstellen dat het elders in Europa in de door de nazi’s bezette landen anders zou geweest zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld.

Wanneer men mij als jongeman gevraagd zou hebben wat de naam Cousteau me zei, dan zou ik zoals de meesten aan Jacques-Yves gedacht hebben, de bekende oceanograaf die zo’n prachtige films maakte over het onderzeese leven. Van zijn oudere broer, Pierre-Antoine Cousteau zal ik toen wel nooit gehoord hebben.

Ook later heb ik hem niet gelezen, ook al was hij een van de sterreporters van het Franse fascistische weekblad Je suis partout, waarvoor hij samen met Rebatet na de oorlog ter dood werd veroordeeld, en enkele jaren later begenadigd en vrijgelaten. Om, net zoals Rebatet, fascist te blijven en mee te gaan werken, zij het in mindere mate, aan Rivarol, in zekere zin de naoorlogse opvolger van Je suis partout, maar dan wel met veel minder talent.

Cousteau heeft nooit romans, gedichten of toneel geschreven; dat is naar alle waarschijnlijkheid de enige reden waarom ik hem nooit las. Alle anderen van die strekking heb ik immers leren kennen via hun literaire werk; hun gebeurlijke journalistieke werk is pas daarna gekomen, als zijnde tweederangs wellicht. Ofschoon dat uiteraard niet echt klopt: het zijn gewoon verschillende genres.

en-ce-temps-laMaar zolang er leven is, bestaat de mogelijkheid zaken in te halen. Zo heb ik onlangs dus En ce temps-là van Pierre-Antoine Cousteau gelezen (er bestaan verschillende uitgaven van, en zeker antiquarisch zijn ze gemakkelijk te vinden). De uitgave die ik las werd uitgegeven en van aantekeningen voorzien door Arina & Marc Laudelout, de kenner van Céline en al jarenlang uitgever van het Bulletin Célinien.

Het boek bevat twee teksten. Op de eerste plaats de memoires van Cousteau over zijn vooroorlogse zeg maar jeugd. Zoals zovelen is hij links begonnen, maar bij rechts terecht gekomen. Hoe dat komt legt hij niet uit. Hij zou overtuigd zijn geworden door een kennis. Kan best zijn, maar meestal zijn het toch eerder totaal gefrustreerde verwachtingen die aan de basis liggen van een dergelijke radicale omslag: hét voorbeeld daarvan is wel Jacques Doriot, bij wiens partij, de PPF, de meeste collaborateurs zich trouwens aansloten. Cousteau vertelt hoe hij in de journalistiek terecht kwam, eerst bij ‘normale’ bladen, en na een tijd ook bij Je suis partout. Waar hij zich o.a. bezighield met de Angelsaksische wereld, de USA voorop, die hij beter kende dan de rest van de groep. Hij sprak trouwens Engels, wat ook in die tijd al een grote uitzondering was onder Fransen.

Natuurlijk dringt zich onmiddellijk een vergelijking op met Rebatet en Brasillach, die eveneens hun vooroorlogse tijd in memoires beschreven. Het bekendst is wellicht Brasillach en zijn Notre avant-guerre, van de drie het beste en, hoe onwaarschijnlijk het ook moge klinken, het meest objectieve; alsof hij afscheid nam bijna, voorvoelde welk lot hem te wachten stond. Niet dat hij ook maar enige afstand nam van zijn fascisme, verre van. Brasillach was een goed ‘mémorialiste’ (én een schitterend criticus) eerder dan een goede romanschrijver.

Hetzelfde moet trouwens gezegd worden over Lucien Rebatet, waarover ik het hier al had.

Als schrijver is Cousteau in dit drietal dus inderdaad toch wel wat de mindere van zijn kompanen, en hij besefte dat ook zelf heel duidelijk, vandaar dat hij zich nooit gewaagd heeft aan echte literatuur. Maar zijn pen was blijkbaar niet minder scherp dan die van de twee anderen, zeker Brasillach, voor wie hij niet moest onderdoen wat betreft ironie en sarcasme. En net zoals de beide anderen heeft hij ook zijn antisemitisme nooit afgezworen: zijn eerste boekpublicatie, verschenen tijdens de oorlog, was L’Amérique juive, en die titel bleef vermeld staan op al zijn boeken van na de oorlog. Zelfs Rebatet deed dat niet (of was het zijn uitgever die dat niet wou?).

Het tweede, veel kortere deel bevat een stuk dagboek uit Fresnes (ook van Brasillach verscheen een Ecrit à Fresnes), de grote gevangenis in Parijs, waar in 1944 een groot deel van de collaborateurs werden opgesloten. De toon daarvan is heel anders dan die van het eerste deel, én heel anders dan wat Rebatet en Brasillach over hun verblijf aldaar geschreven hebben: bitter, vol rancune, wanhopig zelfs: het woord ‘désespoir’ valt meermaals.

Maar wat mij vooral is opgevallen in dit stukje dagboek, is de scherpte waarmee Cousteau zijn eigen fascisme analyseert, de meedogenloosheid waarmee hij in de afgrond van zijn eigen ziel durft kijken om daar…Niets te zien. En tot de conclusie te komen – hij gebruikt het woord zelf – dat zijn fascisme een ‘geloof’ was:

“Ai-je cru au fascisme? Pas complètement, bien sûr. Je suis bien trop sceptique, bien trop rompu depuis l’adolescence à la pratique du scepticisme, pour avoir jamais accepté cette foi – comme toutes les autres fois – sans examen et pour n’avoir pas souri de la démesure même de l’entreprise, et pour n’en avoir pas raillé, au fond du coeur, le formalisme carnavalesque. Mais c’était une promesse, c’était une possibilité d’espérance là où il ne restait plus d’espérance du tout, là où l’homme s’abîmait sans recour dans l’animalité ruminantes des bovidés. Ce n’est pas le fascisme dont l’anéantissement creuse un goufre que nul ne peut plus combler. Ce sont les espérances du fascisme, ces espérances légères et viriles, trompeuses comme toutes les espérances, mais si réelles, si solides tant qu’elles n’étaient encore que des espérances et que l’épreuve des réalisations ne les avaient pas oblitérées de son impitoyable souillure. Et puis, il fallait bien croire à quelque chose, ou feindre de croire, ou se persuader que l’on croyait. ” (pp. 168-169, ik cursiveer).

Hier wordt niet enkel de mislukking van een leven gedetecteerd, van een overwonnene (Dialogues de vaincus heette het veel later gepubliceerde boek dat hij samen met Rebatet in de gevangenis schreef), maar wordt de oorzaak zelf vastgesteld: het fascisme was niet veel meer dan een poging om de leegte, de afgrond in het eigen gemoed toe te dekken, te verbergen. En dat is inderdaad de rol van elk geloof, of dat nu van politieke of van religieuze aard is. En dat onafhankelijk van de inhoud zelf van dat geloof. Ik heb, dacht ik, hier al wel eens gewezen op het schitterende proefschrift van Jean-Pierre Sironneau (Sécularisation et religions politiques) waarin volgens mij deze juiste stelling grondig en vanuit alle mogelijke hoeken belicht en geanalyseerd wordt.

Vreemd is wel dat Cousteau eigenlijk Sartre toepast: oog in oog met La mort dans l’âme, met het Niets in jezelf dus, moet je, aldus Sartre een keuze maken. Dat heeft Cousteau gedaan, en hij is ook bij die keuze gebleven. Een verkeerde keuze, zou Sartre wellicht zeggen, en zichzelf zodoende tegenspreken. Want welke uiteindelijke en definitieve maatstaf kun je gebruiken om te bepalen of een keuze juist of fout is? geen enkele toch? Elke maatstaf kan weerlegd worden, zo al niet in theorie, dan minstens in de praxis, door de ander dood te slaan. Wat dagelijks gebeurt.

Gewoon leren leven met dat Niets, de afgrond in ogenschouw nemen en als de koorddanser van Nietzsche het koord beklimmen om aan de andere kant te geraken, de andere kant oftewel dat tweede eeuwige Niets. Zonder ooit in wat dan ook nog te geloven. Ik weet, het is niet gemakkelijk, en je moet er wellicht een bepaalde leeftijd voor hebben. Maar ik denk wel dat het kan, uiteindelijk.

 

Bron foto Pierre-Antoine Cousteau – Gebruiksvoorwaarden© LAPI / Roger-Viollet – Gebruiksvoorwaarden

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


4 × vier =