20.06.16 – Hannah Arendt

| Geen reacties

Hannah Arendt zal bij de meesten (mijzelf incluis overigens) vooral zoniet enkel bekend zijn als politicologe en filosofe, leerlinge van o.a. Jaspers, en Heidegger, waarmee ze kortstondig een verhouding gehad zou hebben.

Naast haar vele filosofische werken (boek of artikel) zal ze wel vooral bekend blijven door haar stellingen over de ‘banaliteit van het kwaad’ die ze formuleerde n.a.v. het Eichmann-proces in Jeruzalem. Tot op de dag van vandaag blijven die stellingen voor controverse zorgen, getuige een aantal bijdragen erover in een recent nummer van De groene Amsterdammer. Het komt erop neer dat velen haar stelling over het banale bureaucratenkarakter van Eichmann c.s. niet kunnen aanvaarden. Mijzelf lijkt die stelling van Arendt volkomen juist. Maar ik heb dan ook mijn leven lang als ambtenaar (bureaucraat dus) gewerkt, weliswaar als een kleintje, van een lage rang. Maar ik ben ervan overtuigd dat het gros van de ambtenaren gewoon zou meedoen als opnieuw nazi’s of iets dergelijks aan de macht zouden komen; sommigen misschien met wat gewetenswroeging, maar de meerderheid zeker niet. Tenslotte zijn zij enkel de uitvoerende macht, nietwaar, en dragen dus geen verantwoordelijkheid voor politieke beslissingen.

Wat ikzelf in zo’n geval zou gedaan hebben, weet ik overigens niet, en ik stel mij de mogelijkheid ook liever niet voor. ’t Is zo al erg genoeg.

arendt-1Maar Hannah Arendt schreef blijkbaar ook gedichten, niet veel weliswaar, maar toch genoeg om een klein boekje te vullen: Hannah Arendt: Ich selbst, auch ich tanze; die Gedichte (Piper Verlag, München, 2015).

Het boek bevat twee reeksen gedichten, een eerste uit de periode 1923-1926, ze was toen nog piepjong, want geboren in 1906; en een tweede reeks uit 1942-1961. Daar tussenin niets. Dat waren natuurlijk de studiejaren, de promotie, de vlucht, de verbanning en het zich hervestigen in de VS. Maar toch kan het er bij mij niet in dat zij in die lange periode géén gedichten geschreven zou hebben. De uitgevers gaan er niet op in.

Hoe dat ook zij, de eerste reeks – de kortste – bevat gedichten van een erg talentrijk jong meisje; maar grote indruk maken ze niet; meer dan een belofte bevatten ze niet. En die belofte is uiteindelijk anders uitgekomen dan wellicht gedacht – en waarschijnlijk onder invloed van enerzijds de maatschappelijke gebeurtenissen, anderzijds de studies. Het zou ook best kunnen dat de jonge Arendt beïnvloed werd door het nog steeds zeer leesbare boek van Ricarda Huch over Die Romantik. Dat verscheen voor het eerst in 1908 en werd onmiddellijk wat men vandaag een ‘bestseller’ zou noemen. Beste mogelijk dus dat de jonge Hannah het gelezen heeft, ja, voor de hand liggend eigenlijk.

Veel meer dan die van de tweede reeks dragen de jeugdgedichten titels, die op zich reeds naar een min of meer romantisch programma verwijzen: “Im Volksliedton”, “Traum”, “Müdigkeit”, “Klage”, “Spätsommer” enz. Formeel voel je echter nog de aarzelingen; de dichteres is nog onzeker, weet haar juiste toon nog niet te vinden.

De gedichten van de tweede reeks, die dus uit de pen van de volwassen Hannah Arendt vloeiden, bewijzen dat zij die toon nooit gevonden heeft, dat poëzie voor haar een bijkomstigheid was, een vorm van verstrooiing wellicht, of een ogenblik van rust tussen de politieke en filosofische hoofdwerken door. Dat gebeurt wel vaker. Zo bestaat er een leesbaar boek met gedichten van mensen als Faulkner, Chandler, Dürrenmatt, Highsmith en vele anderen die, zacht gezegd, niet bepaald bekend staan als dichters: Heimliche Gedichte, zo heet dat door Daniel Keel en Daniel Kampa samengestelde boek (Diogenes Verlag, Zürich, 2007). Hannah Arendt komt er niet in voor, maar ze zou er wel perfect in passen.

Het zou ook best kunnen dat de aanleiding voor een hernieuwd oppakken van de lyriek te maken heeft met de verbanning, op het laatst naar New York: sommige gedichten zijn daar letterlijk gesitueerd; en elders wordt duidelijk naar het talige aspect van die verbanning verwezen:

“Dies ist die Ankunft.
Brot heisst Brot nicht mehr
und Wein  in fremder Sprache ändert das Gespräch.” (p. 43)

Formeel gezien komen er nogal wat clichés voor; maar de vraag is of zij niet beter kon of dat het haar niet echt interesseerde: “Ach, wen geht es an” (p.48) reflekteert ze over haar eigen bezigheid, en dit korte gedicht is typisch voor de soms optredende clichématigheid:

“Nur wem der Sturz im Flug sich fängt,
gehen die Gründe auf.
Ihm steigen sie herrlich ans Licht.

Die Erde, wem der Flug misslingt,
öffnet die Abgründe weit.
Ihn nimmt sie zurück in den Schoss.” (p. 54)

In enkele gedichten is, via de initialen in de titel, Hermann Broch terug te vinden, in andere, maar zonder rechtstreekse verwijzing, Heidegger, zo bv. in dit nuchtere gedicht zonder titel:

“Ich seh Dich nur
wie Du am Schreibtisch standest.
Ein Licht viel voll auf Dein Gesicht.
Das Band der Blicke war so fest gespannt,
als sollt es tragen Dein und mein Gewicht.

Das Band zerriss,
und zwischen uns erstand
ich weiss nicht welches seltsames Geschick,
das man nicht sehen kann, und das im Blick
nicht spricht noch schweigt. Es fand
und sucht ein lauschen wohl
die Stimme im Gedicht. ” (p. 80)

‘Nuchter’, zei ik zo-even, en dat is het natuurlijk wel: er wordt een fundamentele breuk vastgesteld, waarover men niet spreken kan noch zwijgen (met een reminiscentie aan Husserl natuurlijk, maar ook mogelijk aan Wittgenstein), maar die zich misschien wel toont (weer Wittgenstein) in het gedicht. Dat is een aspect van de in deze poëzie aanwezig interne poëtica; een tweede, en explicieter aspect is de weigering om de poëzie als een schuilplaats te beschouwen, een plek waar je je (zij het als dichter zij het als mens) terug kunt trekken: “Gedichtetes Wort/ist Stätte, nicht Hort”, zo heet het, met variaties tot drie keer toe in deze gedichten (pp. 61, 77, 149). Het spreekt vandaar vanzelf dat in deze gedichten een poeta doctus aan het woord is, en geen poeta vates.

Dat maakt haar gedichten overigens noch beter noch slechter. Het blijven gewoon gedichten van iemand die geen, of alleszins niet op de eerste plaats, dichter was, maar die af en toe eens naar een andere pen greep om haar gedachten meer dan haar emoties op een andere manier te verwoorden.

Het boek bevat een uitleiding van Irmela von der Lühe, en aantekeningen per gedicht; die laatste helpen soms inderdaad om een bepaald gedicht beter te plaatsen en/of te begrijpen.

Hannah Arendt was een van de interessantste persoonlijkheden van de twintigste eeuw; deze kleine poëtische vingeroefeningen voegen niet echt iets grondigs of nieuws toe aan wat we van haar al wisten; maar ze bevestigen wel dat zij enerzijds een zeer gevoelig persoon was, met een sterk Fingerspitzengefühl en anderzijds een sterk rationeel gerichte, analyserende persoonlijkheid, die in de synthetische vorm die de poëzie is, niet echt thuis was.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien + 20 =