25.06.16 – Nogmaals de Duitse vrijmetselarij en het nationaal-socialisme

| Geen reacties

Enkele maanden geleden heb ik mijn klassieke ‘bouwstuk’ over de Duitse vrijmetselarij en het nationaal-socialisme nog eens gehouden. De tekst daarvan is op deze website te vinden. De voordracht was volledig geïnspireerd door het proefschrift van Helmut Neuberger over dat onderwerp. Dat verscheen in de jaren tachtig bij de maçonnieke uitgeverij Bauhüttenverlag in Bonn, en later verscheen nog een tweede druk bij een andere uitgever en onder een andere titel. Die tweede druk bracht niets nieuws.

Dat gold trouwens evenzeer voor andere boeken over het onderwerp die daarna verschenen, en dan denk ik op de eerste plaats aan het proefschrift van Ralf Melzer. Dat stelde de zaken weliswaar iets scherper, doordat hij kennis kon nemen en gebruik maken van de archiefmaterialen die waren vrijgekomen na het einde van de Sovjet-Unie en de DDR. Maar wezenlijk nieuwe zaken bracht hij niet: het beeld bleef zelfs tot in de details grotendeels wat het sinds Neuberger al was.

Wat dat globale beeld betreft, bracht ook de recentste boekpublicatie niets nieuws. Didier Le Masson (of dat een pseudoniem is of niet, weet ik niet) voegde wel enkele hoofdstukken bij over het verbod van de vrijmetselarij in bezet Europa, en uitgebreider over de toestand in Frankrijk; daar spreekt hij veelzeggend van een ‘règlement de compte franco-français’. Commentaar verder overbodig.

Na zo’n bouwstuk is het de gewoonte dat er ook vragen worden gesteld. Eén vraag handelde over het dragen van een afbeelding van een vergeet-mij-nietje als herkenningstekens door vrijmetselaren, tijdens het nazi-bewind. Ik kende dat teken wel, maar wist er helemaal het fijne niet van, en kon dus ook amper een adequaat antwoord geven. In zo’n geval praat je maar wat rond de pot natuurlijk.

Maar onbevredigd én nieuwsgierig word ik daar wel van en dus ben ik op zoek geweest naar publicaties daarover op de eerste plaats, maar ook naar mogelijke nieuwe Duitse publicaties over dat probleem. Heel veel waren er niet, maar twee kleine boekjes hebben toch mijn aandacht gaande gehouden, beide verschenen bij een nieuwe maçonnieke uitgeverij, Salier Verlag. Daarin vond ik ook een antwoord op de vraag over het vergeet-mij-nietje.

IdentitätMet name in Identität und Gedächtnis; die ‘völkische Freimaurerei’ in Deutschland und wie man sich nach 1945 an sie erinnerte van Hans-Hermann Höhmann (Salier Verlag, Leipzig, 2014). Van 1999 tot en met 2007 was Höhmann de baas van de Duitse onderzoeksloge Quator Coronati in Bayreuth; een man dus die alleszins weet waar hij het over heeft. (Tussen haakjes: wel vreemd dat bij diezelfde loge niemand mij ergens naartoe kon doorverwijzen toen ik een vraag stelde over dat herkenningsteken). In het profane leven is (of was) hij hoogleraar sociologie.

Wat dat zgn. verzetskenteken betreft, verwijs ik naar de volgende link, waarin broeder Alain Bernheim zijn eigen zoektocht ernaar en zijn bevindingen goed weergeeft: http://www.freemasons-freemasonry.com/bernheim3.html

Het boekje van amper een 120 bladzijden telt twee delen: het eerste is een zeer synthetisch overzicht van alles wat bij de genoemde auteurs (en dus ook in mijn ‘bouwstuk’) aan bod kwam betreffende de manier waarop de Duitse vrijmetselaren zich tegen de nazi’s aanschurkten en quasi letterlijk hun hele ideologie overnamen en interioriseerden en toepasten (voor zover dat al niet veel eerder gebeurd was natuurlijk). Wat dat aspect betreft geeft het boekje ook niets nieuws.

Dat geldt niet voor het tweede deel, dat handelt over de ‘Vergangenheitsbewältigung’.

Niks geen ‘Vergangenheitsbewältigung’ dus, maar wel totale verdringing en zelfs hele en halve onwaarden. Zo dat vergeet-mij-nietje. Het verhaal daarover moet natuurlijk een schijn ven verzet tegen het regime opwekken. Verzet dat er nooit geweest is (behalve wellicht in enkele uitzonderlijke individuele gevallen). De strekking van het boekje wordt door de auteur wat dit betreft zelf als volgt samengevat:

“…behandele ich den mangelhaften, ja bis heute skandalös verdrängenden Umgang mit der völkischen Vergangenheit grosser Teile der deutschen Freimaurerei und mit der ebenso beträchtlichen wie schwer zu begreifenden Rolle, die ehemalige Nationalsozialisten in den Jahren und Jahrzehnten nacht dem zweiten Weltkrieg beim Wiederaufbau des Bundes in Deutschland gespielt haben.” (p. 17)

Zo hoor je dat ook eens van een ander! En nee, Höhmann is geen communist.

Als hij het over dat vergeet-mij-nietje heeft wordt hij zelfs licht sarcastische (pp. 85-86). Meer dan een mythe was dat dus niet, een mythe die wonderwel paste in een van de drie manieren waarop na 1945 de Duitse vrijmetselarij probeerde alles te verloochenen en schoon te wassen wat ze had uitgevreten. Op de eerste plaats maakte ze van haar aanpassingspogingen en niet te vermijden vervolging een vorm van weerstand. Je moet maar durven. Op de tweede plaats werden al die extreem verregaande aanpassingspogingen na de oorlog tot een vorm van camouflage omgelogen. En ten derde verwees men systematisch naar andere periodes en personen uit de Duitse vrijmetselarij, die zich niet geëncanailleerd hadden met de nazi’s.

Het ergste daarbij was de houding die ze na de oorlog innam ten opzichte van de broeders Müffelmann, von Ossietzky en Tucholsky. Voordat de nazi’s aan het bewind kwamen, werden ze alle drie beschouwd als, bespot en uitgescholden voor landverraders, heulers met de vijand enzoverder; en voor alle zgn. ‘reguliere’ obediënties in Duitsland waren ze geen vrijmetselaren, want ze behoorden tot niet erkende obediënties. En na de oorlog dus maar hoog met hen oplopen. Van hypocrisie gesproken.

Voor wie tussen de regels kan lezen valt op dat Höhmann eigenlijk het principe zelf van de ‘regulariteit’ zoals dat door het maçonnieke vatikaan in Londen wordt voorgeschreven, in vraag stelt, weliswaar op een lichte wijze maar toch. Het wijst erop dat ook daar afstand genomen wordt van de Engelse heerszucht, betweterij en inmenging in andermans aangelegenheden. En dat kun je alleen maar toejuichen natuurlijk.

Ook het feit dat hij met naam en toenaam personen noemt die niet enkel uit de NSDAP maar zelfs uit de SS afkomstig waren en in de naoorlogse Duitse vrijmetselarij toch belangrijke functies konden opnemen, is veelzeggend. Wat Höhmann niet zegt, maar wat je wel raden kunt: ook hier zullen de Engelsen en misschien vooral de Amerikanen een beschermende rol gespeeld hebben. Tot wat dat kon leiden bewees Italië: Propaganda Due was ook elders in Europa, in de frontlijnstaat Duitsland voorop, mogelijk.

Maar ere wie ere toekomt: er is ook één grote uitzondering. De oudste en wellicht invloedrijkste grootmacht, “Grosse National-Mutterloge Zu den drei Weltkugeln” gaf als enige grootmacht wel een boek daarover uit, waarin helemaal niets verzwegen werd en ook de ergste documenten onverhuld werden afgedrukt. Het was een boek in drie kanjers van delen met de eenvoudige titel Versuch einer Standortbestimmung.

Voor iedereen die zich met deze problematiek bezig houdt kan ik enkel maar aanraden het boekje van Höhmann te lezen. Het kan zeker bij vrijmetselaren helpen de zaken iets nuchterder te bekijken, de eigen geloofspunten iets meer te relativeren en te beseffen dat er een afgronddiepe kloof kan liggen (en meestal ook ligt, denk ik) tussen papieren idealen en de werkelijkheid. Nergens vind je zo veel gelovigen, gelijkhebbers, fanatici en fundamentalisten als onder de vrijmetselaren (en meer in de zgn. irreguliere loges dan in de reguliere). Mensen als Höhmann vormen een uitzondering, jammer genoeg. En zeker niet alleen in Duitsland.

°°°

GrunwaldEen tweede boekje is van Arnold Grunwald: Freimeurer auf dem Weg zum Nationalsozialismus; eine quellenkritische Untersuchung zu August Horneffer als Schriftleiter (Salier Verlag, Leipzig, 2014).

Even instructief, even ophelderend, en even vlot geschreven als het vorige boekje.

Horneffer (ook bij Höhmann genoemd trouwens) was jarenlang de grootsecretaris van de Grosse Loge von Preussen, genannt zur Freundschaft, de meest liberale (wat dat lege woord hier ook moge betekenen) maar evenzeer door het nazisme door en door besmette grootmacht van voor de oorlog – en die nooit, op geen enkele manier nadien blijk heeft gegeven van enig besef van schuld. Nee, uit hun publicaties – voor zover ik daar vroeger kennis van heb genomen – kwamen ze naar voren als slachtoffers en niets anders.

Van de derde grote zgn. oudpruisische obediëntie – de Grosse Landesloge – was overigens de Duitse minister van economie, rijksbankpresident en nog wel wat lid: Hjalmar Schacht. De enige ook die in Nürnberg werd vrijgesproken, ook al was hij even schuldig als alle anderen. Rara, hoe komt dat toch! Die obediëntie was van allemaal wellicht de ergste. Over hen bestaat bij mijn weten niets, noch van derden noch van henzelf. Ook zij beschouwden zichzelf als onschuldig.

Naast een inleiding bestaat het boekje grotendeels uit teksten van Horneffer zelf, die deze publiceerde in Am rauhen Stein, het ledenblad van zijn obediëntie. De gedekte periode loopt van grosso modo 1923 tot en met 1933 en iets verder nog (dan vooral correspondentie met de nieuwe machthebbers). Eén citaat slechts waarin hij zijn eigen standpunt samenvat:

“Den Lesern unserer Monatsschrift brauche ich nicht in Erinnerung zu rufen, wie hier das Verständnis der grossen nationalsozialistischen Volksbewegung Schritt für Schritt der Boden geebnet worden ist.” (p. 69 – tekst uit 1933)

En enkele uittreksels uit officiële briefwisselingen:

“Die Grosse Loge von Preussen tritt in Bezug auf die Judenfrage dem Standpunkt der NSDAP bei.” (p. 71)

“…dass das uralte arische Zeichen der siegenden Frühlingssonne,

                                         das Hakenkreuz

künftig Lichtsymbol unseres Deutsch-christlichen Ordens Zur Freundschaft ist.” (p. 73)

Na de oorlog werd Horneffer grootmeester van zijn obediëntie én erelid van vele werkplaatsen. Van alles wat er tussen 1933 en 1945 in Duitsland gebeurd is, heeft hij vanzelfsprekend, uiteraard géén weet gehad.

°°°

Höhmann citeert in zijn boekje een heus gedicht van een broeder-vrijmetselaar, dat ik hier afdruk naar de volledige uitgave ervan in Melzers genoemde boek:

gedicht-2

Klikken voor vergroting

Dat christelijke gehalte is afwezig in het volgende gedicht, maar het vadergehalte is daarentegen ook daarin aanwezig. Het gedicht is van de hand van Heinrich Anacker, uit diens bundel Die Trommel, SA-Gedichte (p. 12); Anacker was de officiële nazi-bard, die alle exploten van de nazi’s (op de judeocide na vreemd genoeg) begeleidde met dichtbundels en losse gedichten; en als je van éen iemand wel kon zeggen dat hij een nazidichter was, dan van deze Anacker. Of hij ooit vrijmetselaar geweest is, weet ik niet, maar verwonderen zou het mij vanzelfsprekend geenszins. Maar de maçonnieke symboliek kan natuurlijk evengoed door niet-vrijmetselaars gebruikt worden:

Scan

Klikken voor vergroting

Ziet iemand enig fundamenteel verschil? Ik niet.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


een × vijf =