10.03.16 – Psychogenocide

| Geen reacties

In 2008, dat is dus amper acht jaar geleden, publiceerde Gie van den Berghe een boek, De mens voorbij, waarin voor het eerst in het Nederlands de historische context geschetst werd waarin de judeocide van de nazi’s pas mogelijk werd, met name het sociaal-darwinisme en de eugenetica, die al heel wat vroeger dan 1933 overal in het westen ‘salonfähig’ waren. Het is dat door en door biologisch racistisch gedachtegoed, dat mede aan de basis lag van die politiek van de nazi’s. Zonder het met zoveel woorden te (durven) zeggen beroept iemand als Bart De Wever via zijn goeroe Dalrymple zich opnieuw op dat soort gedachtegoed.

psychogenocideIn het boek van Erik Thys: Psychogenocide; psychiatrie, kunst en massamoord onder de nazi’s (Uitgeverij EPO, Antwerpen, 2015) wordt dat boek van Van den Berghe nergens genoemd, en ook in de bibliografie komt het niet voor. Wel wordt daarin een artikel van Van den Berghe genoemd, dat een jaar later verscheen. Nochtans beschrijft het boek van Van den Berghe de onmisbare cultuurhistorische achtergrond voor het onderwerp van Thys; je kunt dit laatste boek niet echt plaatsen en begrijpen wanneer je niet eerst het boek van Van den Berghe gelezen hebt.

Waarom vermeldt Thys hem dan niet?

Ik kan niet in de ziel van professoren kijken, al dan niet emeritus. Maar veel redenen zijn er niet te vinden. Er is op de eerste plaats de jalouzie (al dan niet de métier), de haat en de nijd, die onder professoren vaak nog heviger woeden dan onder andere stervelingen, en zeker in tijden van krimpende budgetten voor onderzoek. Of zou het kunnen dat Thys gewoon toegeeft aan de druk van de nazionistische (Van den Berghe zelf noemt het ‘joodse lobby’, maar dat klopt m.i. niet) lobby, waarvan Van den Berghe al ettelijke decennia een slachtoffer is? Dat zou ik meer dan erg, zelfs gewoonweg walgelijk vinden.

Maar het belet me niet om het boek van Thys toch aan te bevelen en goed te vinden. Het gaat over de massamoord door de nazi’s op wat toen wel ‘lebensunwertes Leben’ genoemd werd, met name mensen met een al dan niet uitgesproken en gediagnostiseerde psychische stoornis, voornamelijk schizofrenen – of mensen die dat label opgeplakt kregen. Als Van den Berghe dus op een eerder algemeen-historische wijze over deze problematiek schreef, dan focust Thys op één specifiek geval van de toepassing van sociaal-darwinistische en eugenetische principes, een geval dat inderdaad veel bekender zou moeten zijn, en waar slechts de laatste jaren meer aandacht aan geschonken werd. Het is tekenend in dat verband dat Duitse artsenverenigingen slechts enkele jaren geleden tot publieke verontschuldigingen wilden overgaan.

Want als Thys iets in de verf zet, dan is het wel de rol die artsen en met name psychiaters speelden bij die massamoordpartijen op lichamelijk en geestelijk gehandicapte personen. Summier behandelt hij ook enkele van de hoofdrolspelers daarin, en wat we daar lezen is waarschijnlijk wel bekend bij eenieder die zich heeft beziggehouden met de geschiedenis van het nazisme en de nasleep ervan in de BRD, maar zeker niet bij het grote publiek: het overgrote merendeel van de schuldigen kwam ervan af met een zeer lichte straf – als ze al een straf kregen. Hier en daar hield er eentje de oneer aan zichzelf en maakte zich van kant, en slechts één enkele werd opgehangen na het zgn. ‘artsenproces’, een bij-proces in Nürnberg.

Daar staan dan ook enkele gevallen tegenover van slachtoffers, even summier en al even veelzeggend; de jongen die op het omslag voorkomt is zo’n geval: eerder een straatboefje, of gewoon maar een kwajongen dan iets anders, en op geen enkele manier gehandicapt (maar wel als zodanig van een label voorzien), en met een injectie vermoord op veertienjarige leeftijd. Over hem, Ernst Lossa, is zelfs voor enkele jaren een heuse biografie verschenen.

Het is zeker dat Duitsland het verst ging in het toepassen van sociaal-darwinistische eugenetische principes, maar daarbij vallen twee zaken sterk op, en de auteur legt er terecht de nadruk op. Op de eerste plaats was de ‘volksgezondheid’, begrepen als het zuiver houden van het ras, vaak niet meer dan een ideologische sluier, en ging het in feite vooral om productiviteit; degenen die nog in de productie ingeschakeld konden worden, die dus nog een zeker ‘maatschappelijk nut’ hadden, werden niet of niet onmiddellijk vermoord, maar eerst ingeschakeld in het arbeidsproces. Iets dergelijks gebeurde een klein beetje later ook in Auschwitz.

En discussies op de dag van vandaag over zgn. ‘eigen verantwoordelijkheid’ voor de gezondheid (rokers en drinkers die zelf maar moeten instaan voor de kosten van hun gedrag), moeten geplaatst worden in dezelfde manier van denken, in dezelfde sociaal-economische traditie; alles wordt gereduceerd tot een kwestie van centen, van nut, van economie. Dat is de hedendaagse vertaling van de sociaal-darwinistische en uiteindelijk ook eugenetische principes. Zeker onder het neoliberalisme van een extremistische partij als N-VA. Maar ook daar worden uiteraard ideologische leugensluiers overheen gedrapeerd.

Een tweede opmerking geldt het feit dat Duitsland daarin weliswaar het verst ging, maar dat dit slechts een kwantitatief verschil was met wat elders in de Westerse wereld gebeurde, met name in de VS, maar ook, tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw, in Zweden en Nederland. Met name het steriliseren zonder toelating, en zelfs zonder dat de betrokkenen het zelf wisten.

Ik moet hier even aan Achterberg denken; Carp had het plan om ook hem te steriliseren, en de vraag kan gesteld worden welke invloed dat op zijn creativiteit gehad zou hebben?! Gelukkig is dat niet gebeurd.

Naast een grondig overzicht met casusbeschrijvingen van die moordpartijen, hoe het daartoe kwam, hoe het evolueerde van kwaad naar erger, en wat de gevolgen waren na de oorlog, legt Thys, zoals zijn ondertitel al zegt, ook sterk de nadruk op kunstuitingen, met name schilder- en beeldhouwkunst. Enkele hoofdstukken, vooral aan het begin van het boek, zijn volledig daaraan gewijd.

Maar voor mij zijn het de meest onbevredigende hoofdstukken van het boek. En dat heeft enkel te maken met het feit dat de band tussen geestesziekte en creativiteit, die er ook volgens Thys inderdaad zou zijn, niet geëxpliciteerd wordt; er wordt enkel vastgesteld dat die band er is, en dat een grotere gevoeligheid aan de basis ervan zou liggen. Dat vergt toch wel wat meer uitleg. Waarom wordt dan de éne kunstenaar en de ander geestesziek? En waarom komen beide aspecten samen in bepaalde individuen? Maar misschien behoort dat eerder tot het vakgebied van de neurologie?

Maar waarschijnlijk heeft Thys hier gewoon te veel hooi op zijn vork genomen, zeker wanneer je denkt aan de boekjes van Leo Navratil over die onderwerpen (respectievelijk over schizofrenie en kunst, schizofrenie en taal, schizofrenie en literatuur, en schizofrenie en religie); hij zou wellicht een tweede boek moeten schrijven. Maar op zichzelf zijn de hoofdstukken over enerzijds de tentoonstelling ‘Entartete Kunst’ en anderzijds de Prinzhorn-collectie (tot drie à vier keer toe hebben Diana en ik tijdens het laatste decennium in Heidelberg voor die deur gestaan, en telkens was het dicht godverdomme) zeer leesbaar en passen ze ook wel in het kader van dit boek. Opvallend is dat Thys niet ingaat op literatuur, poëzie van schizofrenen. In Oostenrijk is minstens éen van hen erg bekend geworden, nl. Ernst Herbeck. Het verschil met andere, niet-schizofrene moderne dichters lijkt me groter dan dat bij schilders het geval is. Maar is dat zo, en zo ja hoe komt dat? Ook een neurologisch probleem?

Belangrijk vind ik ook dat hij zich niet blind staart op een of enkele los van elkaar beschouwde feiten, maar dat hij uitgaat van een ideologisch systeem, dat al lang voor de nazi’s bestond (hier had hij naar Van den Berghe moeten verwijzen) en dat ook vandaag, (zij het in gewijzigde vorm) nog steeds bestaat. Hij stelt het zo:

“De nazi-ideologie was veel meer dan een gedateerd antisemitisch nationalisme, vandaag nog alleen beleden door horden hooligans en enkele geïnvetereerde extreemrechtse hoogbejaarden. (…) Het nazisme was geen primitief randfenomeen, maar een eugenetische bio-ideologie met een wetenschappelijke uitstraling die in haar onderkoelde technocratie veel moderner of zelfs actueler is dan vaak gedacht.” (p. 188)

Wat dat betreft passen ook de enkele verwijzingen en waarschuwingen (te weinig misschien en te vaag?) uiteraard in het boek; hoewel enkel Dalrymple met name genoemd wordt als een hedendaagse aanhanger van dat soort sociaal-darwinisme. Er zijn er duidelijk meer, met name ook in de politiek.

Op het einde van zijn boek stelt hij uiteraard de vraag naar het waarom. Hoe komen mensen ertoe? Vanzelfsprekend komen de spraakmakende experimenten van Milgram daarbij ter sprake, maar ook nog andere elementen (zoals de historische context), die toch niet onbelangrijk is, de context ook van de oorlog – nog belangrijker nu we opnieuw op een globale oorlog afstevenen. Maar een echt antwoord krijgen we niet. Dat kan mijns inziens ook niet, omdat het waarschijnlijk met de menselijke natuur te maken heeft. Vandaar ook dat ik een beetje schamper en cynisch moet lachen met de titel van het laatste hoofdstukje, waarin het enkel gaat over de herinneringsmonumenten op de plaatsen waar die psychogenocide plaatsvond: ‘hoop’ heet dat hoofdstukje.

Alsof dat nog mogelijk zou zijn wanneer je de aard van de menselijke soort en zijn geschiedenis in ogenschouw neemt.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


10 + vijf =