03.03.16 – Het lab van de sixties

| Geen reacties

In mijn tijd – wat zijn we toch oud geworden, nietwaar?! – in mijn tijd dus was één van de modes in de literatuurwetenschap de zgn. literatuursociologie. Ja, er waren inderdaad modes in de literatuurwetenschap – wat niet echt verwonderen kan wanneer je ervan uitgaat dat literatuurwetenschap helemaal geen wetenschap is, d.w.z. dat zij niet met bewijzen, en zelfs niet met hypotheses werkt, maar enkel en alleen (een uitzondering maak ik voor mathematische analyses van literaire werken, frequentie van woorden en zo) met argumenten. En die argumenten zijn kwantitatief eindig, ze worden dan ook voortdurend herhaald, zij het met grotere of kleinere variaties. Zo was het in mijn tijd not done om biografische elementen te gebruiken bij het bespreken van literaire werken; ik studeerde af in 1972 en slechts later begonnen biografieën weer in de mode te komen – gelukkig maar overigens. Literatuursociologie was toen alweer in de krochten van de academische geschiedenis verdwenen, waarschijnlijk mede onder de onuitgesproken ideologische invloed van het zgn. neoliberalisme.

Nogmaals in mijn tijd waren er grosso modo twee strekkingen binnen de literatuursociologie. daar was op de eerste plaats de school van Lucien Goldmann, die zich op de uitgesproken en vooral onuitgesproken politieke en sociale inhoud van de teksten zelf concentreerde. Nu zie ik in dat dit geen literatuursociologie was, maar enerzijds een vorm van ideologiekritiek en anderzijds gewoon een politiek gerichte vorm van tekstexegese.

De tweede richting was wel degelijk sociologisch van aard, en onderzocht het boek als product; de belangrijkste namen daarin waren die van Robert Escarpit in Frankrijk en van Hans-Norbert Fügen in Duitsland. Het is bij die school dat een hedendaags onderzoeker als Jérôme Meizoz aansluit. Maar zoals dat steeds het geval is: hij vindt een heel nieuwe terminologie uit, en breidt ook het onderzoeksveld zelf uit: ‘postures littéraires’ noemt hij dat (bij ‘postuur’ moet ik eerder denken aan bepaalde fotografische ensceneringen in bladen als Lui of Playboy die ik toen wel eens las – en bekeek uiteraard), en daarmee bedoelt hij: het onderzoek naar de manier waarop een auteur zichzelf positioneert in het ‘literaire veld’ of hoe hij gepositioneerd wordt door zijn uitgevers, door de critici enz. Niet meer zozeer onderzoek naar het product ‘boek’ dus – dat komt er ook nog wel bij – maar op de eerste plaats naar de auteur; dat was bij Fügen en vooral bij Escarpit al een onderdeel van hun literatuursociologie, maar hier wordt het het belangrijkste onderzoeksveld: ook de auteur zelf is in neoliberale tijden immers een product geworden – en niet veel meer dan dat.

Het duidelijkst wordt dat aan de hand van figuren als Tom Lanoye en Herman Brusselmans, die inderdaad niet veel anders doen dan zich voor de hoogst mogelijke prijs verkopen op de literaire markt. Reve was hen wat dat betreft reeds lang voorgegaan – als enige van zijn generatie.

lab-sixtiesDat is de achtergrond van een op zich goeie reader over deze problematiek: Lars Bernaerts, Dirk De Geest, Hans Vandevoorde & Bart Vervaeck (red.): Het lab van de sixties; positionering en literair experiment in de jaren zestig (Uitgeverij Academia Press, Gent, 2015 = SEL-reeks 8).

In tegenstelling met vorige publicaties van de Academia Press is in dit boek wel degelijk de hand merkbaar van een coördinator die de neuzen in min of meer dezelfde richting heeft gezet, zodat het boek zich inderdaad als een eenheid voordoet aan de lezer, in plaats van een verzameling bij elkaar gegraaide teksten die de medewerkers toevallig nog op hun bureau hadden liggen. Die eenheid komt o.m. en op de eerste plaats tot uiting in de terugkomende verwijzingen naar Meizoz en naar Dominique Maingueneau (naast anderen natuurlijk); daarnaast uit de focus van alle bijdragers op andere zaken dan de literaire teksten zelf (misschien wordt binnenkort tekstanalyse weer uit den boze, wie weet).

Maar dat is natuurlijk al een beetje problematisch. Niemand gaat bv. diep in op het begrip én het probleem ‘literariteit’. De boeken bv. die Mulisch tijdens die jaren zestig publiceerde, behoren die tot de literatuur of niet? Nu Mulisch al een tijd dood is en zijn werk als geheel voorligt, ben ik geneigd ja te antwoorden. maar dan is het onderscheid dat in dit boek gemaakt wordt uiteraard zeer kunstmatig. Hetzelfde geldt voor de interviews van of met Hugo Claus; zij maken gewoon deel uit van het werk, ook al behoren ze tot een andere, een beetje aparte tekstsoort. Maar binnen het kader van dit boek past dat onderscheid natuurlijk, omdat het inderdaad gezien kan worden allemaal als een strategie binnen het literaire veld.

Dat geldt volgens mij minder voor de bijdrage van Geert Buelens, die zich afvraagt hoe het komt dat Fernand Auwera, Heere Heeresma en Anne Dellart als het ware uit de literatuur verdwenen zijn. Hij kan mij niet ervan overtuigen dat zoiets te maken zou hebben met niet strikt literaire redenen – ook al heb ikzelf Auwera steeds een zeer goed schrijver gevonden, en dat geldt niet enkel voor zijn interviewboeken. Dat geldt mijns inziens overigens eveneens voor de meeste andere behandelde auteurs. Nemen we bv. Bierkens/Kazan en Van Maele. Vele van hun gedichten waren toen al doodgewoon onleesbaar met hun oneindige woordstapelingen. Je kunt uiteraard proberen die dichters buiten hun tijd te plaatsen, maar ik vrees dat je hen daarmee geen plaats zult kunnen geven in een komende literatuurgeschiedenis. Het zijn randfenomenen van de literatuur, die inderdaad door allerlei sociologisch te verklaren zaken op een bepaald ogenblik in het licht van de schijnwerpers verschenen. Maar daar al even snel weer uit verdwenen.

Dat geldt evenzeer voor Vinkenoog, van wie twee boeken tegen het licht worden gehouden: het nog steeds leesbare Hoogseizoen en het vanaf het begin totaal onleesbare Liefde. Zij behoren beide tot de individuele tijd van Vinkenoog zelf, maar zeker het tweede meer nog tot de o zo positieve en hemelbestormende tijd van de jaren zestig. Kwalitatief was (en is nog) Liefde een doodgewone prul. Misschien ware het veel beter geweest in plaats van Vinkenoog bv. Herman J. Claeys te kiezen en zijn romans Het Geluid en Steen; daar heb je de omgekeerde evolutie van Vinkenoog, en dat is dus veel meer in overeenstemming met de werkelijkheid.

Wat Cees Nooteboom en Julien Weverbergh met elkaar te maken hebben, blijft me ook na het lezen van de aan hen gewijde bijdrage een raadsel. Nooteboom heeft weliswaar inderdaad zijn hele leven mede als journalist gewerkt, maar een boek als Een middag in Bruay is volgens mij op geen enkele manier representatief – noch voor het werk van Nooteboom noch voor de jaren zestig. Het dossier Jan van weverbergh (zoals hij toen nog heette) daarentegen zeer zeker wel. Het interessants daarbij is echter de vaststelling dat sindsdien niets, maar dan ook helemaal niets veranderd is, ja, dat de verloedering zich zelfs heeft uitgebreid naar de universiteiten. En waarom heeft de auteur hier niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om weverbergh – zij het dan ook veel te laat – eens op zijn nummer te zetten wat betreft het interview met Jan zelf: de intimidatie druipt er immers van af, en het ‘interview’ bestaat grotendeels uit name dropping vanwege de interviewer. Kun je een leraar verwijten dat hij al die namen niet kent?

In het midden van het boek is een ‘portfolio’ opgenomen met de tekst van een volledige franstalige vroege bundel van Freddy De Vree, Le sang de nos pères. Er wordt daarbij gedaan alsof het om een choquerende tekst zou gaan, wat helemaal het geval niet is. Misschien toen wel, maar bij de zeven exemplaren zal dat wel niemand opgevallen zijn. Véél en véél choquerender was de bundel die De Vree onder de schuilnaam Marie-Claire De Jonghe uitgaf onder de titel Jaja. Ik vind zelfs dat die opnieuw uitgegeven zou moeten worden en gratis toegestuurd aan alle leden van het nationalistische politicaille. Lezen ze ook eens iets van waarde. Overigens, De Vree zou ook een beter onderwerp geweest zijn dan Kazan; hij was vanaf het begin ook experimenteel, zij het op een andere manier, en hij had een heel eigen manier om zichzelf in de markt te zetten (minder opvallend, dat wel).

Maar kom, je kunt zo’n reader niet overladen, en kiezen staat vrij. En de bijdragen op zich zijn degelijk, en vlot leesbaar, en leerrijk, ook voor studenten. En niets belet de redactie van die reeks om nog een tweede bundel bijdragen rond dit thema samen te stellen. Stof is er alleszins genoeg.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zestien − zes =