De duivel in de loge bis

| Geen reacties

In het vorige stukje met dezelfde titel had ik al gezegd dat er een tweede, oudere Nederlandse vertaling bestond van Carducci’s Inne a Satana, een vertaling waar Diana en ik gelukkig geen enkele weet van hadden, zodat we er ook niet door beïnvloed konden worden, en ook niet verleid konden worden om persé beter te doen.

Die vroegere vertaling komt voor in: Jac. P. van Term: Het ontstaan, streven en einddoel der vrijmetselarij, met 333 citaten en 6 facsimiles (Uitgeversbedrijf N.V. Paul Brand’s, Hilversum, 1928, pp. 313-320).

van-termDie van Term was in de eerste helft van de vorige eeuw een tamelijk bekende journalist van het Limburgse (Maastrichtse) dagblad Limburger Koerier; dat dagblad bestond tot 1945, en bij die einddatum hoef ik wel geen uitleg te geven. Maar of die van Term zelf ook ‘fout’ was, weet ik niet. Een linkse rakker is hij in elk geval niet geweest, zelfs van enige progressiviteit is waarschijnlijk geen sprake.

Behalve als journalist is hij immers vooral bekend geworden door een drietal anti-maçonnieke werken, waarvan het bovenvermelde er één is. Daarin staat ook de vertaling van Carducci’s gedicht, dat door van Term overigens op een eerder positieve wijze ingeleid wordt; hij zegt er nl. het volgende over:

“Deze tekst (vier afzonderlijke strofen – PB) komt overeen met de strofen 47 (deels), 48, 49 (deels) en 50 van het in ons bezit zijnde afschrift van Carducci’s Satanshymne.

Daar genoemd gedicht een literarisch monument voor de Italiaansche Vrijmetselarij is, en er herhaaldelijk uit geciteerd en op gezinspeeld wordt, geven we ’t hier in zijn geheel, à titre documentaire, weder. Het werd door Br.°. Carducci op 27jarigen leeftijd geschreven en behoort technisch, tot de knapste verzen der jongere Italiaansche letterkunde.” (p.313)

Er wordt wel nergens gezegd wie voor die vertaling gezorgd heeft; daarom ga ik er van uit dat van Term zelf ze gemaakt heeft; ik geef ze hier volledig weer (vermoedelijk is ze al in het publiek domein), zodat gebeurlijke lezers zelf kunnen uitmaken wie de beste vertaling gemaakt heeft. Waarbij uiteraard wel rekening gehouden moet worden met het feit dat het Nederlands sinds de jaren twintig van de vorige eeuw toch wel heel wat wijzigingen heeft ondergaan, zelfs wat het poëtisch taalgebruik betreft.

Het zal opvallen dat noch van Term noch wijzelf rijmen; in het gedicht van Carducci zie ik overigens ook geen vast rijmschema, maar de romaanse talen, en met name het Italiaans, rijmen veel gemakkelijker dan de germaanse talen. In het Italiaans hou ik het zelfs voor mogelijk dat twee huisvrouwen die op een markt de kwaliteit van de tomaten of de vis bespreken, zonder het te weten rijmen in hun gesprekken. Maar Diana en ik, geen poëzievertalers zijnde, hebben ook het ritme niet overgenomen, en dat heeft van Term grotendeels wel gedaan. De onze zijn dus echt vrij-ritmische verzen geworden. Dat is niet zozeer gemakzucht, maar eerder een bewuste keuze, omdat de inhoud hier duidelijk veel belangrijker is dan de vorm.

 

“LOFZANG OP SATAN

Tot u, des Wezens
Maatloos beginsel,
Geest en materie saam,
Zinnen en rede;

Als in de bekers de
Vuur’ge wijn tintelt,
Zooals de ziel straalt
Uit ’s menschen oogopslag,

Wanneer de zonne en
De aarde lieflachen,
Woorden van minne met
Elkander wisslen,

En er een siddring van
Heimlijke paring
Vaart langs de bergen;
Vlakten bevruchtend;

O, tot u steigren
Stout dan mijn verzen!
U eer ik, Satan,
Koning van ’t feestmaal.

Weg met uw wijwater
En uw gezangen,
Priester! Neen, Satan,
Deinst niet terugge!

Zie, hoe de roest reeds
’t Mystische slagzwaard
Wegvreet van Michaël,
En de getrouwe

Aartsengel vleugellam
Tuimelt in ’t ijle.
Bliksems verstarren
In Jahveh’s vingren.

Als meteoren,
Doffe gesternten,
Regenen de engelen
Neer uit de heemlen.

In de materie,
Die nimmer sluimert,
Leeft, overheerschende
Vormen en krachten

Enkel nog Satan.
In ’t glanzend licht van
Zijn zwarten oogslag
Straalt zijne hoogheid,

’t Zij dat hij lusteloos
Weerstaat en weggaat,
’t Zij dat hij vinnig
Uitdaagt en aandringt.

Hij glanst in ’t druivenbloed
Der wingerdtrossen,
Waardoor de vreugde
Nimmer zal kwijnen,

Die ’t vluchtig leven
Blijde herstellen,
Smarten verdrijevn,
Liefde verwekken.

Gij ademt, Satan,
In mijne verzen,
Wen ze me ontwellen,
Tartend den God van

Schuldige Pausen,
Bloedige vorsten;
En als een bliksemschicht
Schokt gij de harten.

Dank zij u kregen
Adonis, Astarté
Leven in marmer,
Verzen en doeken.

En als de frissche
Briezen van Jonië
Dronken de Venus
Anadiomenes,

Trilden tot u wel de
Libanon-ceders
Als weer de minnaar rees
Der zoete Cypris.

Op, tot u, klonken
Dansen en koorzang,
Tot u de maagdlijke,
Teedere liefden

Tusschen Idumea’s
Geurige palmen,
Waar blanke schuiming
Warrelt van Cyprus.

Wat deert het, dat de
Barbarenwoede
Der Nazareensche
Schunnige riten

Uw tempels zengde
Met hare toortsen
En heeft vergruisd de
Beelden van Argos?

’t Dankbaar volk heeft
Aan u, den balling,
Plaats willen ruimen
In zijne hutten.

Vullend het hart eener
Hijgende vrouwe,
Wektet gij, vurige en
Minlijke godheid,

De bleeke tooverkol,
Zorgzaam als altoos,
Om de natuur in haar
Leed te ondersteunen.

Zoo voor het staroogen
Des alchemysten,
Als vóór den blik des
Ontembaren magiërs,

En in de dompige
Kloostergebouwen
Legdet ge een glinstrenden
Horizont open.

U tot in de aardsche
Dingen ontvliedend,
Wijkt dan de monnik
Droevig naar Thebes.

Ziel, van uw wegen
Henengetrokken,
Satan is goedig:
Daar is Héloïse!

Nutt’loos verslapt gij u
In uwe boet’pij:
’t Vers van een Maro en
Flaccus vervolgt u

Dwars door de klagende
Psalmen van David.
Delphische vormen
Heffen zich naast u;

Rozig te midden van
Zwarte gestalten,
Toont zich Licorys,
Toont zich Glycera.

Andere beelden
uit schooner tijdvak
Dringen zich binnen uw
Slaaplooze celle.

Hij, met de boeken van
Livius schudt wakker
Vuurge tribunen,
Consuls, legioenen.

Dronken van Itala’s
Beeldrijken hoogmoed,
Jaagt hij, o monnik,
U ’t Kapitool op.

Gij, wien de brandstapel
Niet kon versmoren
Spellende stemmen van
Huss en van Wickleff,

Stoot in den wind uwe
Waakzame kreten;
De eeuwe verjongt tot de
Volheid der tijden.

Zie, alreê beven
Mijters en kronen;
Tot uit het klooster komt
Grommende de opstand,

Strijdend en predikend
Onder de toga
Van fra Giròlamo
Savonarola.

Hij wierp de kap weg,
Martinus Luther.
Schud af uw boeien,
Menschlijke rede!

Straal dan en schitter,
Lichtend van vlammen.
Stoffe, verhef u,
Satan viert zege.

’t Schoon en schrikwekkend
Monster treedt voorwaarts,
Schrijdt door de zeeën,
Schrijdt over de aarde;

Als de vulkanen
Gloeiend en ziedend,
Wordt hij door bergen noch
Vlakten weerhouden.

Heenvliegend over
Afgronden, schuilt hij
In stille grotten,
Diepe ravijnen;

Dan weer, ontembaar,
Komt hij te voorschijn.
Oever tot oever trilt
Van zijnen strijdkreet.

En als een stormwind
Blaast hij zijn adem:
Volkren, daar gaat hij,
Satan de Groote.

Weldoende trekt hij
Heinde en verre
Op zijn onstuitbaren
Vlammenden wagen.

Heil u, o Satan,
Geest van den opstand,
Wrekende sterkte
Van onze rede!

Te uwer eer rijzen
Wierook, gebeden.
Gij hebt den Javeh der
Priesters verslagen!”

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × 4 =