13.02.16 – Het IQ van Rob Schouten

| Geen reacties

Dat literaire kritiek vaak weinig of niets voorstelt, staat wat mij betreft buiten kijf. Het nog eens vaststellen, zoals ik nu doe, komt neer op het opentrappen van een open deur.

Maar ook daar moet je onderscheid maken natuurlijk. En tot de bedenkelijkste soort literaire critici behoort wat mij betreft ene Rob Schouten. Ik lees die allang niet meer, zoals ik trouwens ook de meeste anderen al lang niet meer lees, gewoon doordat ik het lezen van kranten en tijdschriften grotendeels heb afgeschaft. Slechts heel af en toe koop en lees ik nog literaire tijdschriften – meestal Franse of Engelse trouwens, want daar kun je wel nog kwaliteit vinden.

Onlangs kocht ik het recentste nummer van Awater, vooral wegens het interview met Frans Budé dat erin staat. Sinds zijn debuut heb ik Budé gevolgd, gelezen en goed bevonden.

Maar kijk, wie hebben we daar in datzelfde nummer?! Inderdaad, Rob Schouten! In wat blijkbaar een recensie wil zijn van de onlangs verschenen verzamelde gedichten van Patrick Conrad, onder de mooie, korte en kernachtige titel As. Een stomme titel volgens de analfabeet die Schouten is, en die blijkbaar niet begrijpt waarom dat zo heet. Ik ga het hem niet uitleggen. Maar misschien kan ik verwijzen naar een vers van Crespin de Vigneux: “Ce qui reste de nous quand la flamme s’esteint.” Conrad werkt op ’t ogenblik aan een nieuwe bundel, zijn vlam is dus gelukkig nog niet gedoofd. Bij Schouten zou je kunnen zeggen dat er gewoonweg nooit een vlam geweest is, hij is doodgeboren en iemand heeft vergeten hem in de vuilnisbak te kieperen bij het andere afval.

Want: recensie, zei u!?

nijlpaard

selfie

Schouten begint met de helft van zijn ‘recensie’ te wijden aan een onbetekenend bloemlezinkje uit 1966: Pijn en puin verdwenen, samengesteld door Werner Cranshoff. Op de achterflap van dat boekje staan foto’s van alle medewerkers en van de samensteller. Schouten neemt die achterflap gewoon over en schrijft daaronder dat het allemaal ‘pink poets’ zijn. Wat van geen kanten klopt: van de vijftien mannen zijn er amper drie die jaren later ‘pink poet’ zouden worden, waaronder de twee stichters van dat genootschap, Patrick Conrad en Nic van Bruggen.

En dat boekje was niks geen opmaat tot welke stroming dan ook in de ‘Vlaamse’ poëzie; veel meer dan een toevallig samenbrengen van enkele mensen die Cranshoff kende, was het niet. Aan een beweging als ‘pink poets’ dacht toen niemand, en het is helemaal geen toeval dat amper drie ervan inderdaad tot dat genootschap gingen behoren. Alleen de naam en de oprichting ervan behoren overigens al tot de verfijndere vorm van ironie, waar Hollanders van het soort van Schouten geen kaas van gegeten hebben.

Wat weet Rob Schouten eigenlijk? Of hoe verweekt moeten zijn hersenen (zo die er al ooit geweest zijn) intussen zijn, dat hij niet eens meer kan lezen. Hij vermeldt een boekje van Nic van Bruggen, Uit het dagboek van een pink poet, en hij stelt zich zo bot en boers op en aan dat hij geen enkel oog heeft voor de ironie in dat boekje; fijne ironie, ik geef het toe, en daarom niet geschikt voor analfabete lezers, op z’n minst.

Heel zijn zgn. ‘recensie’ komt eigenlijk enkel neer op het cynisch denigreren van een stroming en van enkele daartoe behorende dichters; en dat zonder ook maar één argument aan te halen, behalve dan dat men in Holland die Vlaamse kaas niet lust. En ook dat slechts tussen de regels, maar toch duidelijk genoeg. Wat verwijt hij de ‘pink poets’ in het algemeen en Patrick Conrad in het bijzonder? Dat ze poëticale middelen gebruiken, zoals paradoxen, alliteraties, homoniemen enzoverder enzovoort. M.a.w. dat ze ‘artificiële poëzie’ produceren. Dat Rob Schouten mij eens een staaltje van ‘natuurlijke poëzie’ toont; misschien groeit zoiets wel in zijn tuin. Of enkel maar in zijn dwaze hoofd, waar wellicht genoeg ruimte voor zoiets aanwezig is?

matrakkensabbatEen ander verwijt: ze zijn zo onmaatschappelijk, meneer, alsof ze in een warme serre leven waar ze zichzelf kunstmatig in leven houden, zonder ook maar enig contact met de buitenwereld.

Rob Schouten weet duidelijk helemaal niets van de dichters die hij bespreekt. Conrad bv. is de schrijver van ‘Heren van stand‘, een van de mooiste en scherpste ‘geëngageerde’ gedichten die ik ken. Misschien niet echt typisch voor zijn oeuvre, maar dan toch enkel op het eerste zicht. Maar wel een gedicht van een kaliber dat je in de verzamelde wangedrochten van Rob Schouten tevergeefs zult zoeken.

En Nic van Bruggen organiseerde eind jaren zestig een tentoonstelling in Vécu van foto’s genomen tijdens de mijnwerkersopstanden van 1966 in Limburg. De toenmalige Rijkswacht heeft alles gedaan wat maar mogelijk was om de foto die op het omslag van Matrakkensabat stond, en die bewees dat ze een van de mijnwerkers in de rug dood hadden geschoten, vast te krijgen. Wat hen uiteraard en gelukkig maar niet gelukt is.

Rob Schouten kletst maar wat raak uit zijn oerstomme karpatenkop. Hij moet ofwel de domste ofwel de luiste van alle zgn. literaire critici zijn. Iemand die niks weet en niks kent, maar wel een bakkes opentrekt dat alle nijlpaarden snel op de vlucht jaagt om nooit meer terug te keren. En met als enige en unieke criterium om gedichten te beoordelen debiliteit: als een debiel het snapt, is het goede poëzie, anders niet. Zo simpel kan kritiek zijn.

Wanneer wordt die man uit het literaire milieu verwijderd?

 

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien − een =