10.02.16 – 2 x Badiou

| Geen reacties

Wanneer je de lijst van publicaties van Alain Badiou bekijkt, lijkt hij wel een veelschrijver. Maar er is natuurlijk zijn gezegende leeftijd, plus het feit dat veel van zijn publicaties uit dunne boekjes bestaan, die vaak direct aanleunen bij de actualiteit. Hem volledig lezen is voor mij dus niet weggelegd, temeer daar zijn grote hoofdwerken van zuiver filosofische aard zijn, en ik me niet meer in staat acht (of het geduld niet meer kan opbrengen?) om die te lezen. Ik ken hem overigens nog niet zo heel lang, enkele jaren slechts, en ik weet niet meer wie hem mij aangeraden heeft. Het zou nochtans voor de hand liggen, dat ik hem wel zou kennen, want in de jaren zestig/zeventig was hij een maoïst, een van de leiders van de PCMLF.

Maar bon, je kunt niet iedereen kennen.

badiou

Af en toe lees ik eens een van zijn boekjes, meestal afhankelijk van het onderwerp. Een daarvan, dat weinig of niets met de actualiteit (de politieke dan) te maken heeft is: Alain Badiou avec Gilles Haéri: Eloge des mathématiques (Série Café Voltaire, Editions Flammarion, Paris, 2015).

In goede socratisch-platoonse traditie bestaat het boek uit vraaggesprekken, waarbij Haéri de vragen stelt en Badiou antwoordt. Een dergelijke manier van werken heeft wel wat voordelen: het gesproken woord is bijna per definitie eenvoudiger dan het geschreven woord, en dus toegankelijker voor meer personen; en de ondervrager kan niet enkel dóórvragen als het nodig is, maar ook, als hij de zaken goed heeft voorbereid, zich beperken tot het essentiële van het onderwerp dat behandeld wordt.

Over vijf hoofdstukjes en een conclusie wordt hier een beeld geschetst enerzijds van de traditie van verwevenheid van wiskunde en wijsbegeerte, en anderzijds van het feit dat de twee vandaag de dag, zelfs aan de universiteiten, niets meer met elkaar te maken hebben. Behalve wellicht bij logici (ik denk dan op de eerste plaats aan wijlen Leo Apostel, waarvan ik vermoed dat hij de enige Vlaamse filosoof geweest is, die ook op de hoogte was van de nieuwste ontwikkelingen in de wiskunde; en aan Van Bendegem natuurlijk, die, vooraleer hij filosofie ging studeren, eerst een licentiaat in de wiskunde behaalde – een grote uitzondering). Ook Badiou heeft eerst enkele jaren wiskunde gestudeerd alvorens naar de filosofie over te stappen. Dat legt hij beknopt uit in het eerste hoofdstuk, waarin hij o.a. zijn eigen itinerarium schetst.

Belangrijker lijkt me wel de vaststelling dar er, voor het eerst in ongeveer tweeduizend jaar filosofie, aldus de auteur, een enorme kloof is ontstaan tussen wat men over het algemeen ‘filosofie’ noemt, en de exacte vakken, wiskunde op de eerste plaats. Vanaf Plato tot het begin van de twintigste eeuw was dat wel enigszins anders – vooral buiten Frankrijk, voeg ik daaraan toe, denkend aan Whitehead en Russell, Carnap ook (die hij niet noemt) maar ook aan Mach en Poincaré (niet de politicus uiteraard), die overigens nog niet zo heel lang geleden nog in het Nederlands vertaald werden. Badiou stelt vast:

“Nous vivons donc dans un degré de séparation entre mathématiques et philosophie qui aurait bien étonné la plupart de nos grands ancêtres classiques ou modernes, dont je voudrais rappeler que beaucoup d’entre eux , et parmis les plus fameux, étaient aussi de grands mathématiciens.” (p. 26)

Waarna hij een kort overzicht laat volgen, dat wel voor zichzelf spreekt. Maar dat bv. ook verbanden legt waar je niet zo onmiddellijk zelf op zou komen. Zo bv. een verband met het ontstaan van de ‘democratie’ in de Griekse stadsstaten, hetgeen te maken zou hebben met het feit, dat in de wiskunde, zelfs al in die vroege tijden, het gaat om bewijs en niet meer om min of meer mythologische verhalen. De filosofie blijkt zelfs min of meer te zijn voortgekomen uit de wiskunde.

Dat heeft volgens Badiou ook met de taal te maken, die van de wiskunde streeft immers naar universaliteit, naar het uitschakelen van alles wat contingent is, zodat iedereen overal, en ongeacht de moedertaal, een wiskundig bewijs moet kunnen begrijpen.

Daar tegenover, aan de andere kant van het spectrum, stelt Badiou dan de poëzie, wat ik wel mooi vind, en op z’n minst erg verrassend:

“On pourrait dire que le poème exagère la singularité de la langue jusqu’à sa limite, jusqu’au hors-langue. Alors que les mathématiques procèdent d’emblée à l’extérieur de la singularité des langues. Deux chemins contrastants, mais tous deux en direction du réel, de l’universalité.” (p.44)

Af en toe komen er ook sneren voor naar de filosofische bedriegers als Lévy of Glucksmann, die weliswaar niet bij naam genoemd worden, maar wanneer Badiou stelt dat ‘il n’y a pas de “nouveaux mathématiciens”‘, dan weet iedereen wel over welke lege pretentieuze figuren het gaat.

Badiou geeft slechts af en toe een concreet wiskundig voorbeeld van wat hij bedoelt, zodat het boek niet technisch is, zoals sommige van zijn grote filosofische werken (naar het schijnt), maar steeds leesbaar blijft voor elke geïnteresseerde leek. Die voorbeelden vind je vooral in het derde hoofdstuk, waarin hij uiteenzet waarover de wiskunde nu eigenlijk gaat. Hier stelt hij voorop dat er een zeer sterke band moet zijn tussen de wiskunde en het geheel van de werkelijkheid. Ik meen dat ik hier al enkele boeken besproken heb, waarin met name theoretische fysici tot dezelfde slotsom komen. Die citeren Badiou niet, en Badiou citeert hen niet. Waarschijnlijk kennen ze elkaar niet. Zelfs de grootste spons kan nu eenmaal niet alle vocht van de wereld opnemen en ook nog eens verwerken.

“Ma conclusion, proprement philosophique, c’est que, en réalité, les mathématiques sont tout simplement la science de l’être en tant qu’être, c’est à dire ce que les philosophes appellent classiquement l’ontologie.” (p. 74)

Dat is toch wel een van de belangrijkste en verstrekkendste conclusies van dit boekje. Dat brengt hem overigens tot een besluit dat wellicht nog verstrekkender is, nl. dat de wiskunde niet ontstaan is uit zintuiglijke aanschouwing en deductie daaruit, maar dat ze inherent is aan het zijn zelf, ‘présupposé dans toute expérience’ (p.76). Ik heb daar in de marge enkele vraagtekens geplaatst, omdat je zodoende bijna bij religie uitkomt. Wat op zich natuurlijk niet verkeerd hoeft te zijn, het hangt er zoals steeds maar vanaf hoe je dat definieert.

Het is derhalve ook geen toeval uiteraard dat het voorlaatste hoofdstuk de contouren schetst van een op de wiskunde gebaseerde metafysica. Na gesteld te hebben dat er inderdaad, volgens hem absolute waarheden (NIET: een absolute waarheid) bestaan, zegt hij expliciet: “Il nous faut donc renoncer à Dieu sans perdre aucun de ses avantages.” (p. 87) Hier kan ik hem weliswaar volledig volgen, maar hij vergeet, denk ik, één cruciale zaak: God is een leeg begrip, een begrip dus dat ingevuld moet worden vooraleer het iets kan betekenen. Badiou gebruikt een impliciete invulling/betekenis (de klassieke vaderfiguur, denk ik), die hij niet verder preciseert. Maar voor de kern van zijn redenering doet dat wellicht weinig terzake; je zou kunnen zeggen dat hij enkel de omgekeerde weg bewandelt: God volledig leegmaken van alle betekenissen om zo enkel nog het Absolute over te houden.

Het laatste hoofdstuk stelt de vraag in hoeverre wiskunde gelukkig kan maken. vreemde vraag als je het mij vraagt; en het eerste antwoord van Badiou kan op alle mogelijke andere zaken worden toegepast: het geluk dat je kunt voelen wanneer je een wiskundig probleem hebt opgelost. Het volstaat even terug te kijken naar toen ik als tiener voor mezelf probeerde wiskundige vraagstukken op te lossen, en inderdaad hoe bijna gelukkig ik was als het eens gelukt was. Maar Badiou bedoelt dat ‘geluk’ vooral als tegengewicht voor de totale oppervlakkigheid van andere hedendaagse discoursen. In de wiskunde kun je immers niet oppervlakkig zijn. Hij stelt daar vooral de retorica tegenover, ik zou zeggen de lege retorica, van de politiek:

“Malheureusement, la rhétorique est la langue politique d’aujourd’hui. C’est une rhétorique de la promesse qui ne sera pas tenue, une rhétorique du programme impraticable, une rhétorique de la nécessité factice. (…) La politique parlementaire, nommée fallacieusement “démocratique”, est un univers commandé par un mélange d’intérêts peu explicités, d’affects souvent vulgaires, voire haïssables, de faux savoir et de rhétorique irrationnelle.” (p.115)

Zo is het, kun je alleen maar beamen. En dit doet me toch weer van verre denken aan Carnap, die een wetenschappelijke taal wou ontwerpen, waarin geen misverstanden, geen oppervlakkigheid e.d.m. zouden voorkomen. Dat is hem uiteraard niet gelukt, je kunt nu eenmaal geen wiskunde spreken, of logica.

000

Maar dat alles brengt me bij een ander, nog recenter boekje: Alain Badiou: Notre mal vient de plus loin; penser les tueries du 13 novembre (Editions Fayard, collection ouvertures, Paris, 2016). Dat is natuurlijk zeer kort op de bal, en mij verwondert het dan ook niet dat ik er wel wat vragen bij heb.

parijs-13-11-15Het langste hoofdstuk, bijna de helft van een boekje van een goeie zestig pagina’s, is het allereerste waarin de auteur de globale context schetst van de laatste dertig à veertig jaar, de periode van het alles wegspoelende (neo)liberalisme zeg maar, en van het verdwijnen van alle alternatieven, op de eerste plaats de ‘linkse’ alternatieven. Het hoofdstuk heet gepast en objectief ‘Structure du monde contemporain’, en focust op twee totaal met elkaar verweven zaken: enerzijds de overwinning van het kapitalisme, die totaal en onomkeerbaar lijkt. Anderzijds het ‘verdwijnen’ van de staat, op de eerste plaats hier in het westen. De auteur raakt daar een teer punt, toch voor een marxist-leninist zoals hij (geweest is?). Het was immers Lenin die op het einde van zijn Staat en Revolutie stelde dat uiteindelijk de staat als instrument van de laatste klassenheerschappij bij het oud vuil gezet zou worden. En het zijn de extremistische liberalen die het overal voor het zeggen hebben, die dat nu uitvoeren – maar dan wel op een wijze die van het merendeel van de bevolking paria’s wenst te maken die amper zullen kunnen overleven. Terug naar Hobbes’ ‘oorlog van allen tegen allen’, zo lijkt het devies wel.

Tezelfdertijd vernietigt het westen op een andere, directere en dus moorddadigere manier staten in de derde wereld wanneer de leiders ervan niet willen luisteren naar de dictaten van Washington en Tel-Aviv. Irak, Libië en Syrië zijn daar om dat te bewijzen. Het is een heuse ‘strategie van de chaos’, zoals Michel Collon het noemt: alles kapot maken en vernietigen, iedereen tegen iedereen opzetten, zodat je ongestoord verder kunt heersen als imperium.

Dat alles is volgens Badiou de achtergrond waaruit de aanslagen in Parijs verklaard moeten worden. Ik volg hem daarin, ook al stel ik onmiddellijk dat dit enkel een analyse in laatste instantie is, d.w.z. dat er nog vele andere elementen mee een rol spelen om die aanvallen te verklaren. Er is geen causaal verband tussen de structuur van de huidige wereld en die moordpartijen. Het verband ligt elders, en zou dieper en grondiger beargumenteerd en bestudeerd moeten worden. Maar wat Badiou hier schrijft is al heel wat, want de meeste auteurs en zeker het journaille komt zover niet eens.

Naast de door Badiou geschetste globale achtergrond, zou je bv. ook de andere kant van het spectrum, de strikt individuele oorzaken moeten kunnen bestuderen. Maar dat is natuurlijk zeer moeilijk, ook al kun je daar wellicht wel causaliteiten ontdekken. Het kan er bij mij immers niet in dat iedereen in dezelfde omstandigheden als de daders van die aanslagen, over dezelfde kam geschoren moet worden. Op het vlak van de persoonlijkheid moet er ook iets aanwezig zijn, dat de betrokkenen tot massamoordenaars maakt, en anderen niet.

Zeker wanneer het globale en het individuele elkaar ontmoeten; want het staat wel buiten kijf dat enkel een symbiose van de twee tot dergelijke daden aanleiding kan geven.

Badiou gaat dus, wat mij betreft, niet ver en niet diep genoeg in zijn analyse. Zelfs niet door in zijn tweede hoofdstuk de gevolgen op maatschappelijk vlak voor het gros van de bevolkingen te schetsen van de nefaste (a)sociaal-economische ontwikkeling van de laatste decennia. Iedereen die daar meer over wil weten kan alles zelf wel terugvinden, met het nodige cijfermateriaal, ik ga er dus niet op in. Alleen nog dit: Badiou maakt niet het onderscheid tussen de 1% en de 99% zoals linksen vandaag vaak doen, maar wel tussen de 10% en de 90 %; zodoende komt hij uit bij exact dezelfde verhoudingen als op het einde van de 18de eeuw, in 1789 zeg maar.

Vervolgens bespreekt hij kort de subjectieve reacties op dat alles, waarin hij drie lagen onderscheidt. Op de eerste plaats de angst bij wat in klassieke marxistische terminologie de kleinburgerij heet, en die je vooral zoal niet uitsluitend hier in het westen moet zoeken. Die bedreiging lijkt me effectief aanwezig, en vooral het succes overal van extreem-rechts lijkt me daarop te wijzen. Vandaar dat het mij idioot lijkt alle Pegida-nalopers als extreem-rechtsen of fascisten te betitelen. Ik denk dat de bekommernissen echt en legitiem zijn, maar dat ze, zoals altijd, misbruikt worden door tuig met een andere agenda.

Een tweede subjectieve reactie noemt hij ‘le désir d’Occident’. Zelf heb ik nooit buiten Europa gereisd en ik zal dat ook nooit doen, maar ik weet voldoende en uit eerste hand, dat met name in de landen van het Midden-Oosten iets dergelijks inderdaad aanwezig was (of nog is?): het westen als beloofde land, als paradijs op aarde, als het mythische ‘land van Pape Jan’ uit de Middeleeuwen. En als je probeerde daartegen in te gaan, en uit te leggen hoe het systeem hier werkelijk in elkaar zat, dan werd dat uitgelegd als een poging om hen ervan af te houden naar hier te komen. Zo is dat gewoonweg.

De derde reactie noemt hij de ‘nihilistische’ en volgens hem komt die net voort uit frustratie omdat het verlangen naar het westen niet verwerkelijkt kon worden.

Als verklarend schema kan ik daar best wel achter staan, als het wat verder genuanceerd wordt. Dat is geen verwijt aan Badiou: het boekje is de tekst van een voordracht, en dan kun je uiteraard niet even grondig op alles ingaan; daarenboven moest het zeer snel neergeschreven worden gelet op de actualiteit.

Met de volgende twee hoofdstukjes, ‘Le fascisme contemporain’ en ‘Qui sont les tueurs?’, heb ik wel veel meer moeite, omdat hij hier concepten hanteert die tot de specifieke politieke geschiedenis van Europa behoren en mijns inziens daarbuiten amper toegepast kunnen worden. Het is dus totaal verkeerd de uitvoerders van de moordpartijen in Parijs ‘fascisten’ te noemen, of een vergelijking te maken met ‘imam Pétain’ en zijn milice van moordenaars. Natuurlijk zijn er overeenkomsten, maar ze zijn oppervlakkig: grotendeels dezelfde modus operandi, maar voor de rest zijn de verschillen groter dan de overeenkomsten. Als je de twee dan toch met elkaar wil verbinden, dan moet je over islamofascisme spreken, dat zou zowel de overeenkomsten met het vroegere fascisme inhouden als het toch wel totaal andere karakter wat de oorsprong en de motivaties betreft.

Want ook hier vergeet Badiou een van de wijze lessen van het marxisme: dat wat men de superstructuur noemt, waaronder dus godsdienst, steeds een zekere autonomie bezit, en op bepaalde historische omstandigheden bijna volstrekt autonoom kan optreden. Studie van met name de nog steeds te veel in de vergeethoek zittende Gramsci kan wat dat betreft veel opleveren. Net zoals die van de historische school ‘des annales’; die onderscheiden drie niveau’s, met de economie als basis en de ‘cultuur’ als bovenbouw; en ook bij hen kan die ‘cultuur’ zeer autonoom zijn, ook al wordt ze in laatste instantie bepaald door de economie.

“Leur vie à eux ne compte pas. Et comme leur vie à eux ne compte pas, la vie des autres n’est rien du tout non plus. C’est vraiment le nihilisme qui est à la base de cette tuerie.”(p.50), zo vat hij het samen, en ook hier stel ik me weer vragen bij. Nihilisme is immers (kan alleen maar zijn) moreel nihilisme, en dat is in strijd met een islamitisch uitgangspunt, hoe oppervlakkig dat ook verankerd moge wezen in de daders. Ik denk dus niet dat we die daders en hun moordpartijen echt kunnen beoordelen en benaderen vanuit puur filosofische westerse concepten. Je moet de islam en hun opvoeding daarbinnen mee in rekening nemen. Dat leidt wellicht tot een analyse in de aard van Huntington, zal Badiou stellen, maar dat is dan maar zo. Huntington (die ik niet gelezen heb) lijkt me een adept van de geschiedenisopvatting van een Toynbee of een Spengler; dat is wat mij betreft even legitiem als het onuitgesproken historische uitgangspunt van Badiou, dat christelijk en marxistisch van aard is. Waarom zou – buiten de huidige context om – een synthese van die twee niet mogelijk zijn?

Maar één zaak moge wel duidelijk zijn, en misschien had hij daar méér nadruk op mogen leggen: de door Hollande verklaarde oorlog – die er volgens mij inderdaad en hoe dan ook is! – is er géén tussen barbaren en geciviliseerden, verre van. Het westen is altijd even barbaars geweest en is dat nu nog evenzeer als zijn tegenstanders. Even terugdenken aan de lijken van kinderen die in Vietnam teruggevonden werden in de vuilnisbakken bij de Amerikaanse basissen, of aan een late variant erop: Abu Ghraib.

Uiteindelijk komt hij in zijn concluderend hoofdstuk tot het besluit dat ‘notre mal vient de l’échec historique du communisme. Donc, il vient de loin, en effet.” (p. 61) Ook dat mag dan juist zijn, maar feit is evenzeer dat wat dood is niet tot leven gewekt kan worden. Wat toen ‘communisme’ genoemd werd – en het helemaal niet was – is morsdood en alle pogingen om dat lijk opnieuw leven in te blazen, zijn tot mislukken gedoemd. Dat betekent uiteraard nog helemaal niet dat je bij de pakken moet blijven zitten: “Je suis d’un optimisme inébranlable, n’est-ce pas, donc je pense que c’est ce qui se fera (= dat het goed komt – PB). Mais le temps presse. Le temps presse…” (p.63), zo luidt de laatste paragraaf van het boekje.

Inderdaad, van optimisme gesproken. Of is het blindheid? Niet willen inzien dat het gewoonweg te laat is? Dat je de derde wereldoorlog die met steeds rassere schreden op ons toekomt, niet kunt tegenhouden? Zoals de gewone mensen nog nooit in heel de geschiedenis een oorlog of een andere politieke beslissing van de heersers hebben kunnen tegenhouden? Dat daarbij dan nog eens een klimaatverandering komt waar geen enkele machthebber ook maar iets aan wil doen? Of als ze wel willen, niets aan kunnen doen? Omdat, inderdaad, het systeem dat niet toelaat? Dat we gewoon verder lopen, steeds sneller en sneller, naar de apocalyps en de afgrond? En dat het wellicht beter zal zijn als heel de mesthoop die mensheid heet daarbij voor eens en voor altijd volledig verdwijnen moge?

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


negentien − 6 =