04.02.16 – Van het ene pamflet naar het andere

| Geen reacties

Langzamerhand beginnen meer en meer historisch belangrijke werken in een becommentarieerde uitgave te verschijnen, onafhankelijk van het feit of ze nou al dan niet in het openbaar domein gevallen zijn. Vraag is natuurlijk: zijn die werken wel zo belangrijk, en kunnen ze niet beter gewoon vergeten worden? Immers, met de tijd zullen ze gewoon vanzelf verdwijnen, gewoon al omdat er hoe langer hoe minder exemplaren van zullen overblijven.

Voor zover ik me herinner werd een dergelijke vraag voor het eerst gesteld bij de uitgave van het Journal 1939-1945 van Drieu la Rochelle. Uiteraard werd het wel gepubliceerd, het stellen van de vraag ‘Fallait-il publier? Ne pas publier?’ op de achterflap, zal eerder een soort reclamestunt geweest zijn dan iets anders, want zo erg was dat boek nou ook weer niet. Maar mijn tenen zijn natuurlijk wel erg kort, daar kan quasi niemand op trappen. Van vele anderen kun je dat niet zeggen.

drieu-et-lucien

Les décombres van Lucien Rebatet was tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk dé literaire gebeurtenis, dé onverbiddelijke bestseller. Sinds 1942 was dat nooit volledig heruitgegeven; Pauvert had weliswaar een heruitgave gewaagd onder de titel Memoires d’un fasciste, maar het eerste deel daarvan was slechts een gemutileerde versie van het betreffende boek; met name quasi alle antisemitische uitingen waren weggelaten. En dat waren er toch niet weinig, zoals blijkt uit de heruitgave: Le dossier Rebatet, les décombres – l’inédit de Clairvaux, édition établie et annotée par Bénédicte Vergez-Chaignon, préface de Pascal Ory (Editions Robert Laffont, Paris, 2015 – collection ‘bouquins’).

Dat is wel van een ander kaliber dan de zure oprispingen van Drieu, die tot op zijn laatste snik niet wist wat hij nou werkelijk wilde in politicis. Dat wist Lucien Rebatet maar al te goed: ‘Mort aux juifs!’, zo eindigde hij een meeting in 1944, enkele maanden slechts voor hij vluchten moest.

le-dossier-rebatetDrie delen bevat deze kanjer van meer dan duizend bladzijden. Op de eerste plaats dus de volledige tekst van Les décombres uit 1942, met inbegrip van de ‘Petites méditations sur quelques grands thèmes’, die bij de heruitgave van Pauvert volledig waren weggevallen; deze bladzijden bevatten ook de meest schokkende en meest crapuleuze passages van alles wat tijdens de oorlog in Frankrijk verscheen, enkel te vergelijken met de teksten in het strontblaadje van Streicher. Ook de andere geschrapte passages komen hier terug, en de uitgeefster geeft telkens duidelijk aan dat bepaalde passages geschrapt werden in de uitgave van Pauvert – de lezer ziet dus onmiddellijk hoe dat zat.

Een belangrijke vraag is die naar het genre: is dit een pamflet of niet? Ja en nee. Nee, omdat het boek veel en veel omvangrijker is dan welk pamflet dan ook, maar vooral omdat het op de eerste plaats memoires zijn, weliswaar van een nog jonge man, maar die toch al de hele ondergang van Frankrijk aan den lijve, van zeer dichtbij heeft meegemaakt. Ja, omdat hij van die memoires gebruik maakt om in de felste bewoordingen denkbaar aan te klagen wat er volgens hem misgelopen is met het Franse leger, met de verdediging enz. A contrario kun je daaruit afleiden dat betrokkene (en de hele groep van Je suis partout) eigenlijk pas echt en bewust aan collaboratie gedacht heeft na die nederlaag, en voor wat Rebatet betreft, zelfs pas na eerst een tijdje in Vichy gewerkt te hebben. Het boek is door en door ernstig en van een zelden geziene felheid. Daarenboven zeer goed geschreven en daardoor nog steeds zeer leesbaar. En wat de toestanden betreft in het leger waarschijnlijk ook wel grotendeels waarheidsgetrouw. Ook wat betreft de beschrijving van de toestanden bij L’Action Française trouwens, en over ’t algemeen wanneer hij zaken beschrijft die hij zelf heeft meegemaakt.

Enkel wanneer hij het over politiek heeft, en dan met name wereldgebeurtenissen zoals München, de aanval op Polen enz., zet hij enorme oogkleppen op, want volgens hem zijn het enkel en alleen de joden die een oorlog wilden. Ik ben trouwens van oordeel dat hier de commentaren vaak tekort schieten, dat de uitgeefster niet grondig genoeg is in de weerlegging van de rabiate onzin die Rebatet over dat soort zaken debiteert. Elders is dat minder het geval. En misschien wel minder nodig, want minder ideologisch bevangen. Het is immers zonder meer duidelijk dat je dan zeggen moet dat enkel en alleen Hitler-Duitsland oorlog wilde, en dat er een duidelijk onderscheid was tussen de houding van Stalin enerzijds, Daladier-Churchill anderzijds, en Hitler als enkel tevreden derde. En dat mag natuurlijk niet.

Zeker in het tweede deel, de ‘Inédit de Clairvaux’. Clairvaux duidt de gevangenis aan waarin Rebatet na zijn gevangenname en na zijn terdoodveroordeling opgesloten werd. Daar schreef hij een soort vervolg op zijn memoires die nooit eerder gepubliceerd werden. Inderdaad, want het tweede deel van de Pauvertuitgave Le memoires d’un fasciste, dat de periode 1941-1947 beschreef, werd veel later geschreven, terwijl de huidige ‘inédit’ contemporain is, dwz geschreven werd in de gevangenis, en daardoor veel directer aansluit bij het eerste boek, Les décombres zelf. Het verschilt dan ook in geen enkel opzicht daarvan, vertelt in zeven lange hoofdstukken de verdere lotgevallen van de schrijver zelf tijdens de bezetting. Wat me vooral bijblijft is zijn verhaal betreffende het ontslag van Brasillach bij Je suis partout; ik herinner me gewoonweg niet ooit eerder daarover iets gelezen te hebben. Ook onder die vaste groep vrienden was blijkbaar niet alles koek en ei. Ook de bladzijden over film en schilderkunst in dit tweede deel zijn zeer bijzonder. Gewoonweg omdat Rebatet op beide gebieden zeer goed het waardevolle van het minder waardevolle wist te onderscheiden, en blijkbaar zonder al te veel ideologische vooroordelen, wat bij zo’n op politiek vlak uitgesproken fanatiek iemand toch wel uitzonderlijk mag heten.

Wat ik een derde deel noem, zijn in feite de inleiding, de aantekeningen van de uitgeefster en enkele annexen. Die laatsten zijn soms enkel interessant voor de filologen, met name de ‘notes et brouillons des décombres‘, maar de uittreksels uit het strafdossier en vooral de persuittreksels over het proces van Je suis partout (Rebatet was beklaagde samen met Jeantet en Cousteau) zijn zeer interessant, omdat je zodoende zaken over Rebatet leert die je elders nooit las, zelfs niet in de biografie van Robert Belot – maar die uiteraard vooral een politieke biografie was. Niet enkel was hij gewelddadig (al dan niet na consumptie van alcohol) maar vooral blijkt hij geestelijk erg labiel geweest te zijn. Of dat iets met de zelfmoord van zijn vader te doen had? Belot vermeldde dat niet eens. Of met zijn verblijf in een katholiek internaat? Dat zou alleszins de totale vernietigingsdrang kunnen verklaren ten opzichte van het katholicisme, die hij in zijn grote roman Les deux étendards tentoon spreidde. Het lijkt me dat een nieuwe biografie wellicht wel aangewezen is.

Globaal genomen heb ik dit boek graag herlezen voor wat het eerste deel betreft en gelezen voor wat de rest betreft. Het blijft voor mij fascinerend te zien hoe een toch zeer talentrijk en intelligent iemand zo erg kan afdwalen. Het boek eindigt met een interview dat enkele jaren voor zijn dood – eind jaren zestig – van Rebatet afgenomen werd. Ook dat is verbijsterend, want eigenlijk zijn zijn standpunten amper veranderd; een beetje verzacht, door de leeftijd waarschijnlijk. Zou het echt kunnen dat je altijd op de een of andere manier plakken blijft aan de opvattingen die je je in je jeugd hebt eigen gemaakt? Zonder enige mogelijkheid om tot nieuwe inzichten te komen, om bij te sturen gewoon?

000

In Frankrijk en elders in Europa vallen literaire werken pas zeventig jaar na de dood van de auteur in het publieke domein; met Rebatet was dat nog niet het geval, het vermelde boek werd dus gepubliceerd mét toestemming van de rechthebbenden.

ecrits-polemiquesDat is niet het geval met een andere belangrijke heruitgave: Louis-Ferdinand Céline: Ecrits Polémiques, édition critique établie, présentée et annotée par Régis Tettamanzi (Editions8, Québec, 2012). In Frankrijk zul je dat boek dus tevergeefs zoeken in de boekhandels, zelfs via het internet zal het daar eerder moeilijk te krijgen zijn, wegens verboden. Waarschijnlijk niet enkel wegens het feit dat die teksten nog niet in het publiek domein liggen, maar ook wegens een nog steeds geldend verbod op heruitgave vanwege Céline zelf (impliciet) en vanwege zijn echtgenote (expliciet). In Canada is de termijn waarna een literair werk publiek wordt, slechts vijftig jaar (zoals het vroeger hier ook was, en zoals het hoort, zou ik zeggen), vandaar dat dit boek daar zonder enig probleem kon verschijnen.

Het bevat de drie grote antisemitische pamfletten van Céline (waarover ik hier al een tekst publiceerde) en de vier kleinere polemische teksten, eveneens in de integrale versie uit de jaren dertig en veertig, zonder enige korting of weglating. Ook de illustraties uit Bagatelles pour un massacre en L’école des cadavres werden overgenomen, illustraties die slechts in de herdrukken uit de oorlog voorkwamen. Het is eveneens een aardige kanjer geworden: zeshonderd bladzijden tekst en dan nog eens dikke driehonderd bladzijden inleiding, vooral veel voetnoten, een kleine lijst met argotuitdrukkingen, een bibliografie en een index. Alles bij elkaar genomen is deze uitgave heel wat wetenschappelijker dan die van Rebatet. Pagina na pagina worden niet enkel onduidelijke of contemporaine zaken en gebeurtenissen uitgelegd, de uitgever heeft ook zijn best gedaan om alle citaten uit Célines pamfletten terug te vinden, waarin hij trouwens aardig geslaagd is. Daar komt dan nog bij dat hij ook aan filologie doet, en zuivere druk- of taalfouten eveneens vermeldt.

Over die pamfletten zelf zal ik er verder maar het zwijgen toe doen, ik heb er, zoals gezegd, al over geschreven, en heb daar eigenlijk amper iets aan toe te voegen. Misschien enkel dit: dat het allesoverheersende gebruik van de hyperbool nog steeds tot resultaat heeft dat er sterk op mijn lachspieren gewerkt wordt. Maar ook: bij het herlezen vallen de herhalingen extreem sterk op, en zij hebben de neiging voor een sterke oververzadiging te zorgen, een beetje zoals na het bekijken van de meer dan twee uur durende film Triumph des Willens van Léni Riefenstahl.

Het eerste pamflet van Céline, Mea Culpa, heb ik toen niet besproken: het is een zeer korte tekst, die over zijn reis naar de Sovjet-Unie handelt. Zijn debuut was daar in het Russisch vertaald en hij kon zijn auteursrechten enkel ter plaatse opsouperen, vandaar zijn reis daarnaartoe. Ook de latere pamfletjes, drie in getal, zijn zeer kort; het belangrijkste lijkt me dat tegen Sartre, A l’agité du bocal. Sartre had hem verweten ‘verkocht’ te zijn, en dit is zijn antwoord daarop. Van enig antisemitisme is in deze pamfletjes uiteraard geen sprake meer.

De belangrijkste reden om deze teksten nu toch heruit te geven, zal wel het feit zijn dat ze hoedanook tot het oeuvre van Céline behoren; het antisemitisme was al eerder in zijn werk aanwezig (met name in het toneelstuk L’église) en in het latere werk zou dat gewoon vervangen worden door een ander, tegen de Chinezen gericht racisme (en moest Céline nu nog leven, dan zou hij zijn pijlen met aan absolute zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tegen de moslims richten – al dan niet terecht deze keer). Kwaad kunnen heruitgaven van dit soort teksten totaal niet, denk ik: extreem-rechtsen lezen amper, en hoe dit soort boeken iemand zou kunnen overtuigen, kan ik onmogelijk begrijpen. Enkel mensen die al volledig overtuigd zijn van die onzin, zullen het allemaal beamen.

000

mein-kampfHitler himself, zijn onleesbaar boek bedoel ik natuurlijk, ligt sinds begin van dit jaar wel degelijk in het publiek domein. Vandaar dat het Institut für Zeitgeschichte in München een kritische editie van Mein Kampf had voorbereid, die nu dus verkrijgbaar is. Alhoewel: de stommelingen hadden een paar duizend exemplaren laten drukken, maar de eerste dag hadden ze al 15.000 bestellingen binnen. Ik heb mijn exemplaar dus nog altijd niet gekregen, en kan er dus ook niets over zeggen.

Ook daarover was natuurlijk onenigheid: moeten we dat heruitgeven of niet?

moersDe meeste geleerden vonden van wel, waarbij ze uiteraard gelijk hadden. Zelf heb ik al een exemplaar van in mijn tienerjaren, en via antiquariatensites moet het gemakkelijk te vinden zijn. Bizar misschien, maar het is éen van de extreem zeldzame boeken waar ik ooit in begonnen ben, maar dat ik nooit heb kunnen uitlezen. En dat heeft absoluut niets met de inhoud te maken, maar alles met de (on)stijl. Timur Vermes heeft die stijl zeer goed weten te pasticheren in zijn schitterende Er ist wieder da. En zonder daarin te overdrijven gelukkig, anders zou zijn boek wellicht ook minder leesbaar zijn geworden. Overigens, tussen haakjes: blijkbaar heeft zeker in het begin, toen het boek verscheen, niemand gezien dat Vermes zowel zijn titel als zijn gegeven gehaald heeft uit een bundel stripverhalen van Walter Moers onder de titel Adolf; op de titelpagina zegt deze stripfiguur letterlijk: “Äch bin wieder da!!”

000

Ook in Vlaanderen worden bij tijd en wijle wel eens pamfletten geschreven. Eentje dat een beetje ophef heeft gemaakt is van de hand van Wim Van Rooy: Waarover men niet spreekt, bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam (Uitgeverij De Blauwe Tijger, Groningen, 2015). Dat ‘bezonken’ in de ondertitel mag gerust weggelaten worden, want het hele boek is alles behalve ‘bezonken’, eerder het tegendeel, hysterisch of zoiets. Van Rooy beweert dat het géén pamflet is, maar vermits het er wel alle kenmerken van vertoont, mag je ervan uitgaan dat het dat wel degelijk is.

van-rooyHet is trouwens in meer dan één opzicht verwant met alle vorige pamfletten die ik hier vermeld en kort besproken heb. Vooral met die van Céline, ook al bereikt de auteur nooit dezelfde stilistische kracht. Maar bon, dat kan moeilijk een verwijt zijn. Misschien eerder Riefenstahl: na lectuur van deze kanjer van meer dan zeshonderd bladzijden ben je eveneens murw geslagen, niet door de vele ‘waarheden’ die erin voor zouden komen, helemaal niet, verre van, maar door de voortdurende herhalingen van steeds maar weer hetzelfde. Waarbij de dubbelzinnigheid van een Céline afwezig is, helaas, want Van Rooy méént wat hij zegt. Van ironie of sarcasme heeft hij duidelijk geen kaas gegeten. Het maakt de lectuur uiteraard wel gemakkelijker, én gemakkelijker te weerleggen, voor wie dat zou willen.

Een eerste zaak die Van Rooy gemeen heeft met Rebatet, Céline, Hitler et tutti quanti is het feit dat ze allemaal, de een al wat meer dan de ander, geestelijk erg labiel waren c.q. zijn, om niet te zeggen: gewoon geestesziek, geestelijk soms gevaarlijk ongezond.

Bij Van Rooy uit zich dat door een dubbele obsessie: één betreffende de joden

[zelf schrijft hij dat woord systematisch met een hoofdletter; in het Nederlands bestaat dat onzinnige onderscheid, waarbij de kleine letter zogezegd de joden als geloofsgemeenschap aanduiden, de hoofdletter daarentegen de joden als ethnie (vroeger sprak men van ‘ras’, wat op hetzelfde neerkomt); nogmaals: een joods ras, of een joodse ethnie bestaat niet, dat is een door de nazi’s en hun voorlopers geschapen fictie; is jood diegene die in de Thora en afgeleiden (Talmoed, Mishna…) gelooft en daarnaar probeert te leven; houdt een persoon op daarin te geloven, dan houdt die persoon ipso facto op jood te zijn; hetzelfde geldt voor moslims en christenen]

en een volgende betreffende de islam en de moslims (hij maakt amper een onderscheid).

Zijn houding tegenover de joden komt wonderwel overeen met die van Céline, hij draait de munt enkel om: we zien de andere kant van dezelfde obsessie: voor Céline was de jood het absolute kwaad, voor Van Rooy het absolute goed. Ergens spreekt hij over een ‘frenetiek-pathologische bezetenheid’, en dat is volledig van toepassing op hemzelf en wat hij schrijft over de nazionistische entiteit. Hij gaat daarin verder dan de meest gewiekste zionist zelf, verder dan Netanjahu en zijn gangsterbende, en Michael Freilich beschouwt hij als een zacht ei. Het is van een bijna absolute krankzinnigheid, en er is geen plaats voor enige twijfel in de geest van Van Rooy. Soms wordt hij daarbij even smerig en even crapuleus als Rebatet; zo bv. wanneer hij stelt dat de bombardementen van Gaza en vooral de door de pers opgevoerde kinderen gewoon in scène zijn gezet. Eén citaat, dat zo weggelopen zou kunnen zijn uit het ranzigste strontblaadje uit de wereldgeschiedenis, Der Stürmer van de in Nürnberg terecht opgehangen Julius Streicher: “Dode Joden zijn erg en triest, maar bij de aanblik van levende Joden worden de ogen van de nieuwe antisemieten bloeddoorlopen.” (p.473)

Die nieuwe antisemieten? Dat is iedereen, werkelijk iedereen die ook maar het minste greintje kritiek durft uitbrengen op de nazionistische entiteit. Nee, ik maak er echt geen karikatuur van. De belangrijkste daaronder zijn ‘linkse intellectuelen’, van de generatie van 68 natuurlijk; die hebben immers de hele wereldpers in hun handen en zijn er enkel op uit alle misdaden van de islam goed te praten en de entiteit enkel maar misdaden toe te schrijven – misdaden die er in de kop van deze sieckegheest uiteraard geen zijn. En als joden of mensen van joodse afkomst kritiek hebben, dan zijn dat natuurlijk joodse zelfhaters in de traditie van Weininger. Het is gewoon hallucinant in al z’n krankzinnigheid.

Je vraagt je werkelijk af in welke wereld deze man leeft!? De Morgen en De Standaard bv. zijn in zijn ogen linkse tot extreemlinkse blaadjes, die er enkel op uit zijn kwaad te spreken van de entiteit. Hij moet wel een totaal andere krant lezen dan ik, want in die kranten zie ik enkel een mengelmoes van anekdotiek en propaganda – rechtse, neoliberale propaganda. Maar soms, heel heel soms lijkt het alsof uit de nevels van zijn ideologische paranoia toch een klein straaltje uit de werkelijkheid in zijn karpatenkop (een woordvondst van hem, die ik schitterend vind, zoals ‘europaat’, ‘linksemensenziekte’ en nog wel enkele) binnenkomt, bv. als hij het over Verhofstadt heeft:

“Verhofstadt is een radicale machtswellusteling vermomd als liberaal, een 68’er die de seculiere heilsverwachting van het individualisme aanbidt en die in de euro-adel werd verheven. Hij is de perfecte incarnatie van de samensmelting van liberalisme en gauchisme – vandaar de vanzelfsprekende samenwerking met een andere schreeuwlelijke 68’er, rode Danny ofte Daniël Cohn-Bendit.” (p.122)

Dit soort vermenging van juiste en valse zaken, van waarheid en onwaarheid is typisch voor de manier van schrijven van Van Rooy. Het valt overigens op dat hij hier voor een keer geen melding maakt van de joodse afkomst van Cohn-Bendit.

Een overeenkomst met Hitler en Rebatet is het feit dat hij zijn ziekelijke diatribes soms even onderbreekt om over zichzelf, zijn afkomst, zijn studies, zijn beroepswerkzaamheden, zijn lidmaatschap van de werkplaats Georges Beernaerts onder het Grootoosten enz. te schrijven. Hij doet dat veel, veel minder dan de twee andere, maar in elk geval voldoende om een beeld te krijgen van wie hij al dan niet is. Ook zijn belezenheid, die het hele boek door opvalt, hoort daarbij. Ofschoon die niet enkel geen waarde is op zich, maar blijkbaar zeer selectief is, zeker wat historische, sociologische, culturele studies betreft: wat tegen de islam ingaat is goed, wat er ook maar enig begrip voor opbrengt is slecht. Tertium non datur, weeral; een manicheïsme, zoals je het vandaag niet meer voor mogelijk houdt, en zoals je het waarschijnlijk enkel nog terug vindt bij de ziekegeesten van Daesh, Saoedi-Arabië en bij de islamofascist Erdogan en zijn aanhangers. Van Rooy is van 47 natuurlijk, dus van na de oorlog, maar over zijn ouders in de oorlog zwijgt hij in alle mogelijke talen? Toeval? Of bedoeld? En in dat laatste geval hoezo, waarom?

Erdogan et tutti quanti dus. Je hoeft mij niet te overtuigen dat die man een gevaar is voor Europa, dat hij bijna hardop droomt van een nieuwe Hoge Poort met hemzelf in de hoofdrol uiteraard; daartoe wordt hem trouwens niets in de weg gelegd door Europese machthebbers, want die laten hem vrolijk de Turken in Europa opstoken om toch vooral niet onderdaan te worden van de staat waar ze werken en wonen.

Laat mij voor een keer zeer duidelijk zijn: Van Rooy durft zichzelf zelfs niet ‘islamofoob’ te noemen. Ik doe dat wel: ik ben islamofoob zoals ik judeofoob en christianofoob ben: dat zijn nl. drie vormen van het ergste obscurantisme. Waarbij wel een onderscheid gemaakt moet worden: de joden doen hier geen vlieg kwaad en kennen totaal geen proselitisme; het christendom is zo goed als dood in onze contreien en voert zelfs amper nog achterhoedegevechten. Daarom is de islam de gevaarlijkste van de drie, en ik ben van oordeel dat die volledig in toom gehouden moet worden en aan banden gelegd. Godsdienstvrijheid moet de allerlaatste en de meest ingeperkte vrijheid van allemaal worden. De wet van 1905 in Frankrijk zou Europawijd ingevoerd moeten worden, én aangepast. Niet in de zin zoals de moslims dat wensen, maar in tegenovergestelde zin; er dient duidelijk en zonder enige mogelijkheid tot interpretatie gesteld dat een godsdienstige maatregel nooit ofte nimmer kan primeren op een gemeenrechtelijke regel en nooit zo’n regel kan vervangen. Mét de nodige effectieve straffen. Dat lijkt me de evidentie zelf.

Maar daarom hoef je de nazionistische entiteit op geen enkele manier te gaan goedpraten; in eén van zijn extreem weinige ogenblikken van inzicht (dat schijnt typisch te zijn voor sommige psychotici, dat heel soms toch weer een stukje werkelijkheid doorschemert doorheen de wanen) schrijft hij dat het westen de laïciserende regimes in het Midden-Oosten totaal gedestabiliseerd heeft. Dat klopt uiteraard, maar die verdeel-en-heers-politiek is uiteraard vooral goed voor de entiteit. Laat ze elkaar maar uitmoorden tot de laatste Syriër, denken die, en ze doen daar naar alle waarschijnlijkheid goed aan mee (und man siehet die im Lichte,/die im Dunkeln sieht man nicht). Kiska, Orban en de Polen weigeren moslims toe te laten, en ik denk dat zij in wezen gelijk hebben, want die zijn niet of amper assimileerbaar. Dat begint men elders in Europa ook langzamerhand in te zien.

Maar Van Rooy gaat natuurlijk veel en veel verder: op de eerste plaats maakt hij een totaal amalgaam door communisme, fascisme en islam in dezelfde zak te stoppen. Waarbij hij graag vergeet dat het in Frankrijk de PCF, in Nederland de PS was die het eerst op de problemen met moslims gewezen hebben; die werden daarop inderdaad monddood gemaakt met het nietszeggende woordje ‘racisme’; alsof de islam of de moslims als geheel een ras zouden zijn. Van dat soort politieke correctheid krijg ik ook het reetschurft. Maar het komt natuurlijk allemaal in zijn manicheïstische kraam te pas. Lieg er maar op los, er blijft altijd wel wat van hangen.

Islam en fascisme zijn duidelijk niet hetzelfde, ook al zijn er oppervlakkige overeenkomsten, zeker bij islamofascisten als Erdogan. De islam is op de eerste plaats een godsdienst, en daarbij hoort sowieso een bepaalde manier om naar de wereld te kijken, om de wereld te interpreteren, een wereldbeschouwing dus ofte een ideologie. Datzelfde vinden we ook terug in het christendom en het jodendom. En de genocidaire precepten in het heilige boek van deze laatsten, het OT dus, worden wel degelijk nog toegepast, op de eerste plaats door de veroveringen van de entiteit, en op de tweede plaats door hun politiek van wraak (jus talionis), principe dat totaal in strijd is met welke definitie dan ook van het op zich al twijfelachtige begrip ‘rechtsstaat’. Wat Van Rooy verder ook moge beweren daarover.

Zelf noemt hij zich regelmatig ‘liberaal’ in zijn boek, soms expliciet, soms impliciet. Maar wat hij daaronder verstaat, zegt hij niet. Dat hij van daaruit communisme gelijk stelt met fascisme is begrijpelijk; dat wordt voortdurend gedaan door mensen die enkel en alleen naar de oppervlakte, naar de vorm kijken, zonder zich ooit om de inhoud te bekommeren. Van Rooy heeft natuurlijk gelijk als hij stelt dat het fascisme ‘revolutionair’ en ‘socialistisch’ was, en zeer sterk gekant was tegen de burgerlijke ‘democratie’. Maar dat fascisme is wel degelijk dood; het fascisme van vandaag omarmt diezelfde ‘democratie’, is eerder conservatief, en vooral extreem, ja zeg maar extremistisch liberaal. Van Rooy past daar perfect in.

Totnutoe. Want wanneer je goed leest zie je ook een andere Van Rooy. Die valt ten eerste op door het voortdurende gebruik van het Duitse woord ‘Gutmenschen’. Het is een woord dat afkomstig is uit extreem-rechtse, zgn. ‘nieuw-rechtse’ kringen, en dat als scheldwoord bedoeld is voor eenieder die opkomt voor een beetje solidariteit of altruïsme. Het past dus volkomen in een totaal ranzige, liberale, egoïstische wereldvisie, de wereldvisie meer nog van het NV-A dan van het Vlaams Belang; ieder voor zich en God tegen allen, daar komt het op neer. En wie het niet haalt, die moet maar verrekken.

Daarbij komt dat Van Rooy enkele keren over Anders Breivik schrijft; dat is geen toeval, want beiden hebben dezelfde vijanden: de als bedreiging ervaren islam en de ‘linkse’ collaborateurs in politiek en media. Je kunt de ideologieën van beiden echt helemaal op elkaar leggen, er is geen enkel verschil. Van Rooy stelt weliswaar dat Breivik een waanzinnige was, maar dat zou hij ook van zichzelf moeten zeggen; veel meer dan zelfbescherming zie ik daar niet in.  De vraag die dan bij mij opkomt is: waar en wanneer en hoe zijn bij Breivik de stoppen doorgeslagen? En kan dat bij Van Rooy eveneens gebeuren? Hij is een pak ouder natuurlijk, maar hij heeft wel een zoon die blijkbaar nog krankzinniger is. Ik hoop dat de staatsveiligheid ook dat soort volk goed in het oog houdt, want daarmee kun je enkel maar je hart vasthouden.

Want hoe gevaarlijk de islam ook is, ik denk niet dat er snel een machtsovername zal plaats vinden. Houellebecqs dystopie zie ik niet zo snel werkelijkheid worden, ook al zou het fout zijn de moslims in Europa vandaag te vergelijken met de joden in de jaren dertig en veertig. Een zgn. ‘jodenprobleem’, waar zelfs linksen in geloofden, bestond toen helemaal niet. De meeste ‘joden’ waren immers geassimileerd, en ze werden door de nazi’s (en door Van Rooy in hun kielzog nogmaals) eerst tot ‘Joden’ gemaakt. Dat geldt niet voor de moslims; daaraan zijn al veel te veel toegevingen gedaan, en vooral: die hebben wél staten achter zich staan, waarvan je de politiek en de instellingen en de achterliggende godsdienstige ideologie enkel maar totaal en absoluut kunt verwerpen.

Overigens is het schitterend te lezen hoe hij over Breivik schrijft: ‘een combinatie van waanvoorstellingen en ideologie’, ‘de perverse wensen van een gestoorde massamoordenaar, die als neonazi veel psychologische gelijkenissen vertoont met de islam’, ‘links en de culturele en politieke elite bevinden zich in een permanent pathologische staat van cognitieve dissonantie’, enzoverder enzovoorts. Het is zonder meer duidelijk dat Van Rooy hier zichzelf beschrijft en niemand anders. Een meer dan geslaagd zelfportret dus.

Overdrijf ik? Lees dit eens: “Zelfs tijdens het grote woeden van de westerse wereld ten opzichte van de islam (voor het gemak noemt men het ‘islamisme’ – inderdaad een stupied onderscheid dat nergens op gebaseerd is, en enkel dient als zoethoudertje, fopspeen – PB) ontbreekt de meedogenloosheid om draconische maatregelen te treffen.” (p.77) Het lijkt een onschuldig zinnetje, temeer daar de belangrijkste woorden erin niet meer herhaald worden in de rest van het boek. Maar tesamen gelezen met het feit dat de auteur zich systematisch afsluit voor het leed van Palestijnen en andere slachtoffers van het westen daarginds, waardoor hij daar objecten van maakt (kakkerlakken, sprinkhanen, zoals de machthebbers van de nazionistische entiteit zelf zeggen), bewijst dit zinnetje hoe gevaarlijk de auteur van dit boek is. Iedereen die dat wil kan immers snel inzien waar die ‘meedogenloosheid’ op slaat en welke die ‘draconische maatregelen’ zijn: de relicten daarvan kunnen in Duitsland en Polen nog altijd bezocht worden. En natuurlijk zal Van Rooy op alle manieren loochenen dat hij dàt bedoelt.

De Vlaamse Breivik, en het is enkel wachten tot hij of een van zijn volgelingen de daad bij het woord voegt.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


7 + acht =