21.01.16 – Vuiligheidsdiensten 2

| Geen reacties

In 1993 en 1994 publiceerden Roger Faligot en Rémi Kauffer twee dikke boeken onder de gezamenlijke titel Histoire mondiale du renseignement (Robert Laffont, Paris – beide delen zijn nog verkrijgbaar); het eerste bevatte inderdaad dàt, terwijl het tweede gewijd was aan Les maîtres espions, waarbij de globale titel in dat tweede deel ondertitel geworden was. Voor eenieder die in het onderwerp geïnteresseerd is, zijn die twee boeken een noodzakelijk begin; daarna kan men verder studeren op specifieke onderwerpen daarbinnen.

histoire-mondiale-des-services-secretsVerleden jaar verscheen dan van Rémi Kauffer alleen: Histoire mondiale des services secrets (Editions Perrin, Paris, 2015), een kanjer van meer dan achthonderd bladzijden, die gedeeltelijk samenvalt met het eerste deel van de vroegere tweedelige uitgave, vaak zelfs letterlijk. De schema’s betreffende de samenstelling van de diensten ontbreken in de nieuwe uitgave, alsmede foto’s en documenten. En de tweede uitgave is uiteraard up-to-date gebracht. Je zou kunnen zeggen dat de nieuwe uitgave iets beknopter is (de tweedelige bevatte tesamen meer dan duizend bladzijden), maar toch is het mijns inziens niet nodig beide uitgaven te lezen bij wijze van introductie in het onderwerp: de laatste uitgave volstaat wel.

Na een inleiding en afgesloten door een korte conclusie bevat het boek vier delen, waarin dus de geschiedenis van de veiligheidsdiensten chronologisch geschetst wordt. Niet van alle diensten uiteraard, enkel van de hoofdrolspelers. Van de Belgische militaire dienst bv. wordt enkel gezegd dat hij pas bij het begin van de twintigste eeuw (dus met een vertraging van een goeie eeuw) werd opgericht, en dat er vanaf het begin sterke tegenstellingen bestonden met de staatsveiligheid, wat vooral onmiddellijk na de tweede wereldoorlog zeer sterk tot uiting kwam; verder gaat de auteur daar niet op in. De Belgische veiligheidsdiensten zijn zeer kleine spelers, en de militaire is daarenboven niet meer dan een afdeling van de Amerikanen (dat laatste zeg ik).

Het eerste deel, ‘Au fond des âges‘, bevestigt de wijsheid van Prediker dat er niets nieuws is onder de zon en dat inlichtingen en inlichtingendiensten embryonair al bij de Grieken en Romeinen aanwezig waren (waarschijnlijk al bij de pithecanthropus of nog eerder, voeg ik eraan toe). Maar de eerste echte diensten die naam waardig waren die van Venetië en van Groot-Britannië; ook al zegt de auteur dat niet zo expliciet, de reden ligt voor de hand: beide waren toen de belangrijkste zeevarende naties, hadden de grootste economische en strategische belangen en wilden die dus zo best mogelijk beschermen om hun macht (economisch op de allereerste plaats) te behouden en uit te breiden. Niks nieuws onder de zon, ook wat dat betreft, want een veiligheidsdienst die ‘waarden’ verdedigt (democratie en dergelijke…) moet nog uitgevonden worden.

Vanaf het begin waren blijkbaar twee zaken zeer belangrijk: desinformatie enerzijds en (de)cryptage anderzijds. Wat het eerste betreft, dat kun je nu nog regelmatig tegenkomen op de VRT, waar éne Jan Balliauw er onlangs in slaagde een lang item te zenden over het vliegtuig dat boven Oekraïne werd afgeschoten; hij voerde daar een inmiddels door iedereen als totale fantast gekende eenling op, die op basis van internet zijn anti-Russische fantasieën de wereld inspuit; niemand hecht nog enige waarde aan die totaal ontmaskerde man. Niemand behalve die Balliauw natuurlijk. En het belang van het tweede is nu nog steeds even groot; nee, geen onzichtbare inkt, maar app’s die door Daech ontworpen worden.

Plezierig om te vermelden is het gebruik van reisduiven. Het café van mijn ouders was ook het duivenlokaal van het dorp, en zodoende weet ik nog dat er terzake een militaire regelgeving bestond en dat er af en toe zelfs inspecties waren; en in Frankrijk is in de eerste helft van de jaren vijftig het geval bekend van Jacques Duclos die enkele reisduiven in zijn wagen had en alleen op grond daarvan de lik in kon. Pas in 1992 werd in Frankrijk de reglementering daarrond opgeheven. Ik durf wedden dat ze in België nog altijd bestaat. Even nagekeken en inderdaad: 24 JULI 1923. – WET ter bescherming van de militaire  duiven en ter beteugeling van het aanwenden van duiven voor bespieding. Ze is wel wat aangepast ondertussen, maar ze bestaat dus nog altijd.

In Brussel staat een groot monument ter ere van de militaire duiven uit de Eerste Wereldoorlog - Foto: Diana van den Broek

In Brussel staat een groot monument ter ere van de militaire duiven uit de Eerste Wereldoorlog – Foto: Diana van den Broek

Het tweede deel heet ‘Le miroir aux espions‘; inmiddels zijn we al in de twintigste eeuw aangeland, en met reden, want de rol van de inlichtingendiensten is waarschijnlijk nooit zo groot geweest als toen en nu nog.

Eerst komt de eerste helft van de eeuw aan bod, tot aan de koude oorlog, zeg maar, en heel veel van wat er geschreven wordt door Kauffer is door en door bekend: de vijf van Cambridge waar hij het uiteraard uitvoerig over heeft, de ontsluiering van Enigma, nee niet zozeer door de Engelsen die wat dat betreft pure leugenaars zijn, want zonder het voorafgaande werk van de Polen en de Fransen zou het wellicht niet gelukt zijn.

Ook Stalin had soms niet veel aan zijn spreekwoordelijk geworden paranoia: dat de aanhouding, veroordeling en terechtstelling van Toukhatschewski en een hele resem andere generaals en hogere officieren van het Rode Leger een gevolg was van manipulatie, wist ik, maar niet hoe dat juist in zijn werk ging: dat legt Kauffer zeer goed uit. Wat ik evenmin wist, is dat de persoonlijke secretaris van Stalin al vroeg naar het westen overgelopen was, zodat de Franse dienst door deze Boris Bajanow waarschijnlijk de best ingelichte ter wereld was wat betreft de leiding van de Sovjet-Unie.

Overigens blijkt er in die jaren dertig ook ooit een anarchistische geheime dienst bestaan te hebben! De enige ooit waarschijnlijk.

Velen, waaronder ik, zullen zich wellicht ooit hebben afgevraagd waarom de Gaulle toch zo tegen de Angelsaksen was en tot zijn laatste snik de toetreding van Groot-Brittannië tot de EG heeft tegengehouden. Eigenlijk ligt het antwoord voor de hand natuurlijk: hij vluchtte na de nederlaag in 40 naar Engeland en heeft daar de Engelsen en wellicht meer nog de Amerikanen leren kennen; vooral hun manipulaties en machtshonger ten koste van o.a. Frankrijk. Vandaar zijn houding:

“Le Général admettait – et encore, à contrecoeur – qu’on ait pu se trouver contraint de travailler sous l’Occupation avec les Britanniques, comme le feront certains de ses plus ardents fidèles d’après-guerre, à commencer par Marie-Madeleine Fourcade; mais avec les Américains, ça, jamais!” (p. 361)

Wat me ook opviel in dit deel is dat de auteur tot twee maal toe Stalin impliciet en zelfs expliciet gelijk geeft: ten eerste wat betreft het pact, dat blijkbaar inderdaad gesloten werd omdat de Engelsen en in hun kielzog de Fransen, Hitler naar de Sovjet-Unie wilden dirigeren. En op de tweede plaats wat de kwestie Joegoslavië betreft, waar Churchill en MI 6 het al heel vroeg goed konden vinden met Tito; wat natuurlijk de houding van de Kominform begrijpelijker maakt.

Hij gaat ook een eerste keer in op de rol en het belang van de Amerikaanse diensten: “Bref, si Franz Kafka en personne avait été chargé de rédiger la charte de la communauté américaine du renseignement, il y a gros à parier que le résultat n’aurait pas été pire.” (p. 375). Ook later in het boek, wanneer de Amerikanen veel belangrijker geworden zijn en op de opvolgers van Hitler en de zijnen lijken wat betreft het streven naar de wereldheerschappij, zegt hij voortdurend dat de Amerikaanse diensten uit klunzen bestaan die totaal onbekwaam zijn. Zo zouden ze noch Pearl Harbor noch de aanval op de twee torentjes hebben voorzien. Ik vraag me dat werkelijk af.

cia

Het derde deel behandelt een periode die ik en mijn leeftijdgenoten grotendeels zelf nog hebben gekend en meegemaakt, al dan niet erg politiek bewust: ‘Chaud comme la guerre froide‘, zo heet dit deel.

Ook hier vinden we weer zeer veel zaken die bekend zijn, tenminste voor degenen die de actualiteit gevolgd hebben en iets gelezen hebben i.v.m. contemporaine geschiedenis: dat de CIA zeer geïnteresseerd was in nazi’s en vooral de SS’ers, want die kenden natuurlijk het klappen van de zweep als geen ander. Het geval van Klaus Barbie is hier een metoniem voor alle anderen. En nee, bij de diensten uit het Oostblok was dat blijkbaar niet het geval. En de schrijver, Rémi Kauffer, is géén communist, zoveel blijkt wel uit zijn boek. Wat ik niet wist is dat de Rosenbergs toch schuldig waren aan de hen ten laste gelegde feiten; daar was ik blijkbaar nog een beetje het slachtoffer van vroeger binnengekregen propaganda. Het weze zo.

Uiteraard gaat de auteur ettelijke bladzijden lang door op wat ‘Gladio’ genoemd werd, de stay- behindnetwerken van de Nato. Het is immers inderdaad zo dat de koude oorlog op de eerste en belangrijkste plaats een oorlog was van geheime diensten tegen elkaar. Waarbij de auteur wel ‘vergeet’ te zeggen dat de diensten uit het oosten grotendeels defensief waren, die uit het westen grotendeels offensief. De opstand in Berlijn in 1953 is daar een goed voorbeeld van: er was inderdaad een grote ontevredenheid onder de bevolking, en de opstand was spontaan en echt. Maar onmiddellijk waren de provocateurs en saboteurs uit het westen daar om zo veel mogelijk olie op het vuur te werpen. Terwijl met name de DDR ook al sinds haar bestaan te maken kreeg met sabotages en zelfs bomaanslagen tegen belangrijke infrastructuurwerken (bruggen bv.). Dat zijn gewoon vaststaande feiten, maar Kauffer verkiest die niet te vermelden.

In dit deel komt overigens even de vermelding van België voor. En van de persoon van André Moyen – welbekend bij eenieder die de boeken over de moord op Lahaut gelezen heeft. Al werkzaam in de militaire veiligheidssector van lang voor de oorlog, verzetsman van de militaire veiligheid tijdens de oorlog, en medeorganisator van die stay-behindnetwerken na de oorlog, was het een man die heel, heel veel wist. In het tweede deel van het eerste boek van Kauffer (en Faligot) kreeg hij nog enkele bladzijden, gebaseerd op gesprekken met de persoon zelf. En wat lezen we daar: dat volgens hem zowel de CCC als de bende van Nijvel te maken hebben met ‘zijn’ dienst (plus de altijd aanwezig Engelsen en Amerikanen). Je kunt je afvragen waarom dat in de tweede uitgave niet meer vermeld wordt?

Ook in dit deel wordt de CIA bijna systematisch uit de wind gezet. Als het over het Condorprogramma in Zuid-Amerika gaat bv., en over de diepe samenwerking met de CIA, wordt gezegd: “Le tout avec un fort degré d’autonomie envers Langley, dont ces tortionnaires et assassins en uniforme qu’on n’ose appeler des soldats ont largement outrepassé les attentes.” (pp.598-599) Een tweede keer wordt iets dergelijks wat later gesteld: “ceux-ci ont contribué en toute inconscience à créer la bombe islamiste à retardement qui leur explosera plus tard entre les mains en même temps que les deux tours du World Trade Center.” (p.654) Wie het wil geloven, die gelooft het maar!

Wat ook opvalt zijn soms de gebruikte epitheta. Je moet echt grondig lezen om het te merken, want het gebeurt niet vaak, en meestal lees je over bijvoeglijke naamwoorden heen in boeken als dit. Stalin wordt een ‘pervers’ genoemd, de Russen in het algemeen ‘bloeddorstig’, maar voor de nazi’s bv. worden nooit dergelijke epitheta gebruikt, evenmin als voor de Amerikanen, zoals ik al zei.

In dit deel komt ook één keer voor wat ik als stompzinnige, platvloerse propaganda beschouw: nog in 1962 zou in de Sovjet-Unie een agent bij wijze van straf en voor de opvoeding van jonge recruten levend verbrand zijn in een oven. Ook hier geldt: wie het wil geloven, doet dat maar!

Belangrijker dan dit soort onzin is het feit dat ook binnen Europa de diensten elkaar meer dan eens gewoon tegenwerkten, en dubbel of driedubbel spel speelden. Kauffer legt dit uit aan de hand van de Algerijnse oorlog, toen bv. de BND zowel met de Fransen als met het FNL samenwerkte. Hetzelfde geldt trouwens voor de als steeds even perfide Engelsen en hun MI 6. Vertrouw nooit een geheime dienst of zelfs maar een enkel lid ervan. Het zijn en blijven niets anders dan vuiligheidsdiensten, zoals Montesquieu blijkbaar al wist: “L’espionnage serait peut-être tolérable, s’il pouvait être exercé  par d’honnêtes gens, mais l’infamie nécessaire de la personne peut faire juger de l’infamie de la chose.” (p.64) Eigenlijk nog heel braaf van Montesquieu, die in de 18de eeuw uiteraard nog niet weten kon hoe die diensten zich later zouden ontwikkelen.

Gladio

Gladio

In het laatste deel van het boek, ‘Un monde sans pitié‘, zijn we bij de dag van vandaag aangeland.

Het eerste dat opvalt is de grotere aanwezigheid van de Chinese en Japanse diensten, vooral de eerste. Dat spreekt eigenlijk vanzelf, want vandaag is China al de tweede grootste economie ter wereld; de focus van haar diensten ligt dan ook vooral op het vergaren van economische en technologische kennis. Bij de anderen is dat vaak ook het geval, maar in mindere mate. De US bv. blijven de meest offensieve dienst ter wereld inzetten, en dat is ten overvloede gebleken na de onthullingen betreffende de NSA, die letterlijk bij alles en iedereen meelezen en meeluisteren (ook hier uiteraard). Daarbij is de concurrentie tussen beide zeer groot, wat zich een eerste keer geuit heeft in de Joegoslavische burgeroorlog, toen de Nato het bestond de Chinese ambassade in Belgrado te bombarderen; en nee, dat was geen vergissing. Maar hoe dan ook, dat het economische weer duidelijker op de voorgrond treedt, bewijst dat het over economische en strategische belangen gaat, en over niets anders. Vroeger, vanaf het begin met Venetië en het toenmalige Engeland, was dat uiteraard eveneens het geval, maar zeer vaak, zeker in de twintigste eeuw, werd dat versluierd achter allerlei ideologische prietpraat over ‘democratie’, ‘socialisme’ en dergelijke. Dat gebeurt nu nog wel (zgn. ‘ humanitaire interventies’ – Orwell likt z’n lippen), maar toch minder -althans, dat is mijn indruk.

Eveneens opvallend is de terugkeer van nooit weggeweest van daadwerkelijke foltering ofte ‘interrogatoires renforcées’: “Un euphémisme inventé par les Israéliens, lesquels inspirent à l’époque par mimétisme leurs homologues américains, et qui cache mal la réalité de la torture.” (p. 759) Zo hoor je het ook eens van een ander.

De auteur is ook niet mals voor de BND, die vrolijk de weg van een bepaald verleden opgaat, zo blijkt (voor zover die door nazi’s gestichte dienst die weg ooit verlaten zou hebben):

“Considérant ce territoire de la Yougoslavie comme partie intégrante de leur sphère historique d’influence, les Allemands de l’Ouest renouaient en effet avec leurs anciens alliés de l’Oustacha, l’organisation terroriste croate d’extrême droite.” (p.701)

Een politiek die, zo voeg ik eraan toe, o.a. mee werd uitgevoerd door de groene straatvechter en waarschijnlijk indic van de politie Joschka Fischer (goed bevriend met die andere oude bekende uit Frankfurt, de pedofiele politieprovocateur Cohn-Bendit, die op zijn beurt dan weer goed bevriend is met de Belgische oorlogsstoker Verhofstadt – ‘gleich und gleich gesellt sich gern’ zeggen ze in het Duits). De BND heeft op dat soort zaken natuurlijk geen monopolie, alle dergelijke diensten zijn in al die bedjes ziek. Wat daarbij steeds opvalt is het zoeken naar juridische rechtvaardigingen voor die toestanden, naar regels die de leiders van de staat en van de diensten uit de wind kunnen zetten: sie haben es nicht gewusst. Bij de nazi’s gebeurde dat ook systematisch, door de minister van binnenlandse zaken Frick, een jurist die in Nürnberg werd opgehangen. De ‘parapluie juridique’ noemt Kauffer dat.

Op het einde van het boek gaat de auteur dan weer even dieper in op de reusachtige veranderingen in de techniek, die inmiddels hebben plaatsgevonden, en die we zelf natuurlijk ook allemaal kennen: gsm’s, internet, email enz. Het zijn zaken die rechtstreeks voortkomen uit militaire ontwikkelingen, en die het de diensten eigenlijk veel gemakkelijker maken om de gewone mens te bespioneren. De diensten zelf beschermen zich natuurlijk zo goed mogelijk, maar absolute bescherming is uiteraard onmogelijk. Hij eindigt met Snowden en Wikileaks, na eerst nog een propagandistische sneer te hebben uitgedeeld aan Caracas (‘le régime gauchisto-dictatorial de Caracas’ – een dictatoriaal regime dat zichzelf via verkiezingen laat afzetten, je moet het maar doen). Het is uit dat soort kleine opmerkingen dat we kunnen afleiden waar de schrijver zelf staat.

Zijn conclusie – waar ik wel achter sta – is duidelijk:

“L’emballement de cette machine de surveillance [de la NSA et pieces rapportées] est dû au fait que les dirigeants politiques ont perdu le controle des services de renseignements.”

Volgens mij hebben de regeringen en ‘de’ politiek nooit iets te zeggen gehad over die diensten; immers: regeringen en politici gaan, de vuiligheidsdiensten blijven.

NSA

°°°

Boeiend is eveneens wat er ontbreekt in dit boek; dat de Mossad weinig voorkomt, kan te wijten zijn aan het feit dat die dienst het gros van zijn geheimen binnenshuis weet te houden. Maar dat hij bv. het boek van Daniele Ganser over Nato’s secret armies niet eens opneemt in zijn bibliografie, laat staan dat hij in zou gaan op de onthullingen daarin, is wel degelijk een misser. Hij heeft het wel over Gladio, maar relatief weinig en geeft eigenlijk amper uitleg over de betrokkenheid van bepaalde diensten bij bomaanslagen met vele doden in voornamelijk Italië (Bologna) en Duitsland (Wiesn).

Ook komt de naam ‘Topaz’, aka Rainer Rupp in het hele boek niet voor. Dat was binnen de Nato de belangrijkste bron van de HvA van Markus Wolf, en die zorgde ervoor dat de Russen alle extreem geheime stukken van de Nato op hun bureau kregen voordat de leden van die oorlogsclub ze zelf onder ogen kregen. Op die manier heeft hij ook mogelijke gewapende conflicten in Europa zelf kunnen voorkomen. En vooral, heeft hij kunnen bewijzen dat de Nato wel degelijk van plan was om als eerste atoomwapens in te zetten bij een conflict. Je mag ervan uitgaan dat dit nu nog altijd het geval is.

Mijn eigen conclusie uit dit alles is duidelijk. Laat me eerst nog een citaat aanhalen:

“Corruption, financements électoraux illicites, déstabilisations politiques, infiltrations, manipulations mentales, soutien à des nazis en fuite, appui à des mouvements néofascistes, complots, terrorisme, putchs militaires, dictatures mises sur orbite, leaders politiques progressistes assassinés, chefs d’Etats réactionnaires à la botte…Telle est l’image d’elle-même que la CIA va donner à l’opinion publique américaine et mondiale au milieu des années 1970,…” (p.476)

Niet enkel de CIA, alle diensten zijn op dezelfde manier werkzaam: het zijn doodgewoon criminele organisaties, misdadigerssyndicaten, en het spreekt daarbij vanzelf dat je onderscheid moet maken tussen de straatboefjes en de Al Capone’s; en vooral tussen de defensieve diensten (zoals de HvA of de Belgische Staatsveiligheid) en de offensieve diensten zoals de CIA of de Mossad: dat zijn uiteraard de Al Capone’s. En het zijn vooral de defensieve diensten die wel eens aanslagen kunnen voorkomen (zie Verviers vorig jaar), terwijl de offensieve diensten eerder geneigd zijn ze uit te voeren en in andermans schoenen te schuiven, zoals de Service De Renseignement et d’Action dat in de jaren tachtig in België gedemonstreerd heeft.

Waarbij je altijd ook dit in het oog moet houden: “le mépris des maîtres du pouvoir envers ceux qui acceptent de servir leur pays dans l’ombre a quelque chose de stupéfiant parfois.” (p.784)

Je moet dus inderdaad al goed krankzinnig zijn om je met iets dergelijks in te laten.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


3 − 1 =