02.01.16 Parijs

| Geen reacties

De week voor kerstmis hebben we in Parijs doorgebracht. dat gebeurt wel vaker rond die tijd; de bedoeling is telkens om de belangrijkste najaarstentoonstellingen te bezoeken. We hadden weinig volk verwacht in de musea (in de metro was er opvallend minder volk dan andere jaren), maar dat viel een beetje tegen.

Wat wel meeviel was onze behuizing, een appartement (‘le loft d’artiste’) vlak bij de Porte Saint-Denis, in een erg drukke buurt, dat wel. Maar daar merkten we niets van, omdat je het appartement slechts kon bereiken via een lange gang; eens daar waren alle straatgeluiden verdwenen. In de nabijheid was ook al snel een stamkroeg gevonden, waar ze ons na twee dagen al kenden. Op een terras hebben we niet gezeten, wegens toch te koud.

loft-paris

Le loft d’artiste

De maandag van onze aankomst bezochten we al de eerste tentoonstelling: Fragonard amoureux, Galant et Libertin in het Musée du Luxembourg. het enige museum tijdens het hele verblijf, waar rugzakken verboden waren. Of ik al veel van Fragonard gezien heb buiten de illustraties in boeken, weet ik eigenlijk niet; een enkel aan hem gewijde tentoonstelling in elk geval niet. En het was wel de moeite waard, zeker voor een liefhebber van de Franse achttiende eeuw, de frivole en decadente tijd van voor de Revolutie.

’s Anderendaags bezochten we vooreerst het Musée de la vie Romantique, een klein iets afgelegen en minder bekend museum, waar echter een erg interessante tentoonstelling liep: Visages de l’effroi, violence et fantastique de David à Delacroix. De titel zegt het al: beelden bij wat men ten tijde van de romantiek ‘gothique’ of ‘gotic’ in ’t Engels noemde. Er wordt trouwens in de catalogus veel naar Engeland verwezen; en van de schilderijen die me bijgebleven zijn, zijn er wel wat die naar hét begin van de Engelse romantiek, het cultboek rond een gefingeerde figuur Ossian verwijzen, o.a. een mooi gecomponeerd beeld van Ingres.

Emile Signol (1804-1892), Folie de la fiancée de Lammermoor, 1850 (c) Musée des Beaux- Arts, Tours

Emile Signol (1804-1892), Folie de la fiancée de Lammermoor, 1850
(c) Musée des Beaux- Arts, Tours

In de namiddag liepen we dan rustig naar het Musée d’Orsay, voor de grote tentoonstelling over prostitutie in de tweede helft van de 19de eeuw: Splendeurs et misères, images de la prostitution 1850-1910. Eigenlijk viel dat een beetje tegen, maar dat zal wel eerder te maken hebben met het feit dat we daar de laatste jaren wel zeer erg verwend zijn geweest: met schitterende tentoonstellingen over de beeldvorming rond het mannelijk naakt (daar heb ik voor het eerste een echte Breker gezien), en daarna een rond Sade. Die twee waren zo goed en zo vol afwisseling dat het wel niet anders kon of het niveau moest een beetje dalen. Veel te veel Toulouse-Lautrec naar mijn zin, en dus te weinig afwisseling. Maar er waren uiteraard ook wel prachtige stukken te zien, zoals La Tentation van Cézanne, of La Madeleine van Béraud. Maar toch ook andere – als ik terug naar de catalogus kijk, valt het beter mee. Opvallend waren ook de hele en halve pornofoto’s uit die tijd. Op zichzelf zijn die hoogst oninteressant, maar je kunt zo wel goed zien hoe het lelijke van de werkelijkheid door kunstenaarshand wordt omgetoverd tot iets magnifieks.

Jean Béraud - La Madeleine chez le Pharisien

Jean Béraud – La Madeleine chez le Pharisien

De derde dag was de uitgebreidste: niet minder dan vier tentoonstellingen, twee in het Grand Palais en twee in het Petit Palais. En toch geen oververzadiging gevoeld, vreemd genoeg. Het begon met Picasso-mania, een tamelijk uitgebreid, rijk en afwisselend overzicht van de invloed die Picasso heeft uitgeoefend op zijn tijdgenoten-schilders, en vooral op de na hem komende generaties. Zodoende geeft het ook een goed, zij het synthetisch overzicht van recente evoluties in de kunst. Wat me vooral aansprak was een werk van een mij totaal onbekende Adel Abdessemed: Who’s afraid of the big bad wolf? Het hoort bij het hoofdstuk Guernica – wellicht het bekendste schilderij van Picasso zelf.

Adel Abdessemed: Who's afraid of the big bad wolf? - foto: BBC

Adel Abdessemed: Who’s afraid of the big bad wolf? – foto: BBC

Daarna naar het ernaast (of ertegenover) gelegen Petit Palais, waar twee tentoonstellingen met etsen en gravures te zien waren. Na Hokusai verleden jaar (of was dat twee jaar geleden al?) was nu de prachtige Kuniyoshi aan de beurt (Le démon de l’estampe); het was een uitgebreid overzicht van een kunstenaar die ik totaal niet kende; op het eerste zicht zag het ernaar uit dat het veel van hetzelfde was, maar die indruk ontstond waarschijnlijk omdat we daar te maken hebben met een cultuur die we amper of niet kennen; de catalogus spreekt immers wel een andere taal. En ik vermoed dat in de ogen van Japanners de andere tentoonstelling, Fantastique! L’estampe visionnaire de Goya à Redon, wellicht dezelfde indruk wekte – temeer daar hier alles in zwart-wit was, terwijl Kuniyoshi ook sprankelende kleuren liet zien. Veel van deze Europese tentoonstelling kenden we al (Rops, Redon, Goya uiteraard, maar ook Doré), maar er waren toch ook ontdekkingen bij: het nogal kitscherige L’Usure van Charles Rambert bv., of het pakkende Le Dernier Jour d’un condamné van Louis Boulanger.

Kuniyoshi

Kuniyoshi

 

"Les Spectres sans têtes", Louis Boulanger. Illustratie voor "Le Dernier Jour d'un Condamné" van Victor Hugo

“Les Spectres sans têtes”, Louis Boulanger. Illustratie voor “Le Dernier Jour d’un Condamné” van Victor Hugo

Daarna opnieuw naar het grote paleis voor Madame Vigée Le Brun, de hofschilderes blijkbaar van Marie-Antoinette. Daar was het meeste volk, en was er soms geen doorkomen aan; waarschijnlijk omdat het de eerste tentoonstelling ooit was van haar werk, ten minste in Europa. Volgens Diana hadden de schilderijen een zeer hoog koekendozengehalte, maar daar ben ik het niet mee eens (van veel werk van Fragonard daarentegen kun je wel met recht zeggen). Op enkele schilderijen na waren het enkel portretten die daar hingen, haar specialiteit. Maar zo’n kwaliteit, zo’n soms sprankelende echtheid – alsof de protagonisten zo uit het beeld konden stappen, de zaal in. Voor mij een hoogtepunt van het bezoek aan Parijs.

Vigée Le Brun

Vigée Le Brun

Er waren in de buurt van ons appartement heel veel eethuisjes, vooral oosters en midden-oosters. De eerste dagen ging dat gepaard met veel te veel drank, maar gelukkig gingen we de laatste twee avonden ergens in een galerij eten, waar enkel maar Indische en Pakistaanse restaurants waren. Het eten vond ik er zeer goed – én authentiek volgens Diana die meermaals in India geweest is en die keuken kent. Het waren blijkbaar echte moslims daar in Parijs, want alcohol stond op geen enkele kaart – zelfs niet geschonken in theepotten, zoals daarginds wel eens gebeurt, naar het schijnt. En zodoende kon ik rustig nog een glaasje wijn drinken op het appartement.

De laatste dag stond het Centre Pompidou op het programma. Enerzijds een overzicht van het werk van Wifredo Lam, die ik enkel van naam kende; (misschien had ik ooit wel iets van hem gezien: in de aan Leiris gewijde tentoonstelling in Metz, denk ik, die we in september bezochten). Het viel best mee, maar al bij al was hij toch wel een beetje inwisselbaar met andere surrealisten, vond ik.

La Jungla

La Jungla

De tweede tentoonstelling, aan Kiefer gewijd, sprak me veel meer aan. Er hingen schilderijen die we het jaar tevoren in Londen al gezieb hadden, maar ook veel nieuw werk, of werk dat in Londen niet te zien was. Kiefer is indrukwekkend, en niet enkel door de vaak reusachtige afmetingen. Vooral door de penetrante manier waarop hij de geschiedenis van Duitsland, en dan vooral de negatieve kanten daarvan, weet op te roepen; en door de donkere, duistere kleuren meestal, en door het rauwe materiaal dat hij gebruikt: veel lood in de sculpturen, en in de schilderijen is blijkbaar klei of zo gebruikt (iets dat hier volkomen past, maar met klei schrijven, zoals Heidegger en Mann vaak doen, dan leidt enkel maar tot oeverloze verveling), evenals stro en nog andere elementen. Kiefer is zonder tegenspraak een van de grootste en belangrijkste kunstenaars van dit ogenblik, veel meer zo dan Richter bv. (waar hij overigens op geen enkele manier mee te vergelijken valt – de ene een typische postmodernist, de andere eerder een neo-expressionist).

Die Orden der Nacht

Die Orden der Nacht

Margarethe

Margarethe

En daarmee was de week weer bijna voorbij. ’s Anderendaags kwamen we met een koffer zwaar als een atoombom van de vele catalogi terug thuis aan. En dan vergeet ik nog de verzamelde gedichten van Tsvetaeva, die ik kocht: de eerste volledige vertaling van haar poëzie, door iemand die haar werk door en door kent, twee delen van telkens bijna duizend bladzijden, en tweetalig. Si dieu le veut zal ik daar nog lang plezier van kunnen hebben.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijf × twee =