01.11.15 – De jonge Claus

| Geen reacties

In 1973 gaf de toenmalige uitgeverij Sonneville in Brugge onder de gezamenlijke titel Triagnose van een mythe drie boeken uit: eentje was gewijd aan (toen nog) van het Reve, en was van de hand van Hedwig Speliers; een tweede, van de hand van Rem Reniers poogde aan te tonen dat Guido Gezelle een vrijmetselaar was geweest: zelden een dommer boek gelezen dan dat, tenminste als de auteur dat meende (en blijkbaar deed hij dat).

Het derde was van de hand van éne toen zo goed als onbekende Georges Wildemeersch, en handelde over het werk van Hugo Claus: Hugo Claus of Oedipus in het paradijs, zo heette dat. Van de drie was het verreweg het beste en het wetenschappelijkste. Tenminste als mijn geheugen me niet bedriegt (ik heb halsbrekende toeren moeten uithalen om het uit een bovenste boekenrek te halen, waar het al decennia lag, samen met beide andere). Wildemeersch is zich verder blijven bezig houden met het werk en het leven van Claus, en heeft aan de UA zelfs een aan Claus gewijd centrum opgericht.

hugo_claus_de_jonge_jarenOok de recentste boekpublicatie van Wildemeersch handelt over Claus: Hugo Claus, de jonge jaren (Uitgeverij Polis, Antwerpen, 2015), en zowel als boek is het een opmerkelijke publicatie, als inhoudelijk.

Het is een boek in tamelijk groot formaat, en het bevat vooral zeer veel vaak bladzijdegrote illustraties, die het geheel sterk verlevendigen. Ook de tamelijk grote schreefletter maakt de lectuur aangenaam en vlot: ik heb het hele boek van meer dan driehonderd bladzijden op een dag uitgelezen, en dat gebeurt me niet vaak meer.

Inhoudelijk bracht het boek niet echt veel nieuws: het overgrote deel ervan was al in deelpublicaties verschenen, in kranten of tijdschriften. Of Wildemeersch dat alles bewerkt heeft, weet ik niet; uitgebreid in elk geval wel, zeker waar het sommige efemere publicaties betreft (zoals Claus’ prozadebuut bv.) waar weinig over geweten is.

Het boek is géén biografie van de jonge Claus ook al vertoont het wel degelijk trekken van de biografie. Dat heeft vooreerst te maken met het feit dat de auteur tien cruciale jaren uit het leven van Claus kiest, van begin jaren veertig tot begin jaren vijftig, en zelden of nooit daarvan afwijkt om achteruit of vooruit te kijken. De eveneens zo cruciale kostschooljaren bv. komen niet aan bod, en evenmin het openbare leven van Claus, dat eigenlijk pas goed begon na afsluiting van de door Wildemeersch behandelde periode.

Wildemeersch gaat expliciet uit van het literaire werk van de jonge Claus, van het eerste bekende gedicht tot de roman De hondsdagen (Claus’ tweede roman). Dat doet hij in zes grondig gedocumenteerde hoofdstukken, waarin het bekende werk puur chronologisch aan bod komt. In tegenstelling tot zijn eerste Clausboek gaat Wildemeersch daarbij amper thematisch te werk. Natuurlijk komen de typische Clausthema’s ook aan bod, maar de nadruk ligt er niet op.

Die ligt bijna volledig op de biografische achtergrond van de besproken werken. Zo wordt bv. nagegaan wie zich achter bepaalde figuren in de romans verbergt. Dat kan natuurlijk tot misverstanden voeren, omdat een romanfiguur, zelfs als ze geënt zou zijn op een bestaande figuur, daar nooit mee samenvalt. Maar de goede lezer weet dat natuurlijk zonder meer.

Opvallend lijkt me dat sommige zaken gewoon terugkeren, zo als de auteur het heeft over Claus’ eerste bundeltje Kleine Reeks. Een van de reeksen daarin is gewijd aan een gestorven geliefde, en ook in zijn eerste Clausboek ging Wildemeersch daarop in, zonder te weten te komen overigens om wie het ging. Dat weet hij nu nog altijd niet; het moet wel een van die zaken zijn waar Claus niets over kwijt wou, zelfs niet al fabulerend zoals hij dat zo graag deed en zo goed kon.

Maar belangrijk is dat niet uiteraard. Zoals je je in het algemeen de vraag kunt stellen bij het lezen van dit boek hoe belangrijk het is te weten dat de schilders in De hondsdagen allemaal trekken vertonen van schilders uit Claus toentertijdse Gentse omgeving. Het boek wordt er niet beter of slechter door, en die kennis draagt ook niet bij tot een beter begrip van de roman. Hetzelfde geldt trouwens grosso modo voor de gedichten; hoewel hier wel een belangrijke uitzondering is: Antonin Artaud in Claus’ tweede bundeltje, Registreren. Maar dat heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat Artaud daarin zeer expliciet vernoemd wordt, en zelfs opgevoerd als voorbeeld.

Terzelfdertijd is Wildemeersch’ boek ook een overzicht van het literaire en picturale leven in het toenmalige West-Vlaanderen, met uitlopers naar Brussel (soldatentijd, samen met o.a. Hugo Raes) waar hij ook al vlug contact kreeg met Jan Walravens; dat contact zou uiteindelijk leiden tot Tijd en Mens, maar dat is grotendeels een latere periode, ook al is het begin in de door Wildemeersch behandelde periode te situeren.

Zelf heb ik bij o.a. Jean Weisgerber gestudeerd, en het spreekt dus vanzelf dat ik Claus toen grondig bestudeerd heb. Ik ben ook de secundaire literatuur over hem blijven volgen, en lees regelmatig in zijn poëzie, niet enkel in de laatste grote verzameluitgave. Het meeste van wat Wildemeersch in zijn boek samenbrengt is mij dus bekend. maar dat belet niet dat het een grondige synthese biedt van alles wat over het werk van de jonge Claus, en over wat in die cruciale jaren belangrijk was in zijn leven, geweten is. Als zodanig is het gewoon een must voor iedereen die zich met dat werk wil bezighouden.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijftien − twaalf =