26.10.15 – Herman Portocarero’s familiekroniek

| Geen reacties

Patres nostri peccaverunt et nos flagellati sumus is een zin die al heel lang in mijn hoofd zit, maar waar hij vandaan komt, weet ik niet (meer). Nee, niet uit de vulgaat, dat heb ik nagekeken. Maar terzake, dat zinnetje drukt weinig anders uit dan een trend die waarschijnlijk in de hele geschiedenis van de mensheid terug te vinden is, nu eens sterker dan weer zwakker, nu eens letterlijk, dan weer figuurlijk. Het heeft met schuldgevoelens te maken, waar de nakomende generatie op de een of andere manier mee klaar moet zien te komen.

niklas-frankEen mooi voorbeeld daarvan, ook op literair vlak, zijn de boeken die Niklas Frank aan zijn vader (Der Vater, eine Abrechnung) en aan zijn moeder (Meine deutsche Mutter) wijdde. Hans Frank was de gouverneur-generaal van Polen tijdens de Duitse bezetting en als zodanig mee verantwoordelijk voor allerlei misdaden. In Nürnberg werd hij berecht, schuldig bevonden en opgehangen. Kom daar maar mee klaar als kind van! Niklas Frank is genadeloos zowel voor zijn vader als zijn moeder, en het feit dat hij schitterend schrijft, maakt die indruk op de lezer nog veel sterker natuurlijk.

Gaspard L.A. Portocarero was uiteraard van een heel ander kaliber, eerder een avonturier dan iets anders (zoals er zo velen waren onder de oostfrontstrijders, én onder de verzetslieden), en in elk geval een lichtgewicht in vergelijking met Frank. Hetzelfde moet gezegd worden over de andere collaborerende familieleden van de schrijver en diplomaat Herman Portocarero, zowel tijdens de eerste als de tweede wereldoorlog. Ook zijn moeder valt in niets te vergelijken met de roofzuchtige, inhalige moeder van Frank; enkel een zekere frivoliteit zullen ze gemeenschappelijk hebben gehad, maar misschien hebben wel alle vrouwen dat in mindere of meerdere mate.

Herman Portocarero: Collaboratie, fortuin en ondergang; familiekroniek 1914-1945 (Uitgeverij Van Halewyck, Kessel-Lo, 2015) is dan ook in een heel andere, een veel mildere toonaard geschreven dan de voornoemde boeken van Frank. Terecht, wellicht.

portocareroHet boek bevat twee delen en een belangrijke annex. In het eerste deel worden de met de Duitsers collaborerende slagers die de naam Portocarero dragen gevolgd, en hoe met name de grootoom van de schrijver een fortuin vergaarde door het handelen met vlees ten voordele van de Duitse bezettingstroepen tijdens de eerste wereldoorlog. Wat mij in dit eerste deel vooral verwondert, is het feit dat deze Portocarero’s na de oorlog überhaupt vervolgd werden. Het waren immers duidelijk economische collaborateurs, en zoals iedereen weet werden die meestal ongemoeid gelaten. De auteur gaat daar ook niet op in; hij houdt zich zeer strikt aan de feiten; zijn feitenrelaas baseert hij op een geschrift afkomstig van een familielid enerzijds, maar vooral op archief- en dossieronderzoek anderzijds. Waarbij hij wel probeert de vragen die dat onderzoek oproept te beantwoorden, maar hij geeft meer dan eens toe dat dat niet meer mogelijk is, enerzijds omdat je de motieven van de protagonisten niet echt kunt navoelen (zeker als er geen documenten zijn) en anderzijds omdat dat gebrek aan documenten soms ook lacunes laat in het feitenrelaas zelf.

Hoe dat ook zij, die grootoom week uit naar Nederland, en werd daar, niet ver van de grens, in Rosendaal met name, een soort kasteelheer. Blijkbaar heeft dat voor het kind en de jonge man Herman Portocarero een beetje mythische proporties aangenomen: “Een kasteel in Nederland behoorde voor mij, opgegroeid aan de onderkant van de maatschappij en vaak genoeg pijnlijk bewust van die sociale inferioriteit, tot de categorie van châteaux en Espagne.” (p. 14, ik cursiveer) Ik heb in dit kleine citaat die woorden gecursiveerd, die ik belangrijk acht voor een goed begrip van bepaalde politici in het bijzonder; ik bedoel wat ter Braak aanduidde als ‘rancuneleer’.  Men weet dat ter Braak daarmee het nationaal-socialisme zelf bedoelde, maar bij uitbreiding kun je het begrip toepassen op veel meer politici, vooral socialisten, vrees ik (éen van de mooiste voorbeelden van dat sociaal ressentiment is wel Willy Claes), maar ook veel Vlaams-nationalisten. In dat verband een ander citaat: “Ik slaag er pas vandaag in mijn overgrootvader en zijn generatie ‘te begraven’. Het Vlaams nationalisme slaagt daar blijkbaar nooit in met zijn eigen hinderlijke grootvaders.” (p. 159) Iedereen begrijpt natuurlijk dat dat een sneer is naar Bart de Wever. En terecht.

Op dit ogenblik is deze laatste samen met zijn broer wellicht het beste voorbeeld van hoe je met een belast verleden om kunt gaan: Bruno De Wever heeft helemaal afstand genomen van elk nationalisme, het Vlaamse voorop, hij heeft uit de door hem bestudeerde geschiedenis veel geleerd. Bart de Wever is een rancuneus ventje vol onverwerkte ressentimenten, en dat alleen drijft hem politiek, niets anders. Misschien is hijzelf geen echte fascist, maar een Peter Dedecker (een echte kloon van Degrelle en zijn schandaalpolitiek) en madame Stalin in De Wevers partij zijn dat zeer zeker wel. Enkel de vorm is veranderd tegenover de jaren dertig – kan het trouwens anders!?

Herman Portocarero sluit veel meer aan bij Bruno dan bij Bart; ook hij verwerpt expliciet nationalismen, wellicht ook doordat hij via zijn beroep zelf meer dan eens heeft kunnen ondervinden hoe ziek en ziekmakend nationalisme is. Ook Portocarero stelt meermaals duidelijk en zonder restricties dat hij het gedachtegoed van zijn familie verwerpt; dat belet hem niet om begrip op te brengen voor zijn avonturier van een vader en zijn volgzame moeder. Wellicht kun je dat pas echt doordat je afstand neemt van hun verleden en hun gedachtengoed. Hij schuwt daarbij ook de pijnlijkste mogelijkheden niet: vader Portocarero was lid van de Vlaamse SS en vocht als zodanig aan het Oostfront; maar de zoon houdt ook rekening met de mogelijkheid dat hij voorheen, bij het begin van de bezetting, mee kan hebben gedaan met jodenrazzia’s in Antwerpen – ook al is daar blijkbaar geen bewijs van. Het bewijst hoe objectief de zoon terugkijkt naar het belaste verleden van zijn familie. Maar ook natuurlijk hoe veel afstand hij er intussen van genomen heeft.

Waar hij meer moeite mee blijkt te hebben is het ‘negationisme’ van de vader. Nochtans is dat zeer gemakkelijk te begrijpen: de schuld is zo groot dat ze onmogelijk kan bestaan, dat is het begin van een quasi totale verdringing. Ik zet dat woord vet, omdat het een van de basisbegrippen uit de psychoanalyse is, en omdat een vorm van verdringing bij bijna eenieder voorkomt; het is werkelijk een universeel verschijnsel, en het ligt m.i. ook aan de basis van het ‘negationisme’. Zelfs bij een Paul Rassinier, ‘uitvinder’ van het ‘negationisme’ kun je dat proces duidelijk terugvinden.

Erg expliciet – en dus niet helemaal diplomatisch ? – zijn ook enkele conclusies die Herman Portocarero trekt uit zijn familiegeschiedenis, én wellicht ook uit zijn diplomatenberoep. “De veiligste manier om politiek en politici te beoordelen is, naar mijn ervaring, volledig cynisme. Vind je dan een uitzondering, zoveel te beter.” (p. 96). Veel duidelijker kun je al niet zijn wat het politicaille betreft; en Portocarero kan het veel beter weten dan ik. Maar als hij ‘veilig’ gebruikt, en stelt dat je altijd onder de oppervlakte moet kijken en officiële waarheden systematisch moet wantrouwen, dan zie je daar toch ook een vorm van verzet aan het werk, verzet tegen de autoriteit van – in laatste instantie! – de vader, en al zijn opvolgers. Uiteindelijk leidt dat zelfs tot een erg integere vorm van zelfkennis:

“Collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog kon ideologie inroepen. Wie echt geloofde in de Nieuwe Orde, hoe bloedig en genadeloos ook te realiseren, had misschien een excuus – al heb ik dat voor mezelf nooit echt geloofd, en was het dragen van zwarte uniformen voor mij eerder een legitimering van slechte instincten. Ik weet dat, omdat die instincten genetisch ook de mijne zijn, en ik ermee geleefd heb. Onze nieuwe kleine fascistjes (de Bart de Wevers, de Peter Dedeckers, de madammen Stalin et tutti quanti – PB) begrijpen wellicht niet welk beest ze in zich dragen, gelijk of zij nu jihadisten of racisten zijn. Ik wel.” (p. 160)

Een dergelijke instelling is mij uiteraard volledig uit het hart gegrepen, ook al ben ik van oordeel dat het uiteindelijk de omstandigheden zullen zijn, die in laatste analyse bepalen hoe die ‘slechte’ instincten zich zullen uiten – als ze dat al überhaupt doen. Er zijn wat mij betreft wel omstandigheden denkbaar waar je niet anders kunt.

Maar voor de auteur is dit uitgangspunt wellicht oorzaak van een scherpte aan inzicht die je bij diplomaten niet zo zeer verwacht, maar eerder soms bij schrijvers. tenzij een combinatie van de twee voor nog scherper inzicht zorgt (maar dan moet ik weer aan Claudel denken, en moet ik zeggen: nee, toch niet). Bij Portocarero is dat hoe dan ook het geval. Hij komt in de loop van zijn boek regelmatig zelf tussen, om commentaar te geven vooral, maar ook om hedendaagse politieke problemen te vermelden. Zo stelt hij, op een even diplomatieke wijze:

“In heel het Midden-Oosten en Noord-Afrika wordt ons de rekening gepresenteerd van de arrogantie van onze voorgangers in de politiek, verergerd door de imbeciliteit en de pathetische kortzichtigheid van hun hedendaagse opvolgers.” (p. 156)

Daarmee is natuurlijk alles en niets gezegd, maar toch iets meer ‘alles’. Hetzelfde wanneer hij expliciet stelt dat in 1989 Hitler uiteindelijk zijn oorlog toch nog gewonnen heeft. Als ik dat zeg, word ik uitgelachen; en ik zeg dat al heel lang; vandaar dat het mij zeer veel plezier doet het ook eens te mogen lezen uit de pen van iemand anders, iemand die niet verdacht kan worden van welke politieke aberraties ook.

Het corpus van het boek zelf wordt gevolgd door een aantal voetnoten, en door een annex over de geschiedenis van de familie Portocarero. Beide zijn leerrijk én interessant.

Zoals men weet is Herman Portocarero gedebuteerd als schrijver met een in het Frans geschreven novelle: La combine de Karachi. Slechts daarna is hij overgeschakeld op het Nederlands. Wat dit laatste betreft zijn er in de Nederlandse letteren wel meer voorbeelden te vinden, maar dan steeds rond de vorige eeuwwisseling: Cyriel Buysse is een goed voorbeeld. Maar zou het in het geval van Portocarero niet al een zich afzetten tegen het milieu, tegen de afkomst, tegen het familieverleden kunnen zijn, die hem dwong in het Frans te schrijven? Maar waarom is hij dan zo snel overgeschakeld naar het Nederlands? Het Frans van dat boekje was immers helemaal niet zo slecht?

Omdat de vormen van fascisme zich altijd weer aan de veranderende werkelijkheid aanpassen, maar vooral natuurlijk omdat die laatste (?) oorlog op vooral Europese bodem, en in elk geval uitgaand van Europa zo’n impact heeft gehad, zal het misschien nog wel een hele tijd duren vooraleer die oorlog en zijn gevolgen definitief tot de geschiedenis zal behoren; als de ‘nieuwe’ nationalistische stromingen niet voor opvolgingsrampen zullen zorgen tenminste. Boeken zoals dat van Portocarero zijn voor wat de verwerking van dat beladen verleden betreft eerder zeldzaam, waarschijnlijk omdat ze enerzijds zo objectief en onverbloemd zijn, maar anderzijds ook omdat ze zo scherp zijn in het detecteren van mogelijke nieuwe oprispingen van hetzelfde maatschappelijke zuur.

Een dergelijk boek verdient het om veel gelezen en besproken te worden.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


3 × 3 =