22.10.15 – Politieke poëzie

| Geen reacties

Politiek en poëzie, en zeker politieke poëzie: er zijn nogal wat controverses daarrond geweest, zeker in de wellicht politiekste van alle eeuwen, de vorige, de twintigste. Nochtans hebben dichters altijd, vanaf het prille begin, politieke standpunten ingenomen, zich bemoeid met het bestuur van de polis, partij gekozen in conflicten. In de Nederlandse poëzie bv. was Maerlant een duidelijk politiek dichter; hetzelfde, maar nog sterker wellicht, moet gezegd worden van Anna Bijns, en later Vondel. En in die twintigste eeuw hebben de meeste dichters hier of daar, nu of dan wel een politiek vers geschreven, zelfs degenen waar je het niet zou gaan zoeken.

sartoriusJoachim Sartorius: Niemals eine Atempause; Handbuch der politischen poesie im 20. Jahrhundert ( Kiepenheuer & Witsch, Köln, 2014) is wat dat betreft een voorbeeldige anthologie. Het woord ‘Handbuch’ in de ondertitel zou erop kunnen wijzen dat de samensteller het minstens voor een deel ook als een leerboek beschouwt: ‘hoe schrijf je politieke gedichten?’ Maar de vraag is natuurlijk: kun je dat leren? hangt het niet zo sterk met de persoonlijkheid samen, dat je enkel maar kunt vaststellen dat die wel en die niet middels zijn/haar gedichten politieke statements maakt?

De twintigste eeuw is waarschijnlijk de ergste, de wreedste, de moorddadigste, de smerigste, de onmenselijkste geweest uit de hele geschiedenis van de mensheid (enkel de 21ste zal, zo vrees ik, nog veel erger blijken te zijn, al was het maar omdat er iets bij komt dat er in de vorige niet was: door de mens veroorzaakte natuurcatastrofes, waar geen enkele machthebber iets tegen wenst te doen).

Na een beknopte inleiding volgen negentien hoofdstukken, die gaan van de genocide op de Armeniërs bij het begin van de vorige eeuw tot de oorlog in Bosnië op het einde van die eeuw: één enkele eeuw van oorlog en oorlogszucht, en het poëtische antwoord daarop. Het laatste hoofdstuk hoort er echter niet echt bij: ‘die grüne Utopie’ heet dat hoofdstuk, en zoals de titel al suggereert, gaat dat over het klimaat en de klimaatveranderingen. Maar die behoren, zoals gezegd, eerder tot de huidige eeuw. Maar zodoende wordt wel de tendens voor de toekomst vastgesteld, en wordt de brug geslagen van de ene naar de andere eeuw.

In een ‘Anhang’ worden nog enkele gedichten gepresenteerd van ‘despoten’, afkomstig uit het boek Despoten dichten, dat ik hier eerder besprak. Het gedicht van Mussolini is daarbij misschien het meestzeggend: het heet niet voor niets ‘Baboeuf’, en dat er twee maal in de korte tekst sprake is van ‘wraak’ duidt op het (onbewuste) ressentiment dat bij heel veel politiekers, vooral van linkse signatuur zoals de jonge Mussolini aanwezig is (bij ons kun je denken aan een Willy Claes, die gelukkig geen gedichten schrijft).

Voor de rest is de anthologie zeer gevarieerd en zeer rijk: 110 dichters uit vijftig landen (de Nederlanden en België zijn daar niet bij), dat kan uiteraard niet anders dan een grote variatie opleveren. Het eerste dat daarbij opvalt is de afwezigheid van overslaande stemmen, van pathetiek, zoals je die bij politieke lyriek wel eens tegenkomt (bij de volgens mij over het paard getilde Majakowski bv.); maar ook de echte zgn. ‘strijdlyriek’ is afwezig. Daarmee bedoel ik gedichten die expliciet bedoeld zijn om in de strijd gebruikt te worden, bij voordrachten bv. om massa’s op te zwepen, of als ze op muziek werden gezet, als liederen. Erich Weinert is wellicht het bekendste voorbeeld daarvan, en hij komt terecht in de anthologie niet voor.

Het spreekt vanzelf dat zelfs voor een gedichtenlezer als ik er veel nieuws te rapen valt; er zijn bijna evenveel dichters die ik niet ken (vooral van buiten Europa moet ik toegeven) als die ik wel ken. Ook in die zin kun je het woord ‘handboek’ begrijpen: de anthologie geeft een overzicht niet alleen van gebeurtenissen en de reacties daarop, maar evenzeer van de vele vormen waarin gereageerd kan worden: van de brede, gedragen soms aan Whitman herinnerende vrije verzen, tot de gebonden, en zelfs versleutelde poëzie van een Paul Celan (die inderdaad ook ‘geëngageerde’ gedichten schreef; éen van de eerste doctoraten over zijn poëzie ging daar trouwens over: Marlies Janz: Vom Engagement absoluter Poesie). En alle vormen daartussen; ook wat dat betreft is het een rijke bloemlezing.

Wat eveneens opvalt is dat er zo weinig anticommunistische gedichten voorkomen; nochtans is de samensteller alles behalve een communist, hij was jarenlang diplomaat in dienst van de BRD. Er is bv. een hoofdstuk ‘Hitler und Stalin’, maar daar komt maar één Stalingedicht in voor: het bekende van Mandelstam. Enkel in ‘die Stunde Null’ komen er nog enkele voor. Eén daarvan, van de hand van de mij voorheen totaal onbekend Hongaarse dichter Györgi Petri, vind ik schitterend. De titel doet een ernstig gedicht vermoeden, maar de ontluisterende spreektaal is heel anders: er blijkt uit wat van ‘der grosse Oktober’ zoals Brecht de Russische revolutie nog noemen kon, inmiddels in de ogen van een latere generatie geworden is:

In memoriam Leonid Iljitsch Breschnew

Der alte Trottel mit dem schiefen Mund
ist abgefahren,
die russisch-ungarische Monarchie
geht allmählich zu Ende.
Jaru und Ceau, die beiden Friedhofswärter
mit dem bösen Blick,
Konkursverwalter Osteuropas,

überlegen, ob es ein Trinkgeld gibt.
Sie tändeln und trödeln mit den Kränzen.
Sie lauschen: Vielleicht werden schon
Salutschüsse abgefeuert.
Jedenfalls ist er tot: den grossen Oktober
wird er nicht mehr hervorholen
aus seinem beseichten Hosenschlitz.” (p. 172)

Dat is van een prachtig cynisme dat hier misschien wel denkbaar is, maar grotendeels onvindbaar; hier geven de machthebbers dan ook geen jota om poëzie en mag iedereen in poëticis alle machthebbers vrolijk uitschelden; er is toch geen kat die ernaar luistert, laat staan er rekening mee houdt. Dat was aan de andere kant van het gordijn wel even anders. Wat natuurlijk niet betekent: beter.

Voor poëzielezers een aanrader, dit boek, alleszins.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


drie × twee =