17.10.15 – Victor Klemperer

| Geen reacties

Iedereen die een beetje op de hoogte is zal Victor Klemperer wel kennen, op de eerste plaats als auteur van dagboeken, op de tweede plaats als auteur van een vulgariserend filologisch werk over de taal van de nazi’s: LTI. Het bekendste van die dagboeken is wel dat uit de periode 1933 tot 1945, dat overigens ook in het Nederlands werd vertaald (als ik me niet vergis). Je kunt er haarfijn in volgen hoe de nazi’s met de joden omgingen (Klemperer werd als jood beschouwd door de nazi’s wegens zijn afstamming, maar hijzelf beschouwde zich als een Duitse protestant, en dus uitdrukkelijk niet als joods), hoe zij meer en meer uit het leven en de maatschappij verwijderd werden, tot de uiteindelijke dood in Sobibor of elders. Dank zij zijn ‘arische’ vrouw is Klemperer daaraan kunnen ontsnappen – gelukkig voor hen, maar ook voor ons, lezers.

Ik mag dat natuurlijk niet zeggen van de politiek-correcte roedels, maar je kunt de maatregelen van de nazi’s tegenover de joden, zoals beschreven in dat dagboek, naast de maatregelen van de nazionisten ten opzichte van de Palestijnen stellen; op de uiteindelijke snelle genocide na, zijn er géén wezenlijke verschillen.

klempererEn nu heeft het Aufbau Verlag een nieuw ‘dagboek’ gepubliceerd: Victor Klemperer: Man möchte immer weinen und lachen in einem; Revolutionstagebuch 1919 (Aufbau Verlag, Berlin, 2015). Ik zet het woord ‘dagboek’ tussen aanhalingstekens, omdat die omschrijving niet klopt, maar enkel met reclame vanwege de uitgever te maken heeft. Het niet zo omvangrijke boek bevat immers, door elkaar, twee soorten teksten: op de eerste plaats bijdragen in het dagblad Leipziger Neueste Nachrichten. Dat was een erg conservatief en contrarevolutionair burgerlijk dagblad; Klemperer, die toen privatdozent was in München, is eerder toevallig daar terecht gekomen en zijn medewerking heeft ook niet heel lang geduurd.

Het andere deel bestaat uit herinneringen, die hij in 1942 neerschreef en die soms woordelijk overeenstemmen met de stukken uit de krant. Beide teksten werden niet eerder gepubliceerd.

Klemperer was alleszins een begenadigde toeschouwer én stilist, die het waargenomene op een aangename manier wist te verwoorden, en die daarbij zijn eigen mening niet onder stoelen of banken stak. Die mening kwam voor een deel wel overeen met die van de krant waarvoor hij schreef, maar toch niet helemaal. Hij was vooral milder voor die revolutionairen die hij persoonlijk leerde kennen, zoals de eerste minister-president van de vrijstaat Beieren, Kurt Eisner, een linkse sociaal-democraat (vergelijkbaar met wat vandaag de dag Die Linke heet in Duitsland); of de anarchist Gustav Landauer. De eerste werd doodgeschoten, de tweede doodgeknuppeld door wat indertijd terecht ‘de bloedhonden uit Berlijn’ genoemd werd, dwz de socialistische regering aldaar, met als belangrijkste figuur Noske. Die deden dat natuurlijk niet zelf, maar lieten dat doen door zgn. ‘Freikörpse’, waarvan sommigen toen al een hakenkruis droegen.

Klemperer weet ook goed te schetsen hoe de verschillende revolutionairen tegenover elkaar stonden, waarbij vooral de tegenstelling tussen de belangrijkste communisten Levien en Leviné, en de anarchisten Mühsam en Landauer op de voorgrond trad. Maar belangrijker lijkt me de houding van de inwoners zelf van München; blijkbaar zagen die het hele schouwspel zeker in het begin aan als een soort spektakel, dat eerder op de lachspieren werkte dan op iets anders. ‘Schwabing spielt Weltrevolution’, zo zegt de auteur het zelf, en wanneer je de belangrijkste figuren een beetje kent, weet je dat dat klopt: het waren zonder uitzondering bohemiens, die vanuit café Stefanie een beetje revolutie gingen spelen. Overigens, blijkbaar was dat ook een geliefd spel bij de kinderen in die tijd.

Maar toen de troepen van Noske de stad naderden en innamen werd het natuurlijk wel even ernstig, en vielen er vele doden, vooral bij de revolutionairen en de arbeiders. Degenen die konden vluchten en het er zodoende levend afbrachten, zoals Mühsam, hadden geluk. Maar dat was slechts uitstel natuurlijk; Mühsam bv. werd in 1934 opnieuw aangehouden en direct vermoord.

Ook het antisemitisme van de bevolking is een opvallend iets. Klemperer zelf heeft er, zo zegt hij, persoonlijk geen enkele last van, maar hij stelt wel vast hoe diep dat in de volksgeest aanwezig was. Letterlijk alles was de schuld van de joden, de revolutie van Jan Klaassen op kop natuurlijk. Dat lijkt me een van de belangrijkste vaststellingen; wij weten immers waartoe het geleid heeft, Klemperer wist dat uiteraard (nog) niet.

Het is wel vreemd; de auteur stelt zich in deze bijdragen op als een uitgesproken liberaal, die misschien meer conservatief dan progressief was; en uiteindelijk is hij geëindigd als lid van de KPD. ’t Kan inderdaad verkeren.

En voor zover we dat nog niet wisten leren we ook dat een revolutie kan beginnen als een komedie van enkele goedmenende onnozelaars (Landauer is een typevoorbeeld daarvan, zijn houding als zeer kortstondige minister van onderwijs is vaak hilarisch), maar even snel kan overgaan in een zware tragedie. Zoals toen in München gebeurd is. Natuurlijk is het gemakkelijk naderhand vast te stellen dat het nooit had kunnen lukken, zo’n revolutie. Maar zelfs de deelnemers zelf hadden beter kunnen weten als ze wat meer met hun beide voeten op de grond hadden gestaan. Hoed je voor mensen die hun wensen voor werkelijkheid nemen.

Maar hoe dan ook een boeiend boek, dat je snel leest. En waarbij je ook als lezer vaak niet weet of je moet lachen of schreien; of alleen maar met je hoofd schudden, en je afvragen of dergelijke gebeurtenissen ook nu nog mogelijk zouden kunnen zijn.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


5 × 2 =