05.10.15 – Memento mori

| Geen reacties

Sinds een jaar of tien ben ik lid van Die europäische Totentanzvereinigung met zetel in Bamberg, Duitsland. Nee wij komen niet samen op kerkhoven, bij middernacht, om op scabreuze muziek rare dansen uit te voeren. We zijn geen Gruftis, hoe sympathiek me die ook zijn. Een keer per jaar vindt er ergens in Duitsland een samenkomst plaats, waarbij specialisten op het gebied van dodendansen voordrachten houden, en dat gaat gepaard met een of enkele uitstapjes naar dodendansen in de buurt. Verder verschijnt er elke maand een blaadje met korte teksten en aankondigingen van tentoonstellingen en/of publicaties. Vroeger verscheen er ook een jaarboek, maar na het twaalfde is dat niet meer gebeurd. Wat heel erg jammer is.

Waarom word je lid van een dergelijke vereniging als je geen specialist terzake bent, niet eens opgeleid in de kunstgeschiedenis, maar wel in de germanistiek? Ook in de letterkunde komt de dood natuurlijk voortdurend terug, en ja, ook daar vind je regelmatig dodendansen in woorden (al dan niet vergezeld van afbeeldingen).

Maar misschien moet er een kleine voor de rest ongevaarlijke obsessie met de dood aanwezig zijn? Ik weet het niet, maar wat ik wel weet is dat die (on)genode gast al heel vroeg aan mijn zijde verschenen is en die ook nooit meer verlaten heeft, ook al ben ik mij niet voortdurend van zijn aanwezigheid bewust. Angst boezemt hij mij niet in, of toch amper, en in elk geval veel, veel minder dan mijn medemensen.

Vandaar ook wellicht dat ik graag boeken koop over de dood, bloemlezingen uit poëzie natuurlijk; wetenschappelijke boeken over en (her)uitgaven van bekende of minder bekende dodendansen; en meer in ’t algemeen cultuurhistorische werken over alle mogelijke en onmogelijke aspecten van dood en sterven.

Bij de mij tot voor enkele jaren totaal onbekende Amerikaanse kunsthistoricus Paul Koudounaris ben ik wat dat betreft in het beste gezelschap.

Zijn eerste boek kreeg ik in 2013 cadeau; het heette The empire of death, a cultural history of ossuaries and charnel houses (Thames & Hudson, London, 2011); in datzelfde jaar verscheen ook al zijn tweede, dat beperkter van opzet was: Heavenly bodies; cult treasures & spectacular saints from the catacombs (Thames & Hudson, London, 2013); om tenslotte te eindigen met het dit jaar verschenen Memento Mori, the dead among us (Thames & Hudson, London, 2015). Naar eigen zeggen zou dit ook het laatste zijn in die reeks.

paul-koudounaris

Klik voor een vergroting

Elk van die boeken bevat een vijf- tot negental hoofdstukken, volgens meer of minder losse thema’s geordend. Elk van die hoofdstukken bevat vooreerst een stuk tekst, die eveneens geïllustreerd is, en die in het eerste boek nog tamelijk lang kan zijn, tot een tiental pagina’s, maar die in beide daaropvolgende boeken duidelijker korter en beknopter is om nog meer plaats te maken voor afbeeldingen, foto’s. Ook daarbij krijgt de toeschouwer/lezer nog tekst, maar dan werkelijk beknopt, om een bepaalde foto te plaatsen in een geografische, kunsthistorische, theologische, historische enz. context.

Die combinatie van tekst en beeld maakt van de boeken al zeer leesbare werken, waar je heel veel uit kunt leren. Maar de sublieme kracht van de foto’s, waar natuurlijk de meeste aandacht naartoe gaat, maakt er meesterwerken van. Des te onbegrijpelijker dat deze prachtige boeken zo goedkoop zijn!

Zoals de ondertitel al aangeeft, handelt het eerste boek over de knekelhuizen die je overal in Europa aantreft, het ene al kunstzinniger dan het andere. Meestal betreft het niettemin eerder kleine ruimten, maar die zeer goed benut zijn; zelf heb ik er twee bezocht: eentje in Keulen, maar dat na de oorlog veel restauratie nodig heeft gehad, en eentje in Sedlec – Tschechië. Moeilijk om daaruit een globaal beeld te distilleren natuurlijk, temeer daar zeker in het zuiden van Europa vele knekelhuizen hele geraamtes herbergen, die vaak ook nog pijen of kleren dragen, terwijl het elders enkel beenderen en doodshoofden zijn. Maar die zijn dan vaak zo geschikt dat het wel orgelpijpen lijken, of andere muziekinstrumenten, cymbalen bv. (‘symbolen worden tot cymbalen in de ure des doods’ valt me hierbij te binnen – is dat niet van Achterberg?). De foto’s van Koudounaris zijn werkelijk subliem, of het nou om foto’s gaat die twee volle bladzijden vullen, of kleinere, detailfoto’s.

Sedlec, Tsjechië. Foto Paul Koudounaris.

Sedlec, Tsjechië. Foto Paul Koudounaris.

Ook het tweede boek bevat prachtige foto’s. Maar dat boek is van een veel kleiner formaat dan het eerste en het derde. En het bevat, zoals gezegd, veel minder tekst. Daarenboven focust de fotograaf hier bijna volledig op opgemaakte doodshoofden en geraamtes, alsof ze in hun dood nog iets wilden bewaren van hun vergane glorie en rijkdom. Zo zijn de ogen vaak opgevuld met saffieren of robijnen of andere edelstenen; vaak dragen ze daarenboven nog kronen en luxueuze kleding. Wanneer je in streken waar barok en rococo in de architectuur sterke sporen heeft nagelaten, kerken bezoekt, zul je langs de altaren vaak glazen ruimtes onder de altaren zien waarin dergelijke relicten te zien zijn. De meeste foto’s uit dit tweede boek komen trouwens uit kerken in het zuiden van Duitsland, Oostenrijk of Zwitserland. Dit boek kan enkel maar een goede aansporing zijn om die streken en hun kerken zo snel mogelijk te bezoeken.

Catacomben Heilige - Foto Paul Koudounaris.

“Catacombenheilige” – Foto Paul Koudounaris.

Het derde boek is opnieuw groot formaat, een beetje groter zelfs dan het eerste, én het is daarenboven ingebonden in wat me lichtblauwe zijde lijkt te zijn. Daarop staat dan een oranje tapijt afgebeeld, dat een beetje aan een maçonniek logetapijt doet denken (ook in de vrijmetselarij, met name de derde graad, speelt de dood een belangrijke rol). Van de drie is het gewoon uiterlijk al het prachtigste boek. En het bevat nog minder tekst dan het vorige: een algemene inleiding en dan een inleidende bladzijde per hoofdstuk volstaat, plus daarbij nog de nodige korte uitleg bij een foto of een reeks van foto’s natuurlijk. Voor de rest ligt heel de nadruk op het werk van de fotograaf.

Hij begint weer in Europa, en ongeveer de helft van het boek werd daar gefotografeerd. Maar dan gaat hij ook naar andere continenten kijken, hoe de doden daar aanwezig zijn in het alledaagse (of minder alledaagse) van de levenden. Veel uit Zuid-Amerika natuurlijk (maar waar volgens mij op dit gebied zo veel aanwezig is, dat hij daar met gerust gemoed een vierde boek aan zou kunnen wijden), maar eveneens uit Afrika en Azië, waar ik veel minder over afweet. Maar de prachtigste, of de aangrijpendste foto’s zijn wat mij betreft die van hele reeksen mummies, zoals die op Sicilië en elders in het zuiden van Italië, maar ook op sommige plaatsen in Azië voorkomen.

koudounaris-3

Oria, Italië, gemummifieerde leden van een kloostergemeenschap – Foto Paul Koudounaris

 

Eigenlijk zijn er geen woorden voor, zo subliem zijn deze boeken. En ze drukken ons natuurlijk op elke bladzijde met onze neus op de eigen vergankelijkheid. En de vergankelijkheid van alles, ook van deze resten, van deze boeken, van alles kortom.

Je zou er bijna stil van worden.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


19 − 11 =