04.10.15 – De schoenmaker en zijn leest

| Geen reacties

Gerrit Komrij heeft in zijn tijd op aarde twee tamelijk omvangrijke boeken gepubliceerd met door hem becommentarieerde gedichten uit de Nederlandse poëzie, vanaf het begin tot de 21ste eeuw: In liefde bloeyende en Trou moet blycken. De commentaren bij die gedichten waren meestal zeer kort, vaak niet meer dan twee bladzijden, en zeer zelden meer dan een vijftal. Komrij koos zowel bekende gedichten, die ontegensprekelijk tot de canon behoorden, als minder bekende gedichten (waarvan je je dan soms afvroeg: waarom behoren die niet tot de canon).

Komrij aarzelt ook nooit om zijn voorkeur expliciet te laten blijken, en dus te zeggen wat hij aan een gedicht totaal verkeerd vindt, wat hij niet lust en wat wel enz. Kortom, Komrij’s ‘besprekingen’ zijn altijd subjectief, ook al gaat hij erg objectief om met de gekozen gedichten, in die zin dat hij zich nauwgezet aan de tekst houdt en zich amper niet ter zake doende uitweidingen veroorlooft. In die zin leek hij dus wel een adept van Merlyn.

mijn-gedichtenschriftEn nu verscheen Mijn gedichtenschrift (Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam, 2015), waarbij de auteur zich geïnspireerd heeft op de albums die dames uit de fijnere kringen vroeger gebruikten om hun geliefkoosde gedichten over te schrijven. Hij verwijst hier waarschijnlijk naar de poëziealbums uit de 19de eeuw, toen leden van literaire kringen in Duitsland gedichten en andere artistieke bijdragen in dergelijke schriften uitwisselden. Dit gebruik verwaterde in onze contreien overigens vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw tot het zogenaamde poesiealbum (of kortweg poesie) waarin jonge meisjes kleine gedichten en versjes van vrienden verzamelden.

Maar Barnard heeft zich natuurlijk op de eerste plaats op Komrij geïnspireerd, want oppervlakkig gezien doet hij helemaal hetzelfde wat Komrij in de twee voormelde boeken deed: gedichten van een korte, meestal slechts enkele bladzijden omvattende commentaar voorzien.

Bij die uiterlijke vorm houdt de vergelijking echter al onmiddellijk op, want de commentaren in dat gedichtenschrift zijn van een heel andere aard dan die van Komrij. Op de eerste plaats zijn ze toch wel een beetje uitvoeriger (er komen er voor van meer dan vijf bladzijden, hoewel niet veel) maar vooral: Benno Barnard kiest niet enkel Nederlandse gedichten, maar ook Engelse, Franse, Jiddische … Europese zou je kunnen zeggen. En dan ten tweede, en dat lijkt me het belangrijkste: in tegenstelling tot Komrij gaat Barnard amper in op de tekst zelf van de gedichten, maar gebruikt hij die eigenlijk enkel als aanleiding om over andere zaken te praten; meestal hebben die uitweidingen van verre wel met het gekozen gedicht te maken, maar in feite blijven het toch praatjes die aan het gedicht opgehangen worden, daar waar Komrij het gedicht steeds als uitgangspunt nam om poëticale commentaren te leveren, vaak zelfs erg technisch.

Noch het ene noch het andere zijn afkeurenswaardig, integendeel. Komrij’s manier van benaderen heeft als nadeel, dat de lectuur soms een beetje vervelend dreigt te worden; Barnard daarentegen is daar eerder immuun voor, want hij weet vooral zaken voorbij en naast het gedicht in kwestie te vertellen, zaken die op zichzelf interessant kunnen zijn.

Het eerste stukje bv. gaat over Herman de Coninck, d.w.z. over zijn vriendschap met hem en niet over het gekozen gedicht, ‘Te voet over de Lethe’, dat mijns inziens inderdaad een goeie keuze is uit de Conincks poëzie. In het volgende vraagt hij zich af hoe autobiografisch Eliots poëzie wel niet is. En in ‘Een stuiptrekkende taal’ wordt een ontmoeting bij een vertaalworkshop opgeroepen. En zo vinden we in elk stukje wel iets, een anekdote, een bespiegeling over dood, liefde enz., een persoonlijke herinnering bv. aan zijn vader, waarmee hij blijkbaar een zeer sterke band had. In zekere zin zijn het filosofische bespiegelingen, die vooral handelen over de rol die de dichtkunst in zijn eigen leven speelde en speelt, en hoe dat verweven is met alle andere aspecten van zijn leven. Dat laatste maakt het geheel erg boeiend, omdat het voor heel veel afwisseling zorgt.

Sommige stukken zijn erg treffend, bv. over de mij totaal onbekende Lajser Ajchenrand (zo treffend, dat ik de verzamelde gedichten van deze man onmiddellijk besteld heb); Barnard gaat op het gekozen gedicht totaal niet in, maar schrijft over zijn verblijf aan de universiteit van Austin, Texas, waar hij zijn vrouw heeft leren kennen. Ook deze laatste treedt vaak op in deze teksten, zoals zoon Christopher; net zoals in de werkelijke autobiografische boeken van de auteur. Ook dat wijst erop dat de gedichten hier enkel als kapstok dienen, om het over zichzelf te hebben of over zaken die hem dierbaar zijn. Wat me dan wel weer verwondert, is het feit dat hij Tadeusz Rózewicz niet kende; terwijl Meulenhoff toch al in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw onder de titel Gezichten een mooie bloemlezing uit zijn werk publiceerde in de vertaling van Peter Nijmeijer en onze eigenste vertaler uit het Pools Gerard Rasch; inderdaad grootse en beklijvende poëzie.

Opvallend daarbij (zeker wanneer je het vorige werk van Barnard kent) is de quasi totale afwezigheid van polemiek. Weliswaar stelt hij zichzelf meermaals in vraag door erop te wijzen dat hij weer op zijn stokpaard zit, maar dat valt heus wel mee. Geen diatribes tegen de communisten; in het stukje ‘Een jood aan de poolcirkel’ over Brodsky citeert hij bijvoorbeeld enkel uit de processtukken tegen deze dichter; en die zijn inderdaad op zich al zo alleszeggend wat domheid betreft, dat ze geen verdere commentaar behoeven. En in het stukje ‘Verdomde Stalinisten’ gaat het enkel over een bloemlezing van ‘gevangenispoëzie’ die Barnard ooit samen met Roger de Neef samenstelde, maar op geen enkele manier over stalinisme of stalinisten. Overigens maar goed ook, want de auteur weet daar uiteraard niets van af.

Maar toch: heel soms kan hij het niet laten natuurlijk, bijvoorbeeld in ‘Geef mij een conversatie zonder voetnoten’; daarin gaat het over mei 68, waar Barnard – zoals alle conservatieven en reactionairen – radicaal tegen is. Ik heb mij altijd afgevraagd waarom; zelf was ik dat jaar en die maand student in Brussel, maar ik ging ook wel eens naar Parijs; niets is daar en toen gebeurd op enkele relletjes en stakingen na. Mei 68 is niet meer dan een mythe, door rechts in het leven geroepen om steeds een vliegenmepper tegen wat zij als ‘links’ beschouwen achter de hand te hebben.

De auteur laat vaak doorschijnen dat hij religieus is; erg diep gaat hij daar niet op in, maar blijkbaar is het wel zo dat hij een kerk nodig heeft (ondanks de eveneens uitgesproken reserves ertegen) en zoiets stelt me natuurlijk altijd teleur. Kerken, van welke aard dan ook, zijn altijd in het bezit van de Waarheid.

En Barnard doet zelfs aan zelfkritiek! Jaja, inderdaad, goed gelezen, zelfkritiek, en hij is zelfs nooit maoïst of andere tist van die soort geweest. Jaren geleden heeft hij eens een rel veroorzaakt in de stinkende kikkerpoel die Vlaanderen was (en nog steeds is) door iets onheus te zeggen over Gezelle; daarop komt hij in dit boek expliciet terug. Nou ja, wanneer je je laat ‘beschermen’ door gorilla’s van het Vlaams Blok, dan kun je ook al iets terugdoen natuurlijk.

En die andere dada van hem, de k.u.k. monarchie? Ja, ook die komt af en toe naar voren, maar die deel ik natuurlijk met hem, sinds ik in 1972 enkele maanden in Wenen gewoond heb en sinds ik, als student nog, over Paul Celan geschreven heb. Maar waarschijnlijk zie ik toch beter in dat dat alles niet meer is dan een hersenschim, een projectie op het verleden van eigen verlangens (welke?), en dat de werkelijkheid van de monarchie op waarschijnlijk geen enkele manier overeen kwam met het literaire beeld dat er later van werd opgehangen. Maar in deze context valt het me op dat wij eveneens de grote fascinatie voor Anselm Kiefer delen. Om daarover te schrijven neemt hij een gedicht van Celan als aanleiding – terecht, want die dichter speelt een nadrukkelijke rol in bepaalde schilderijen van Kiefer. Speciaal voor hem ben ik verleden jaar trouwens nog eens naar Londen gegaan.

Maar soit, de kritiek die ik hierboven formuleerde vormt geen enkel bezwaar; de waardering is duidelijk overheersend. Mijn gedichtenschrift kent misschien weinig diepgang, maar het is alleszins een hernieuwde kennismaking met gedichten en dichters die ik lang niet meer gelezen had, én ik heb er nieuwe interessante dichters door leren kennen. Eigenlijk is dat al ruim voldoende.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


14 + 3 =