D’un Céline l’autre

| Geen reacties

De onderstaande tekst dateert oorspronkelijk uit de jaren tachtig van de vorige eeuw; enkele jaren later werd hij heel licht aangepast om er een voordracht van te kunnen maken; deze laatste tekst is hier weergegeven.

Het verbaast mezelf hoe zeer ik nog altijd achter deze tekst kan staan – quasi zonder voorbehoud. Wel is het zo dat tijdens da afgelopen dertig jaren zeer veel secundaire literatuur over Céline verschenen is, ook over zijn pamfletten. Ik heb die niet allemaal gelezen, maar wat ik ervan gelezen heb, heeft mij niet genoopt om mijn eigen interpretatie te herzien.

De drie pamfletten waarover hier sprake, samen met alle andere, kortere, werden overigens in 2012 toch heruitgegeven in één boekdeel: Ecrits polémiques (Editions8, Québec) door Régis Tettamanzi, hoogleraar aan de universiteit van Nantes, mét inleidingen en wetenschappelijke notaties, en dat ondanks het verbod van Céline en zijn nabestaanden waarvan sprake is op het einde van mijn artikel. Het is dus duidelijk dat dat niet meer juist is.

 

Inleiding

Als ik mij goed herinner was ik nog student toen ik het eerste boek van Louis-Ferdinand Céline las – Voyage au bout de la nuit. Ik herinner mij nog dat ik het ademloos en gefascineerd uitlas, en dat zowel de thematiek van de eerste wereldoor­log als de snelle vertelstijl, het moeilijke, maar soepele Frans mij sterk aanspraken. Van de schrijver wist ik toen zo goed als niets af.

bébert-céline

Céline met zijn kat Bébert

Waarschijnlijk heeft het daardoor zo lang geduurd voor ik als tweede zijn Mort à crédit las, nu ongeveer tien jaar geleden. Rond diezelfde tijd verscheen ook de mo­numentale, driedelige biografie van Gibault. Dat was de aanleiding om ook zijn overige romans, en zijn verspreide geschriften, zoals ze zijn heruitgegeven in de 8 delen van de Cahiers Céline, te gaan lezen. Céline bleek tot in zijn laatste boek toe even mee­slepend en fascinerend te blijven.

Buiten de biografie, die ik zojuist noemde was ik intussen uiteraard al iets meer te weten gekomen over zijn leven, zijn politieke opvattingen, zijn gedrag tijdens de oorlog, de processen na de oorlog enz. Maar toch was ook die biografie, net zoals die van Vitoux trouwens die enkele jaren later verscheen, een openbaring, zeker wat de vele details en het vele, onbekende materiaal over en uit zijn leven betrof.

Uit die biografieën vernam ik ook voor het eerst iets meer over de drie antisemi­tische pamfletten, die hij tussen 1937 en 1941 gepubliceerd had. Het bestaan ervan op zich kende ik natuurlijk al, maar alleen uit historische en politieke werken, die deze pamfletten volledig veroordeelden en vervloekten, zonder er dieper op in te gaan of eruit te citeren.

Toen mij dan op een bepaald ogenblik gevraagd werd om een stuk over Céline te schrijven heb ik mij, na enige tijd zoeken, ook die pamfletten antiquarisch aange­schaft en gelezen. Een verslag van die lectuur krijgt u in onderhavig stuk.

Maar verwacht u niet van mij, dat ik de gebruikelijk rituele verontwaardigings- en veroordelingsdans zal uitvoeren. Ik heb de gewoonte om elke tekst, die mij onder ogen komt, welke de renom ervan ook weze, onbevooroordeeld te lezen, en op basis van die persoonlijke lectuur, een eigen, autonoom oordeel te vormen – zelfs als dat tegen vele gladgestreken haren ingaat.

Dat is in dit geval niet moeilijk. Iedereen, die zichzelf tot het linkse, progres­sieve kamp rekent kotst die boeken uit, kan er alleen maar in afschuwelijke adjectieven over spreken, heeft er kortom geen goed woord voor over. Meestal hebben zij de boe­ken in kwestie niet eens gelezen. Wat onmiddellijk opvalt is, dat het politiek rechtse, conservatieve of reactionaire kamp de kwestieuze boeken niet ophemelt, vaak inte­gendeel zelfs : ze zwijgen er zedig over. De twee genoemde biografen gaan er wel diep op in, met vele citaten, maar op een objectieve manier, d.w.z. dat ze de strekking ervan grotendeels verwerpen, maar ook pogen ze te situeren in allerlei contexten, proberen de schrijver te begrijpen en aan te tonen dat de boeken een intrinsiek deel uitmaken van Céline’s oeuvre.

Maar wie was Louis-Ferdinand Céline, met zijn echte naam Destouches ? Ge­boren op het einde van de vorige eeuw in een Frans kleinburgerlijk gezin, leefde hij het normale leven van een kind uit die tijd. Niets wees erop, dat hij schrijver zou worden, laat staan een der beroemdste van de eeuw. De belangrijkste gebeurtenis uit zijn jeugd was de 1ste wereldoorlog, tijdens dewelke hij de hoogste Franse onderscheiding kreeg wegens heldenmoed betoond aan het front. Zijn leven lang zou hij zich daarop beroemen en beroepen. Na de oorlog kon hij een beurs krijgen, speciaal in het leven geroepen voor frontsoldaten, en daarmee studeerde hij voor arts. Zijn eindwerk maakte hij over de Weense dokter Semmelweis, ontdekker van het virus dat kraam­koorts veroorzaakt. Daarna ging hij een tijdje als arts voor de Volkenbond werken, maar eind jaren twintig vestigde hij zich bij Parijs, waar hij een armendokter werd. Zijn meestal totaal berooide patiënten verzorgde hij gratis, en dat bleef hij doen tot het einde van zijn leven.

Ondertussen was hij ook beginnen schrijven, aan een roman waarin hij zijn er­varingen uit de 1ste wereldoorlog verwerkte. De geschiedenis daarvan is in grote lij­nen bekend.

 

Over de antisemitische pamfletten van L.-F. Céline

De Célinekenner Frédéric Vitaux breekt in zijn omvangrijke biografie zeer duidelijk een lans voor de pam­fletten van Céline. Niet dat hij de inhoud ervan goedpraat of zich er­mee ak­koord verklaart. Verre van. Maar wel legt hij die pamfletten uit, poogt hij de schrijver te begrijpen, verzacht hij de strek­king er­van en toont hij aan dat zij – nogmaals – intrinsiek deel uitmaken van het oeu­vre van Céline.

Céline debu­tee­rde in 1932 met Voyage au bout de la nuit, dat hem met éen slag we­reld­be­roemd maakte, èn dat hem, door de pacifistische en antimilitaristische strekk­ing van het boek, haast automatisch in het linkse kamp bracht. Zonder dat hij dat zelf wilde overigens. Mort à crédit, dat enkele ja­ren later verscheen, werd in dat­zelfde linkse kamp trouwens al met veel meer reserve ontvangen, vooral omdat Céline’s visie op de mens zo onver­biddel­ijk negati­vistisch was. En toen in 1937 Bagatelles pour un mas­sacre ver­scheen, één jaar later gevolgd door L’école des cadavres was het hek helemaal van de dam : Céline werd niet alleen door links, maar door om­zeggens het hele Franse artistieke establishment uitgespuwd. Zon­der dat hij door extreem-rechts werd binnengehaald nota bene. Want ook daar wer­den zijn pamfletten bij nader inzien niet erg ge­apprecieerd.

In totaal heeft Céline vier pamfletten geschreven, maar het eerste, Mea Culpa uit 1936, dat een eerste reactie bevat op zijn reis naar de Sovjet-Unie kunnen we buiten be­schouwing laten. Op de eerste plaats om­dat het slechts enkele bladzijden omvat ( en trouwens onlangs officieel heruit­gegeven werd), maar vooral omdat heel de thematiek van zijn Rusland-reis uitgebreid terugkomt in Bagatelles pour un massacre. Het laatste pamflet dateert uit de oorlog, 1941 : Les beaux draps heet het, en de thema’s die hem in die jaren bezig hielden worden er een laatste keer in gemoduleerd. Daarna keerde hij terug naar de ‘zuivere’ literatuur.

 

‘Bagatelles pour un massacre’ (1937)

bagatellesCéline’s eerste pamflet was een succes, maar een typisch schandaalsucces. Daar had je een van de beste Franse schrijvers van het ogenblik – daar was iedereen het wel over eens – en die daarenboven tot het progressieve kamp gerekend werd; en die publi­ceert plotseling een boek, waarin alle vooroordelen van de klein­burgerij openlijk geëta­leerd wor­den, op de eer­ste en voornaamste plaats het antisemitisme, dat in Frankrijk een zeer sterk, en zelfs ondergronds leven leidde, ze­ker sinds de Dreyfus-affaire van het einde van de 19de eeuw.

Nochtans was het boek in kwestie veel meer dan een zuiver antisemitisch pamflet. Het moge dan nog waar zijn dat dit aspect het meest in het oog springt, dat belet niet dat het slechts één aspect onder vele is. In tegenstelling tot het volgende, L’école des cada­vres valt bij de lec­tuur van Bagatelles op de eerste plaats de grote diversiteit op. Vandaar misschien ook de omvang : groot for­maat en erg kleine letter, en dat over 4OO bladzijden.

Er is op de eerste plaats het thema Sovjet-Unie, waardoor het boek aansluit bij Céli­ne’s eerste pamflet, Mea Culpa. Omdat hij zijn au­teursrechten voor de vertaling van de Voyage niet naar Frankrijk kon la­ten overschrijven, was Céline verplicht geweest een reis te maken door de Sov­jet-Unie om ze ter plaatse op te souperen.

Het resultaat was ‘Mea Culpa en een groot aantal bladzijden van Bagatelles. Teza­men vormen ze zijn Re­tour de l’URSS. Zoals Gide is hij erg teleurgesteld door de grijsheid en de miserie die hij gezien heeft, des te meer daar die in volledig contrast staan met de officiële ideologie, die ook gedebiteerd werd door de hem of­ficieel toegewezen gidsen, al­lemaal ‘Toutvabienovitch’ genoemd. De stukken over de Sovjet-Unie komen ernstiger over dan de rest van het boek, maar ook bijtender. Hij maakt er minder gebruik in van het over­sta­te­ment. Bijna alsof de werkelijkheid reeds zo triestig is dat je niet meer kunt overdrijven.

Een tweede reeks pijlen wordt afgeschoten naar de Volkenbond. En hier is de po­lemist Céli­ne op z’n sterkst. Deze bladzijden lijken soms haast met vitriool ge­schreven. Het sarcasme van Céline tegenover de in narcistische woordwol­ken zwel­gende ambtenaren en hun vervelende vergaderingen kent geen gren­zen meer.

‘Tous ces niais autour de la table, bavardent, s’ébrouent, vi­tupèrent…­oublient dès les premiè­res paroles ce qu’ils avaient à racon­ter…Ils s’écoutent et ça leur suffit…Ils disent, au fond n’importe quoi…Ils s’affrio­lent, ils se trémoussent…Ils sont la pour se dépen­ser…Plus ils cafouillent, plus ils s’excitent, plus ils se perdent…’ (p. 104-105)

.­ En even later gaat dan de leider van de vergadering in de ik-persoon verder, in wat zonder meer een sublieme paro­die is op al dit soort politiek gedoe :

“Au moment ou ils en peuvent plus, ou ils s’étranglent de confusion, ou ils implorent l’at­mosphère…­Je leur sors mon petit texte…je déplie mon petit bout de papier, une ‘Résoluti­on’…retenez ce nom…une ‘Résolution. Je la glisse au prési­dent, le pire radoteur de la ban­de, le plus éperdu de tous.­..Il se jette dessus, il l’agrippe, c’est écrit…Il a plus qu’à lire, ânonner…C’est fait! (…)ils se rendent…ils ‘adoptent’!… dans une allégresse!… éjacu­lant à qui mieux mieux…L’orgasme! Ils se détendent..­.ils se pardon­nent…ils se caressent…ils se délectent…” (p.106) Het zijn deze passages die van Céline een onovertroffen meester van het pam­flet maken. Het boek staat er vol van, ook bv. wanneer hij tegen de Fransen tekeer gaat, die hij voorstelt als een bende dégenerés die enkel en alleen aan ‘la vinasse’ denken : ‘O le gouvernement du peuple pour le peuple, par la vinasse’ (p. 148).

Maar ook al overheerst de scherpe humor – hetgeen een ernstige on­dertoon niet uitsluit – , dat belet niet dat sommige stukken ern­stig zijn zonder veel humor, meer bepaald wanneer hij het heeft over zijn poëti­ca. Het is inderdaad in Bagatelles pour un mas­sacre dat hij voor het eerst expliciet zijn poëtica verwoord heeft, waarbij hij vooral de nadruk legt op de ‘directe emoties’ (p. 166-167) die hij in zijn proza wil weer­geven, in een spreektaal die alleen toelaat ook de alledaagsheid en de vul­gariteit (p.218) in de literatuur binnen te brengen. Zelf spreekt hij over zijn ‘genre incantatoire’ en zijn ‘lyrisme ordurier’ (p.204). Hij werk­te dus zeer bewust, ook al kwamen sommige onderwer­pen direct uit het diepste per­soonlijke èn collectieve onderbe­wuste voort.Dan denken we uiteraard aan Céline’s antisemitisme. Want alle kwalen die hij be­strijdt, alle wantoestanden die hij ziet, kortom alles wat er slecht gaat in de wereld, wordt aan één figuur toegeschreven, die al­leen al daardoor mythische afmetingen krijgt : de Jood. Soms gaat hij zo ver dat zijn beweringen gewoonweg aan het krankzinnige grenzen. Eén voorbeeld slechts :

‘Le Juif est un nègre, la race sémite n’existe pas, c’est une invention de franc-maçon, le Juif n’est que le produit d’un croisement de nègres et de barbares asia­tes.”(p.191-192)

Men lette erop : ‘Juif’ wordt altijd met een hoofdletter geschreven !

Er is iets dubbelzinnigs aan dat antisemitisme van Céline. Niet al­leen doordat hij ervoor uitkomt dat het voor een stuk uit rancune voort­komt : aanleiding voor de scheldpar­tijen is het feit dat hoofdfiguur Ferdi­nands balletten geweigerd worden door uiteraard Joodse theaterdirec­teurs. Maar vooral omdat hij er zelf zeer dui­delijk aan twijfelt. In het boek komen gesprekken voor tussen Fer­dinand en een Gustin, en het is m.i. zonder meer duidelijk dat Céline hier met zichzelf praat, zichzelf tracht te o­verreden. ‘Mais tu délires, Ferdinand!”, zegt deze Gustin, “Nom de Dieu t’es saoul!”­(p. 321) En even verder :

‘Tu vas te faire avoir, Fer­dinand, dans la voie que tu t’engages…T’auras le monde entier contre toi, fi­gu­re de légume!..­.Ca sera pas toujours facile de te faire passer pour in­conscient…T’es un genre de fou qui raisonne…”(p.325) En nog duidelij­ker : “Il se dégage de tout ceci, nous nous pressons d’en con­venir, un certain relent ‘d’Ambigu’.­..de carbonarisme à la man­que…de complots farciformes…de prolongements gris muraille.­..de maffia…de pas au pla­fond…de grand guignol…quelque chose de ‘Tour de Nesle’…­qui vous in­cite énormément à la rigolade…­Cette bonne blague..­.’Y a du Juif partout ­’…” (p. 284)

Die twijfel wordt nergens in het boek expliciet verklaard. Waar­schijnlijk omdat hij een exponent is van de onbewuste drijfve­ren die aan de basis van de pamfletten liggen, en die m.i. tot die pathologische reacties gerekend moeten worden, die men als ‘explosieve reac­ties’ of als ‘handelingen uit kortsluiting’ aan­duidt. Kenmerkend voor die toestanden is enerzijds dat ze vooral optreden bij angst- en panieksituaties, en anderzijds dat het be­wustzijn a.h.w. uitgeschakeld wordt. Het is niet meer de cortex, maar het zijn de darmen die het handelen besturen. Dat is uiteraard een geleidelijk proces, waarbij de uiterlijke uit­barsting voor­af­gegaan kan worden door innerlijke monologen, die verscheurdheid en twijfel uitdrukken. Tijdens dat twijfelen ‘weet’ men nog ongeveer welk proces gaande is, men kan het nog min of meer beheersen. Slechts bij de eigenlijke explosie of kortsluiting vallen twij­fel en beheersing weg. Iets dergelijks moet zich ook met de pamflettist Céline hebben voor­gedaan. De overgang van Bagatelles (twijfel) naar L’Ecole (kortsluiting) zou daarop kun­nen wijzen.

Blijkbaar wist Céline dus dat hij overdreef. Ook de reactie van de fascistische critici Rebatet en Brassillach wees daarop : zij verwelkom­den Céline wel in het extreem-rechtse kamp, maar wezen er terzelfdertijd ex­pliciet op dat Céline de neiging had het antisemitisme belachelijk te maken, dat hij ernstiger en wetenschappelijker te werk zou moeten gaan. Het is geen toeval dat deze beiden het volgende pamflet bijna volledig doodzwegen.

Inderdaad, ondanks het feit dat de schijn tegen hem was, hoor­de Cé­line noch bij ex­treem-rechts noch bij de fascisten. Bagate­lles pour un massacre is ook een plaatsbepaling :

“a­lors j’adhère jamais rien…ni aux radiscots…ni aux colonels…ni aux dorio­tants…ni aux ‘Sciences Christians”, ni aux franc-maçons ces boy-scouts de l’ombre..­.ni aux en­fants de Garches, ni aux fils de Pan­tin, à rien!.. ­. J’adhère à moi-même, tant que je peux” (p. 45)

schrijft hij, en ik denk dat alles wat we nu van hem weten inder­daad enkel op zijn gelijk wijst wat dit be­treft.

Toch is het boek duidelijk te lang, waardoor het op de lezer de­zelfde indruk maakt als de films van Léni Riefenstahl : op de duur gaat het vervelen, omdat hetzelfde er te vaak her­haald wordt.

 

L’école des cadavres (1938)

ecoleIn dit tweede pamflet is dat verdwenen. Céline slaagt erin zijn twijfels te overschreeu­wen en het resultaat is één thema : de mythische Jood, en één stijl : het naar het delirium neigende overstatement. Inder­daad, als Bagatelles pour un massacre grof geschat 70 % antisemitisch was, dan is L’école des cadavres het 100 % (Les beaux Draps, het derde pamflet, zal het nog slechts een goeie 25 % zijn – hetgeen op zich al veelzeggend is). Toch gaat hij ook zeer sterk tegen de Amerikanen en de Engelsen te keer, maar steeds weer vanuit dat éne obsederende oogpunt : de Jood, die ach­ter alles gezocht moet worden.

Een ander opvallend verschil met Bagatelles pour un massacre is de aanwezigheid van de directe politieke aktualiteit in dit boek. Zo wordt er verwezen naar het verdrag van München, en naar Chamberlains bezoek aan Berch­tesgaden, ook naar het probleem van de Sudeten-Duitsers en Tsjecho­slowa­kije als geheel. Dat men zich ech­ter niet vergisse : we hebben hier niet met een politiek pamflet te maken. Al die gebeurtenissen zijn slechts evenzovele welkome aan­leidingen om steeds opnieuw te schelden op de Joden en hun hand­langers (d.i. in feite iedereen behalve Céline zelf). In Baga­telles waren er ook nog sterke verhalende of beschrijvende elemen­ten aan­wezig : men denke niet alleen aan de daarin vervatte balletten, maar ook aan Celine’s reisbeschrijvingen, de evocatie van zijn ervarin­gen in de Volkenbond en dies meer. Hier niets meer daarvan : wat hij zelf in Baga­telles zijn ‘lyrisme ordurier’ noemde komt hier totaal tot ontplooi­ing. Het hele boek is één gigantische scheld­partij, die gedragen wordt door de kracht van Céline’s stijl, en door niets anders.

Tenzij uiteraard door de onderbewuste motivatie : een alles­verteren­de, obsede­rende angst, die hem werkelijk alle verstand doet verliezen en die hij nog slechts onder controle kan houden, nog slechts kan bezweren door te schreeuwen, te tieren, te huilen, te razen, te raaskallen, te bulderen, te krijsen, steeds harder en steeds waanzinniger, totdat alle an­dere gedachten, alle andere ge­voelens murw geroepen zijn, totaal verdoofd naar de ach­tergrond geschoven zijn. Er is – en dat bedoel ik héél let­terlijk – in heel het boek amper een bladzijde te vinden waar géén sprake is van ‘ci­metière’, ‘cadavre’, ‘boucherie’, ‘tuerie’, ‘cataclysme’, ‘ca­ta­strophe’, ‘apocalypse’, ‘abattoir’, ‘sacrifices’, ‘égorger’, ‘éven­tre­rie’, ‘char­nier’, ‘massacrer’; hij gebruikt daarenboven sys­tematisch ‘viande’ voor ‘chair’ enzoverder enzovoort. Geen enkel boek uit geen enkele mij bekende literatuur drukt op elke bladzijde zo’n pani­sche, allesoverheersende angst uit voor de oorlog, een oorlog die Céline duide­lijk zag aankomen, en die hij ten kos­te van alles wou vermijden. “E­viter la guerre par dessus tout” (p.82) schrijft hij, en dat is inderdaad de kern van dit boek. Dit paci­fisme is echter géén beredeneerde, rationele, op argumenten ge­stoelde overtuiging. Het is zuiver gevoelsmatig, ir­rationeel èn allesoverspoelend. Daarin ligt ook de parallel met de strijd tegen de Jood. Beide komen voort uit éénzelfde bron : angst. Beide zijn daardoor deelaspecten van één obsessie, die elkaar daarenboven nog opzwe­pen : de strijd tégen de Jood en vóór het pa­cifisme moet de angst bez­weren, maar het tegendeel gebeurt eerder : Jood en oor­logs­dreiging krij­gen hoe langer hoe meer een kosmisch-apocalyp­tische omvang. Daaruit valt het ook te verklaren dat hij zich in dit boek voor Hitler en voor een pakt tussen Frankrijk en Duitsland uit­spreekt. Céline was géén Hitleri­aan, nationaal-socialist of andersoortige fas­cist, maar zijn angst voor een nieuwe Europese oorlog was zo groot dat hij met de duivel zelf in zee zou zijn ge­gaan om die oorlog te beletten.

Die angst voor de oorlog komt uiteraard voort uit zijn ervaringen tijdens de Grote Oorlog.

Ik heb reeds gezegd dat Céline tijdens die oorlog de hoogste Franse onderschei­ding kreeg wegens heldenmoed. Gelet op enerzijds zijn obsessionele angst en anderzijds de al even obsessionele manier waarop hij zich tot het einde van zijn leven op die onder­scheiding bleef beroepen, kan men zich afvragen, en krijg ik alleszins sterk de indruk, dat hij zichzelf wild overtuigen dat die medaille inderdaad verdiend was. Niemand weet wat er in werkelijkheid gebeurd is. Céline heeft altijd geweigerd over de feiten zelf van zijn zoge­naamde “heldendaad” te vertellen. Vandaar mijn vermoeden dat er misschien wel helemaal geen sprake is van een heldendaad, maar alleen van een wanhoopspoging, een zelf­moordpoging wellicht, ingegeven door eenzelfde alles verterende angst als in dit pamflet voorkomt, en die door een absurd toeval van het lot later als een heldendaad beschouwd werd.

Maar zeker zullen we dat nooit weten. Alles wat desbetreffend gezegd kan worden moet noodzakelijkerwijze speculatief blijven.

Dat Céline moeilijk van extreem-rechtse sympathieën verdacht kan worden blijkt overigens ook duidelijk uit het feit dat hij zijn scheldpartijen tegen letterlijk alle machtheb­bers richt, zowel politici die al effectief macht uitoefenen als potentiële machthebbers. Zo richt hij zijn pijlen nu eens tegen de democratie (p.86 e.v.), dan weer tegen de Kerk (p. 270 e.v.), tegen het boegbeeld van extreem-rechts in Frankrijk, Charles Maurras (p. 253 e.v.), tegen Doriot (p. 257 e.v.)… Over deze laatsten en hun fascisti­sche vrienden heet het bv. : “C’est en somme des complices de Juifs, des empoi­sonneurs, des traîtres. Ils laissent le pus s’in­filtrer, le mal se répan­dre, gagner toujours en profondeur. Ils ont peur du bistouri.” (p.174) Geen wonder dat Brassillach en Rebatet dit boek doodzwegen, dat het zowel in nazi-Duitsland als in Vichy-Frankrijk verboden was. Alle macht is slecht voor Céline, en daar­door toont hij zich een anarchist.

Boven heel het toenmalige Europa ziet Céline als een reuzes­chaduw het beeld hangen van de Dood, die alles dreigt mee te sleu­ren. Reeds in Baga­telles, meer bepaald in het ballet ‘La naissance d’une fée’, kwam er een dodendans voor. Ook hier is de dood al­om­tegenwoordig. Ook hij wordt altijd met een hoofdletter geschreven, en ook al wordt hij slechts zelden expli­ciet opgevoerd, toch wordt uit alles duidelijk dat hij in feite de dans leidt.

Die doodsangst is m.i. echter slechts een specifieke uiting van de dieperliggende algemene angst van Céline, die voornamelijk onder invloed van de tijdsomstandigheden zulke afmetingen is gaan aannemen. Dat blijkt vooral uit de aard van het antisemitisme in dit boek. De Jood zoals hij in dit boek wordt voorgesteld bestaat uiteraard niet. Het is een persoonlijke mythe, die daarenboven tot zulke e­norme proporties wordt uitvergroot, dat het enkel nog lachwekkend is. Het spijt me dat ik het zeggen moet, maar toen ik dit boek las heb ik kromgelegen van het lachen. De Jood erin krijgt in­derdaad zo’n ab­surde afmetingen, het overstate­ment wordt zodanig tot in z’n uiterste con­sequenties toegepast, dat het boek een karikatuur wordt van het antisemitisme. Het is enkel zo dat het kan gelezen worden, onge­acht de bewuste of onbewuste bedoelingen van de auteur : als een parodie op het antisemitisme.

Dit wordt nog duidelijker wanneer we Céline’s antisemitisme vergelijken met dat van een andere extreem-rechtse Franse schrijver, nl. Lucien Rebatet, die wél een echte fascist was en waarschijnlijk de hardste en onbuigzaamste van allemaal.

Lucien Rebatet

Lucien Rebatet

Rebatet publiceerde tijdens de oorlog twee boeken, die waarschijnlijk de giftigste anti-joodse passages bevatten die de Franse literatuur heeft opgeleverd : Les Décom­bres, dat het grootste succès à scandale was in het bezette Frankrijk en Les tribus du théatre et du cinéma, waarvan de titel reeds voor zich spreekt.

In het eerste verhaalt hij onder andere over een reis, die hij in Oostenrijk maakt on­middellijk na de Anschluss. In Wenen ziet hij hoe een groepje joden, omhangen met bord­jes met antisemitische leuzen, verplicht wordt op handen en voeten met kleine borstels het trottoir te schuren, waarbij zij uitgescholden, getrapt en bespuwd worden. Rebatet voelt zich daarbij zo goed, dat hij zijn vreugde de vrije loop laat bij de beschrijving, niet alleen van die gebeurtenis, maar ook van de wijze waarop hijzelf er aan deelneemt.

Die korte passage van enkele bladzijden vind ik persoonlijk veel schokkender dan de drie pamfletten van Céline tezamen. Hier worden individuele, concrete mensen op een concrete manier zo diep mogelijk vernederd en de auteur heeft daar ontegensprekelijk een sadistisch genoegen in. En dat is slechts één voorbeeld.

In Céline’s pamfletten daarentegen kom je amper één concreet mens tegen, laat staan dat er een concreet politiek programma van systematische vernedering in zou voor­komen, zoals in Rebatet’s Les Décombres wel het geval is.

Céline richt zijn door angst ingegeven razernij tegen een mythische en dus onbe­staande Jood, waarvan hij, ik herhaal het, een parodie maakt. Bij Rebatet daarentegen he­lemaal niets van overdrijving of parodie.

Zoals gezegd gebeurt dat bij Céline voornamelijk door de stijl. Is het boek op zich al veel korter dan het vorige – kleiner formaat, gro­tere letter, minder bladzijden – ook de af­zonderlijke stukjes zijn erg kort : meestal slechts één à twee bladzijden, vaak nog minder. Daarbij komt een vloed van neologismen, die vooral op het gebied van de scheldwoorden ge­zocht moeten worden. Neologismen kwamen we in Ba­gatelles al tegen, maar nergens zo veel als hier : hij heeft het over ‘la critique pantachiote et culacagneuse’, over ‘cir­conlocu­tasseries’, ‘dia­lecticuler’, over ‘mythologies marxistes trouducutristes, tyrannicoles’, de re­publiek is een ‘Putanat’ enz. Dat op zich maakt een mogelijke ver­taling van dit boek een karwei die aartsmoeilijk is, waarbij vergeleken het vertalen van Céline’s romans kinderspel is.

Daarnaast is zijn stijl ook zeer muzikaal; terecht sprak hij over ‘lyrisme ordurier’. De vele binnenrijmen, assonanties en al­literaties, de bezwerende sloganstijl ook, alsmede het inlassen van werkelijk muzikale stukken helpen allemaal mee om van dit boek een stilis­tisch meesterstukje te maken. Ook zijn romans zijn stilistische mees­terwerken, maar dan van edelsmeed­kunst : hij placht sommige bladzijden tot veertig keer te herschrijven. Het feit dat dit pamflet niet bewerkt is, dat het a.h.w. spon­taan, op enkele maan­den tijd werd neer­geschreven, als in één adem, ook dat draagt bij tot de onnavolgbare impressie die het boek ach­terlaat. De enumeratie van synonie­men, met vaak lichte betekenisverschillen, maar die crescendo gaan, sug­gereert dat. De lezer wordt letterlijk meegesleept tot hij na zo’n zin buiten adem is, en even naar lucht moet happen alvorens verder te lezen. Een voorbeeld slechts van deze zweepstijl :

“Je vous le dis, y a du profit, des pintes de la meilleure hu­meur à parcourir les journaux, de droite, du centre et de gauche, à s’ébahir, se tamponner, un peu plus encore, sur les façons qu’ils peuvent mentir, troufignoler, travestir, exulter, croustil­ler, vrombrir, falsifier, saligoter le tour des choses, noircir, rosir les événements selon la couleur des subsides, dérober, pourfendre, trucider, rodomontader, pirouetter, selon l’importance des enveloppes” (p. 169).

Soms krijgt het iets religieus, alsof een priester van een niet al­ledaagse godsdienst een vreemd incantatoir ritueel opvoert. En dat was ook Céline’s bedoeling : “Retrouver une confiance, un rythme (…) un Dieu ! d’ou qu’il vienne” (p. 93) schrijft hij. En op pagina 223 zegt hij ‘assez de nos religions molles !’ en roept hij op om van het racisme een religie te maken : ‘Vive la religion qui nous fera nous reconnaître’. Onnodig te zeggen dat het zin­loos is daar tegenin te gaan met rationele argumenten. Céline verwerpt het rationalisme meermaals expliciet. Maar daarmee geeft hij im­pliciet ook aan waar zijn eigen irrationa­lisme en zijn roep om een nieuwe religie vandaan komen. Het zijn uitingen van het 20ste-eeuws nihi­lisme, dat zelf de uiterste consequentie is van het uit­eenvallen, onder de invloed van het rationalisme van de verlicht­ing, van de vroegere religieuze samenhangen. Of­schoon dat nihilisme ook daar im­pliciet blijft, is het beter het te bespreken i.v.m. Les Beaux Draps, al was het maar omdat hij daar een religie voor­opstelt die wat minder ir­rationeel en gevaarlijk is : die van de artisticiteit.

 

Les Beaux Draps (1941)

L’école des cadavres eindigde volkomen fatalistisch :

“Ils fonce­ront toujours aux tueries, par torrents de viandes somnam­bules, aux char­niers, de plus en plus colossaux, plantureux. Y a pas de raison que ça se termine. C’est leur nature. Y a pas besoin de les exciter. Ils se préci­pitent. (…) Les événements s’accom­pliront. Ils iront se faire écra­bouiller par races entières, par continents.” (p. 295)

drapsWanneer Céline zijn derde pamflet schrijft hebben de gebeur­tenissen plaatsgehad. De gevreesde oorlog is er gekomen en is al voorbij. Het is een ‘drôle de guerre’ geworden en niet de slacht­partij waar Céline zo bang voor was. Het is duidelijk merkbaar aan dit boekje, dat de oude, bekende thema’s nog een beetje varieert, maar in een veel rus­tiger toon­aard, alsof het allemaal zo veel be­lang niet meer heeft. De Céline die hier aan het woord is heeft niets meer van de bezeten pamflet­tist van het einde van de jaren dertig. Het is een rustige man, die aan het woord is, een man die ervan schijnt uit te gaan dat de kata­strofes achter hem lig­gen. Hij is bijna sereen geworden.

Hij scheldt natuurlijk nog, dat ligt nu eenmaal in zijn karak­ter. Op de Jood uiteraard, zijn eeuwige zondebok. Maar veel, veel minder. Op de Fransen vooral, maar op een vro­lijke wijze : “J’ai pourchassé l’Armée Française de Bezons jusqu’à La Rochelle, j’ai jamais pu la rattraper. Ce fut une course à l’échalote comme on en a pas vu souvent.” (p. 11) Hij stelt ook de verklikkersmentaliteit van de Fransen aan de kaak, die zich voor de Komman­dantur verdrin­gen om hun vrienden aan te geven. En verder zijn er nog stukjes tegen de stad, tegen het volk, tegen het parlement en de democratie etc. etc. Veel stelt het niet meer voor, de fut is er dui­delijk uit, het interesseert hem allemaal niet meer. Het Lot ( ‘Destin’ komt zes keer voor in deze toch korte tekst – telkens met een hoofdlet­ter) heeft zich over Frankrijk vol­trokken.

Toch is er nog één thema dat hier op een eigen en nieuwe wijze be­han­deld wordt : de tegenstelling geloof-rede, ideaal-werkelijk­heid, lichtheid-zwaarte. Om Céline te kunnen plaatsen en verklaren is het een fundamenteel thema, vandaar ook dat dit boekje op pock­etformaat belang­rijker is dan op het eerste zicht lijkt. Het voert ons naar een kern­probleem van de 20ste-eeuwse geestesgeschiedenis, het reeds vernoemde probleem van het nihi­lisme.

Het nihilisme kan beschouwd worden als een – ongewild – bij­produkt van de verlich­ting en haar rationalistische wijsbegeerte. In Frankrijk is het Sade, die het nihilisme voor het eerst duide­lijk verwoordde. Zijn band met verlichtingsfilosofen als Lamettrie en d’Hol­bach is bekend. Maar ook in Chateaubriands’ L’Esprit des révolutions en in sommige ge­dichten van Lamartine bijvoorbeeld zijn duidelijke nihilistische tenden­zen reeds aan­wezig. In Duit­sland spreekt het prachtige anonieme ge­schrift Nachtwachen von Bonaventura uit 1804 het nihilisme voor het eerst expliciet uit. Dat geschrift ontstond in kringen van de Duitse idealistische filo­sofie.

Kenmerkend voor het nihilisme is dat het voortkomt uit/gepaard gaat met de ontbin­ding van de religieuze samenhang binnen de maat­schappij. Maar wanneer de religie ver­dwijnt verdwijnen ook bepaal­de psychologische func­ties van die religie – functies die blijk­baar aan een diepgewortelde men­selijke behoefte beantwoorden. Een van die functies is de rituele reiniging, m.a.w. het feit dat mensen wat hun bezwaart kunnen afwentelen op iets of iemand anders. Op een zondebok. Dat is de functie van het Yom Kippoer-feest bij de joden, dat is bij de chistenen éen van de func­ties van Christus zelf – agnus dei, qui tollis peccata mundi.

In de 20ste eeuw is de functie van de religie overgenomen door de grote ideolo­gieën, die niet meer zijn dan pseudo-religies: com­munisme, liberalisme, fascisme, alle ismes kortom die de mens de vroegere zekerheid en geborgenheid van de religie kunnen bieden. Daarbij hoort ook het aan­bieden van een zondebok. Maar in tegenstelling met de religies is die bij de pseudoreligies niet meer symbolisch. Het zijn mensen van vlees en bloed die die rol toebedeeld krijgen, die de Ander worden, de Duivel, de incarnatie van het Kwaad. Voor som­migen in de 20ste eeuw, o.a. voor Cé­line heeft de Jood die rol ge­speeld. Van­daar Céline’s reeds vermelde op­roep om van het racisme een religie te maken.

Men zal opmerken : en de inquisitie dan ? En de stalinistische pro­cessen ? Wat is daar symbolisch aan ? Niets, inderdaad. Maar hoezeer het aspect zondebok bij sommige vervolgers individueel ook meegespeeld mag hebben, ik denk dat het secundair was voor het ge­heel. De ketters van de Kerk en de tegenstanders van Stalin werden bestreden uit naam van een leer, die voorgaf de enige, absolute, universele waarheid te bezitten, een leer die daarenboven in beide gevallen rationeel, consistent en lo­gisch was. Dat rationele, in­tellectuele element bleef altijd meespelen. De ketters konden trou­wens tot de ware schaapstal terugkeren. Zoals ook Boecharin en Co hun zonden bekenden.

Het onderscheid met de Jood is niet byzantijns, wel misschien sub­tiel : noch de na­zies noch Céline gingen tegen de joden tekeer uit naam van een of andere vergelijkbare leer, de joden zijn in hun ogen géén afvalligen, die – met overtuiging of geweld – bekeerd moeten worden. Zij zijn de incarnatie van het Kwaad, het Kwaad zelf tenslotte. Elk spoor van rationalisme of redelijkheid ontbreekt hier. Zodat ongeacht de andere aspecten het aspect zondebok hier primeert.

Met de heksenvervolgingen daarentegen lijken mij de 20ste-eeuwse jodenvervolgin­gen wèl nauw verwant : ook daar lijkt het ir­rationele ele­ment volledig te overheersen.

Zowel in Bagatelles als in L’école als in dit derde pamflet verwerpt Céline expliciet het rationalisme onder al zijn vormen, zowel de marxistische als de burgerlijke variant. Maar hij verwerpt ook de klassieke religies, i.c. het Christendom : “La religion chrétienne est morte, avec l’espérance et la foi” (p. 79) En een bladzijde verder drukt hij het nihilisme dat overblijft uit :

“Les hommes semblent éprouver un grand ef­froi, abso­lu­ment insupporta­ble de se trouver un beau matin, tout seuls, absolument seuls, devant le vide. Les plus audacieux, les plus téméraires se raccro­chent, malgré tout, à quelque trame usagée, bien­venue, classi­que, éprou­vée, qui les rassure”.

Maar Céline is daar niet tevreden mee. Een racis­tische religie wil hij echter ook niet meer blijkbaar. Dat was een zeer tijdelijk produkt van zeer tijdelijke, beangstigende omstandig­heden. Om­standigheden weg, oplossing weg. Maar dan zien we dat Céline een oplos­sing vindt, die impliciet parallel loopt met die van Nietzsche…die het Europese nihilisme het duidelijkst en het ex­plicietst geformuleerd en gea­nalyseerd heeft.

Volgende passage bevat alle essentiële elementen van wat Cé­line bedoelt :

“Ou qu’est Dieu ? le Dieu nouveau ? le Dieu qui danse ?…Le Dieu en nous !…qui s’en fout ! qu’a tout de la vache ! Le Dieu qui ron­fle ! “(p. 88)

In dit mengsel van luim en ernst, en vooral in de dansen­de God is Zarathustra duidelijk aanwezig. Deze lichtheid, deze roep naar ‘gaîté’, naar ‘des hommes ailés, des âmes qui dansent’ (p.160) vormt een contrast van honderd procent met de twee vorige pamfletten. Toch mag dat niet ver­wonderen. Céline is altijd sterk geïnteresseerd geweest in de dans. Hij heeft niet voor niets voornamelijk met danseressen samen­geleefd, of veel bal­letten geschreven. Maar ook zijn eigen proza is sterk erdoor beïn­vloed : hij wou dat het de lichtheid en de sierlijkheid van de dans zou ver­krijgen, en in sommige boeken – ik denk bv. aan Nor­mance’ – is hij er ook in ge­slaagd dat ideaal dicht te benaderen. De religie die hij voorstaat is er een van exaltatie, dronkenschap en enthousiasme. Een dionysische religie m.a.w., waarbij de spon­taneïteit van de directe emo­tiviteit centraal staat, een religie die danst, zingt en feestviert,

“c’est ça le divin préci­eux, pré­cieux comme trois cent mille progrès, no­tre tout petit mirliton à nous (…) le petit rigodon du rêve…la musi­que timide du bonheur, notre menu refrain d’enfance…” (p. 165)

Om dat mensentype te verkrijgen zijn twee dingen nodig, aldus Céline. Op de eerste plaats dient het opvoedingssysteem veranderd, om­dat dat nu slechts dient om alle sponta­neïteit te onderdrukken : de scholen

“sont les lieux de torture pour la parfaite innocence, la joie spontanée, l’é­tranglement des oiseaux, la fabrication d’un deuil qui suinte déjà de tous les murs, la poisse sociale primi­tive, l’enduit qui pénètre partout, suffo­que, estourbit pour tou­jours toute gaîté de vivre.” (p.171)

In 1941, in volle bezetting, uit de pen van iemand die als collaborateur en nazi­vriend doorgaat, een waar pleidooi voor een anti-autoritaire op­voeding, gestoeld op de vrije ontwikkeling van de spontane impulsen van de kinderen! Lang voor de jaren zestig! Het is op z’n minst abnormaal dat dit as­pect van Céline totnog­toe volledig verzwegen werd.

Een dergelijke opvoeding moet ertoe leiden het enthousiasme, de emo­tiviteit, de ‘don vivant de création’ (p.170) bij het kind los te maken. Anders gezegd : “En chacun déli­vrer l’artiste! lui rendre la clef du ciel!” (p. 176) Want ‘L’art ne connaît point de patrie!” (p. 176) Alle dieren kennen een dergelijke spontaneïteit, aldus Céline. Zelfs de ne­gers bezit­ten die nog, zegt hij, en ik vraag me af of deze uitspraak nog als rascistisch gezien kan worden. Het volstaat immers om op teevee massaverzamelingen van zwarten in bijvoor­beeld Zuid-Afrika te zien, om te begrijpen dat die spontane, daverende emotionaliteit waar Céline het over heeft, en die wij kwijt zijn, daar inderdaad nog leeft. En sommigen herinne­ren zich misschien nog hoe bisschop Tutu voor de verzamelde camera’s van de wereldpers spontaan begon te dansen en te zingen bij het horen van de aankondiging van de vrijlating van Nelson Mandela.

“Il faut réapprendre à créer, à deviner hum­blement, pas­sionément, aux sour­ces du corps, aux accords plastiques, aux arts éléments, les se­crets de danse et musique, la catalyse de toute grâ­ce, de toute joie et la tendresse aux animaux, aux tout petits, aux insectes, à tout ce qui trébuche, vacille, s’affaire, échoue, dégringole, trim­bale, rebondit…” (p. 175)

Zo eindigt wat deels begon als een persoonlijke rancuneuze afreke­ning, en wat uit­mondde in paroxysmale bezweringen van angst en dood, uit­eindelijk met een loflied op de creativiteit en het leven. Ook daarin kunnen we Nietzsche herkennen, ook al wordt die nooit met name genoemd. Het is de Artistik-idee, ook een pseudo-religieuze idee, voorze­ker, maar dan wel de enige die creatief is. Dit einde bewijst ook hoe zeer we Cé­line’s anti-semitisme met een korrel zout moeten nemen.

 

Besluit

 

Samenvattend kan men zeggen dat in de trits Jood – Angst – Nihilis­me, dit laatste de algemene kultuur-historische en -filoso­fische ach­tergrond vormt. Het is deze ‘unheimlicher Gast’ (Niet­zsche) die verant­woordelijk is voor wat bv. Broch ( en bij ons Boon) het ‘verval der waar­den’ noemen. Op die algemeen-maatschap­pelijke stuurloosheid, die nog verer­gerd werd door de specifieke politieke gebeurtenissen der jaren 30, ent zich dan de (potentieel) pathologische persoonlijkheid van Céline. Wanneer diens stoppen doorslaan is de Jood het slachtoffer… voornamelijk omdat dat in de lucht hing in het Europa van die tijd. Dat is echter het meest con­tingente, en dus het minst belangrijke aspect van de trits.

Toch zou een psychoa­nalyse van het antisemitisme in de pamfletten alleszins wel­kom zijn omdat het ons nog beter zou toelaten te begrijpen waar dergelijke verschijnselen vandaan komen. En alleen wanneer we begrijpen, kunnen we er gebeurlijk ook iets aan doen.

Hoe dit ook zij, deze drie pamfletten behoren ontegensprekelijk tot de literaire en psychologische persoon­lijkheid van Céline, en ze kunnen een verhelderend licht werpen op bepaalde aspecten van zijn schrijver­schap, m.b. zijn poëtica. Maar daarenboven heb­ben ze ook een eigen lite­raire waarde, zowel door de sterke polemische kracht van som­mige bladzij­den als door de sterke taalcreativiteit van vnl. L’école des cadavres.

Na de oorlog zijn deze pamfletten nooit meer uitgegeven, tenzij in piraatedities. Zo­wel Céline zelf als zijn erfgenamen hebben een heruitgave ten eeuwige dage verboden. Persoonlijk laat mij dat koud – ook al ben ik een uitgesproken voorstander van een quasi absolute persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Degenen die die boeken willen lezen, kunnen ze zich antiquarisch aanschaffen – tegen exorbitante prijzen – of ze in wetenschap­pelijke bibliotheken raadplegen. Maar dat dergelijke boeken een gevaarlijke of nefaste in­vloed zouden kunnen uitoefenen, kan ik moeilijk geloven.

Ook al verwijst men vaak naar de morele verantwoor­delijkheid van Céline voor de judéocide en het feit dat hij zich nooit verontschuldigd heeft, nooit is teruggekomen op zijn bewerin­gen. Wat die verantwoorde­lijkheid betreft, ik geloof daar niet zo veel van : zonder Céline’s pamfletten zouden de Duitsers en hun handlangers evenveel joden hebben afge­maakt. En het tweede verwijt is on­terecht, omdat het voorbij gaat aan het essentiele, nl. Céline’s visie op de mens, die kan worden samengevat in het la­tijnse spreekwoord ‘homo homini lupus’; alhoewel dat mis­schien nog een beetje te zacht is. De geschiedenis is voor Céline één enkele bloe­derige aaneenschakeling van moorden, plunderingen, genocides, oorlogen etc. Het enige wat verandert, de enige vooruit­gang is van technische aard : vroe­ger kon men met een knots één mens doodslaan, nu kan men met een druk op een knop er miljoenen om zeep helpen. Ook de tweede wereldoorlog was volgens Céline nor­maal. De mens is zo. Ook de uitroeiing van hele groe­pen tijdens die oorlog was volgens Céline nor­maal. De mens is zo. Daar helpt geen lie­vemoederen aan. Daar is geen kruit tegen ge­wassen. Ausch­witz, Hiroshima.­.. voor Céline zijn het slechts faits divers in de weerzinwek­ken­de ten hemel stinkende mesthoop, die de gedegenereerde aap die de mens is zijn ge­schiedenis noemt. De krankzinnigheid van de mens kent geen gren­zen. Hij is onklopbaar in het zoeken en vinden van de meest absurde, i­diote, waanzinnige ideologieën, gods­diensten, politieke stelsels, ‘weten­schappe­lijke’ theorieën enzoverder en­zovoort waarachter hij zijn moordlust kan verber­gen, waarmee hij zijn ziekelijke drang om te moorden en kapot te maken kan verrechtvaardigen.

Hoe kan men in gods naam – of voor de liefhebber : in ‘s duivels naam – van iemand die zo denkt verwachten dat hij schuldgevoelens heeft, laat staan openbaar schuld gaat bekennen aangaande iets dat voor hem tot de essentie van het ‘menselijke’ behoort?

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × vier =