24.09.15 – Gelatenheid

| Geen reacties

Het gebeurt nog maar zelden dat ik boeken over filosofie lees; niet dat het me niet meer zou interesseren, maar ik heb te veel moeite om erin te komen, ik kan me niet meer concentreren zoals het moet om een degelijk filosofisch werk grondig en aandachtig te kunnen lezen. Zo heb ik enkele jaren geleden, toen ik de volledige Sartre herlas, de twee grote filosofische hoofdwerken niet herlezen; ik durfde eigenlijk niet meer.

gelatenheidHet boekje van de Duitse, mij voor de rest totaal onbekende filosoof Wilhelm Schmid: Gelatenheid. Wat we winnen wanneer we ouder worden (De Bezige bij, Amsterdam, 2015), is echter van een andere orde. Nochtans wist ik dat niet, want het boekje heb ik gekocht vanwege de titel. Zelf oud zijnde inmiddels. En omdat het zo’n klein en dun boekje was natuurlijk, terwijl de meeste grote filosofische werken kanjers zijn.

De titel deed me aan een negatief van het bekende Nietszcheaanse Amor Fati denken; dit laatste is, zowel bij Nietzsche zelf als bij de Grieken waar hij het begrip vandaan heeft, ondanks alles een positief begrip. ‘Gelatenheid’ is volgens het woordenboek eerder negatief: het zich neerleggen, het aanvaarden van het onvermijdelijke. Het is misschien eerder verwant met het epicurische begrip ‘ataraxeia’, waar de auteur trouwens expliciet naar verwijst. Of dat alle oudere mensen op het lijf geschreven is, weet ik niet, maar ik vrees dat ikzelf wel geboren ben met een zekere hoeveelheid ervan. Wat niet slecht is.

De bedoeling van de auteur is: “om de tien stappen naar de gelatenheid op te sporen die uit waarnemingen, ervaringen en overwegingen kunnen worden gedestilleerd” (p. 18) zoals hij in zijn inleiding zegt. Ik ga op die tien stappen niet allemaal ingaan, maar wel stel ik onmiddellijk vast dat ze, eerder dan ernaar toe te gaan, van die gelatenheid weg schijnen te voeren. Gelatenheid is immers (laten, weglaten, laat maar, loslaten; en etymologisch heeft het te maken met moeheid) passief van aard, terwijl Schmids tien stappen allemaal actief zijn. Toch grotendeels. Nu is het natuurlijk zo dat iedereen oudere mensen aanraadt om actief te blijven, zowel lichamelijk, door veel te bewegen, als geestelijk, door zich min of meer intensief met iets bezig te houden.

Dat alles is het tegendeel van gelatenheid.

De eerste hoofdstukjes gaan over de verschillende levensperiodes, en dan meer specifiek over de laatste periodes. Belangrijk voor de auteur is daarin het vasthouden aan gewoontes, ik citeer hem

“De zin van gewoontes ligt nu juist in het feit dat we erin kunnen vertoeven zonder krachten te hoeven verspillen: de zorg voor die gewoontes vormt dus een derde stap naar gelatenheid. Ouder wordende mensen hangen aan hun gewoontes omdat ze er in existentiële zin op zijn aangewezen het leven niet steeds opnieuw te hoeven structureren. Het lastige is dat ze hun gewoontes ook niet meer zomaar kunnen opgeven als ze anderen daarmee irriteren of zelfs benadelen. Of is dat het hele leven al zo?” (pp. 42-43)

Op die laatste vraag zou ik bevestigend antwoorden, maar wat ik belangrijker vind is het feit dat je naast de vertrouwde gewoontes wanneer je ouder wordt ook minstens moet proberen nieuwe dingen te doen, te leren, zo mogelijk als gewoonte aan te kweken. Zegt iemand die zelf vastgeroest is in allerlei gewoontes- een dwangneuroot van jewelste.

Ook banale dingen komen in zo’n boekje natuurlijk voor, met hoofdstuktitels over ‘genoegens’ en – godlof! – ‘geluk’. Of over de omgang met pijn en verlies. Er is inderdaad meer verlies naargelang je ouder wordt, maar de omgang ermee zal toch niet veel verschillen van hoe je verlies in vroegere jaren verwerkt; misschien zal het zelfs iets lichter vallen, omdat het zo normaal is.

Wat me wel aanstaat aan dit boekje is het feit dat ik er minstens twee zaken in tegenkom die ik nog niet elders gelezen heb in die vaak eenvoudige bewoordingen, maar die ik wel zelf al vaak gedacht heb (zonder het ergens expliciet te verwoorden). Zo maakt Schmid een duidelijk onderscheid tussen een depressie (wat ik nooit gehad heb) en depressies (die ik voortdurend heb); die laatste behoren tot wat hij een melancholische natuur noemt (en die heb ik definitief ook). Dat zijn natuurlijk allemaal zaken die je in een DSM-IV of V tevergeefs zult zoeken.

Op het einde van zijn boekje lijkt hij te aarzelen: ga ik nu even religieus of zelfs godsdienstig worden (of: doen) of niet. Zo heeft hij het over de ‘ziel’, en zie: hij definieert dat net zoals ik het zou doen: als (levens)energie die gewoon nooit sterft of sterven kan, alleen maar andere vormen zal aannemen. Hij verwijst expliciet naar Helmholz natuurlijk. Mijns inziens is het gewoon dat wat alle, maar dan ook alle godsdiensten zonder het te weten of te beseffen bedoelen wanneer zij het over een ‘ziel’ hebben. Mooi is dat.

Zoals het leven zelf eindigt ook het boekje met de dood. Schmid zegt er niet veel over, hij speculeert zelfs amper. Ook dat is goed; hij probeert zijn lezers geen hoop te geven, maar hen evenmin hoop te ontnemen.

Het was dus toch wel aangename lectuur. Die op de een of andere manier goed aansluit bij zaken die ik veel vroeger ooit gelezen heb, meer specifiek over het ouder worden zelf dan, en minder over dat ene gevoel dat daarbij inderdaad komt kijken. Het oudste mij bekende geschrift over het ouder worden (tenminste uit de moderne tijd, in de oudheid en katholieke middeleeuwen zijn er nog wel) is van Jacob Grimm, ‘Rede über das Alter’ heet het, en eigenlijk staat alles daar al in. Het bekendst, zeker bij liefhebbers van poëzie, zal wel de beroemde redevoering van Gottfried Benn zijn, ‘Altern als Problem für Künstler’ – alsof het voor anderen niet even goed en op quasi dezelfde wijze een probleem zou zijn.

Maar het meest beklijvend is een heus boek: Über das Altern, Revolte und Resignation van Jean Améry, die de Duitse concentratiekampen overleefde, maar toen hij ouder werd toch nog zelfmoord pleegde (zoals Primo Levi). Zijn ondertitel vat de houdingen tegenover het ouder worden goed samen; misschien kon hij de moed tot verdere revolte niet meer opbrengen en kon hij ook de nodige gelatenheid niet vinden.

Want zo’n boekje van Schmid kan wel aangename lectuur zijn, wanneer die neiging tot gelatenheid niet al in je zit (liefst van vroeg af aan), dan helpt het natuurlijk ook niks.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


veertien − elf =