22.09.15 – Lachen met Ferdinand

| Geen reacties

Ik volg de secundaire literatuur over Louis-Ferdinand Céline al lang niet meer; er verschijnt gewoon veel te veel; dat wel belang zal hebben voor de kenners uit de universiteiten, maar waar de gewone liefhebbers van het werk van Céline vaak weinig aan hebben.

dervalToch lees ik af en toe nog wel eens wat over hem: zo nu bv. een reader van André Derval: L’accueil critique de Bagatelles pour un massacre ( Editions Ecriture, Paris, 2010). Ik heb zelf ettelijke decennia geleden een tamelijk uitgebreid opstel geschreven over de ‘anti-semitische’ pamfletten van Céline (dat opstel heb ik hier nooit gepubliceerd, het dateert nog van voor internet; maar ik ben wel van plan dat vooralsnog te doen, binnenkort), vandaar dat vooral dat aspect me interesseert, meer in elk geval dan de linguistische bijdragen over Céline’s taal, zijn gebruik van het argot edm.

Net zoals bij zijn vorige publicaties had Céline helemaal niet te klagen over de aandacht die de kritiek hem schonk, integendeel zelfs. Een boek als deze Bagatelles bv. kreeg niet minder dan 61 recensies, wat in elk geval betekent dat het alles behalve doodgezwegen werd, zoals beweerd werd door sommige van die critici – maar die vooral uit extreem-rechtse hoek afkomstig waren. Er zijn neutrale recensies, er zijn recensies pro (vandaag de dag zou dàt totaal en absoluut onmogelijk zijn) en er zijn recensies contra. Er zijn lange en korte recensies, en verder zijn er alle mogelijke emotionele reacties in aanwezig, van verontwaardiging over walg en boosheid tot vreugde ook (zelden dat).

Het is niet enkel een boeiende bezigheid om te lezen hoe de contemporaine critici tegenover een dergelijk boek stonden, het is misschien vooral een verbijsterende ervaring.

Op de eerste plaats al dat een dergelijk boek zoveel gerecenseerd werd; nu is het wel zo dat niet enkel de joden erin kop van jut zijn (daarom heb ik ‘anti-semitisch’ hierboven tussen aanhalingstekens gezet) maar de Fransen zo mogelijk nog meer; om de Angelsaksen niet te vergeten, de vrijmetselaren en eigenlijk iedereen. Vandaag de dag zou een dergelijk boek enkel nog in samizdat kunnen verschijnen, en daarna zou het een zaak van de politie en de rechtbanken worden; geen enkele krant of weekblad zou er ook maar een woord aan vuil maken. verbijsterend ook wanneer je bedenkt dat een volkomen onschuldig boekje als De ondergang van Nederland, land der naïeve dwazen van Mohamed Rasoel bij verschijnen voor zo veel heisa heeft gezorgd, terwijl het enkel enkele waarheden bevatte die de goegemeente niet wou horen. Het boek van Céline daarentegen bevat enkel onzin van racistische en andere soort, welja onverbloemd zoals dat toen nog kon.

Verbijsterend vind ik vooral het feit dat zo vele critici dit boek ernstig opnamen en er ook ernstig op ingingen, vaak bladzijden lang, en soms door stukken uit Céline naast stukken uit obscure anti-semitische publicaties te plaatsen en zo aan te tonen dat Céline plagieerde. Dat zijn er slechts enkelen overigens, en die zijn vooral in linkse en joodse publicaties te zoeken. Aan de andere kant van het spectrum zijn er de fascisten Brasillach en Rebatet die het boek toejuichen, maar toch ook de opmerking maken dat de auteur wel overdrijft en zo de zaak van het anti-semitisme geen goed zou doen. Bij het volgende pamflet van Céline, L’école des cadavres, was dat natuurlijk nog veel meer het geval en zouden deze critici, voor zover ik me herinner, er zedig het zwijgen toe doen.

Buiten deze extremen om gaan echter ook de meeste critici van gewoon rechts of van gewoon links of van het midden even ernstig op het boek in. Begrijpe wie begrijpen kan. Temeer daar de opmerking die doorheen alle kritieken het vaakst voorkomt en bij quasi iedereen, er een is die op het ziekelijke karakter van boek en auteur wijst: “C’est exactement le type d’ouvrage qui donne aux lecteurs des inquiétudes sur l’état de santé d’un auteur.” (p. 44); “cas médical aussi, sans doute” (p. 82); “le cas de M. Céline relève sans doute davantage de la pathologie” (p. 97); en zelfs Rebatet: “Pour des années démentes, est-il meilleur peintre qu’un fou?” (p. 103); “signes évidents de déséquilibre mental” (p. 111); “M. Céline a atteint le point d’évolution de sa maladie où il n’a plus tout à fait le contrôle de lui-même. (…) On ne peut en effet expliquer autrement que par des causes pathologiques une telle indécence dans la stupidité, un tel exhibitionnisme dans le crétinisme.” (p. 116). En daarmee hou ik op wat dat betreft: er komen nog meer dan tweehonderd bladzijden en die verwijzingen naar Célines geestestoestand komen voortdurend terug.

Wanneer dat zo is, zo zou je toch stellen, dan laat je zo’n boek links (of rechts voor mijn part) liggen. Een betere houding (althans volgens mij) is die van enkele critici, die op het humoristische karakter van het boek wijzen. Sabord: “Mais non, cher Bardamu, et ces coeurs abâtardis auront besoin de vous pour rire. Vous l’avez dit vous-même: “Pour bien rire dans les tranchées”” (p. 43); of Tailhade: “des pages à se rouler par terre de ravissement.” (p. 77). Ik herinner me zelf nog hoe ik voortdurend de lectuur moest stoppen omdat ik gewoon dreigde te stikken van het lachen. Doodgewoon.

En de enige die dat blijkbaar helemaal doorhad was niet van de minsten: André Gide himself, in een stuk, ‘Les juifs, Céline et Maritain” in de NRF. “Il fait de son mieux pour qu’on ne le prenne pas au sérieux.”, (p. 257) aldus Gide en hij concludeert: “Certains autres pourront trouver malséant un jeu littéraire qui risque, la bêtise aidant, de tirer à conséquence tragique.” (ik cursiveer, pp. 259-260). Daar ben ik het eigenlijk wel helemaal mee eens.

De samensteller van deze reader, André Derval, duidelijk niet. In zijn inleiding gaat hij in op wat hij de ‘stellingen’ en de ‘argumenten’ van Céline noemt. Maar dat is nu juist de clou: Céline poneert helemaal geen stellingen, en hij argumenteert nooit en nergens. Er zijn mijns inziens inderdaad maar twee mogelijkheden: ofwel de auteur stak welbewust de draak met alles en iedereen, ofwel hij was inderdaad het slachtoffer van een tijdelijke angstpsychose (bij het naderen van de tweede wereldoorlog). Maar die heeft hij dan gewoon van zich afgeschreven in dit en het volgende boek, door wild en ongeloofwaardig, maar puur literair gezien op een geniale manier om zich heen te slaan tegen alle mogelijke vijanden. En daartoe behoorde zowat iedereen, behalve zijn katten en honden.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × vier =