18.09.15 – Patrick Conrad

| Geen reacties

patrick-conrad-asEnkele dagen voor wij met onze jaarlijkse fietsvakantie begonnen, werd in Antwerpen bij De Slegte Patrick Conrads As, gedichten 1963-2014 (Poëziecentrum, Gent, 2015) voorgesteld.

Jammer dat ik er niet bij was. Het was een gelegenheid geweest om nog eens enkele woorden met Conrad te wisselen; dat gebeurt zo ongeveer elke tien jaren, en gelet op ons beider leeftijd kan het natuurlijk zijn dat…

Het eerste boekje dat ik van hem kocht was de eerste verzamelbundel, Mercantile Marine Engineering, die toen, in 1967 of 1968 pas verschenen was. Ik kocht hem in de Vécu en maakte later die avond ook kennis met de auteur zelf. Zijn poëzie kende ik echter al; waarschijnlijk is het Jan de Roek geweest die ze mij iets eerder leerde kennen. Rond die tijd heb ik ook zijn eerste bundels aangeschaft, maar hoe of via wie weet ik niet meer (gelet op de bibliofiele aard en dus de kleine oplagen zullen ze wel niet meer verkrijgbaar zijn geweest).

En nu ligt dus het hele werk voor, in een grote en dikke prachtuitgave, die door Matthijs De Ridder voorbeeldig werd samengesteld en uitgegeven, een beetje zoals hij dat deed met de gedichten van Burssens.

Ik denk dat bij poëzieliefhebbers het werk van Conrad genoeglijk gekend is, ook al is het alweer jaren geleden dat nog eens een bundel van hem gepubliceerd werd (Annalen was dat, een autobiografie in verzen en een bundel die eerder atypisch was voor Conrad).

Dit werk vertoont een zeer sterke eenheid, vanaf de eerste tot de laatste bundel, en dat zowel stilistisch als wat de inhoud betreft. De eerste bundels van Conrad werden niet enkel uitgegeven door Henri-Floris Jespers, ze bevatten meestal ook een inleiding of uitleiding van hem, waarin het werk van Conrad overtuigend geplaatst werd in een maniëristische traditie. De dichter zelf mag het daar niet helemaal mee eens zijn, ik denk toch dat Jespers het minstens gedeeltelijk juist gezien heeft. Tenminste wanneer we het begrip ‘maniërisme’ verbinden met het begrip ‘barok’.

Alles in deze poëzie speelt zich a.h.w. af in een theaterwereld, op een scène; het is geen toeval dat films en filmsterren zo’n grote rol spelen in dit werk. Werkelijkheid en fictie lopen voortdurend door elkander heen, en de lezer weet amper wat echt is of niet. Zelfs historische gebeurtenissen (bv. de dood van Karel de Stoute bij Nancy in de cyclus ‘1477’) worden in een theatrale context geplaatst; of ‘Het gedicht Engel’ waarin het bekende Antwerpse café een soort Bühne wordt. Ook de sterke aanwezigheid van de dood in deze poëzie is typisch voor de barok, zeker de manier waarop zij optreedt: als een wufte dame vaak: ‘Vrouwelijk als de dood’ staat er. En dat heeft niets met Franse invloed te maken (‘la mort’). Ook de vergankelijkheid (onder de vorm van zeer directe en soms voor sommige lezers schokkende verwijzingen naar lichaamsfuncties) past daarbij. En als absolute tegenstelling heb je dan natuurlijk de lofliederen op de liefde, op de eerste plaats in zijn fysieke vorm; lichamen in een theater, ‘el gran theatro del mundo’ zoals dat heette in de Spaanse barokke Siglo de Oro. Maar er zijn natuurlijk ook de veel voorkomende verwijzingen naar luxueuze plaatsen (boudoirs, hotelkamers…) en dingen (exquise whiskeys of sigaretten of parfums…) die het verval en de overal loerende dood moeten maskeren, op een afstand houden.

De stijl komt met dat barokke levensgevoel wonderwel overeen. Conrad maakt zeer graag gebruik van tegenstellingen, paradoxen, hij gebruikt oxymorons, inversies (vooral in het vroege werk, later wordt de zinsbouw ‘gewoner’ ) en alle poëtische en rethorische middelen die hem daarbij dienstig kunnen zijn, zonder dat het ook maar ooit een ‘manier’ wordt. Vanaf het begin, de eerste bundel, Cezar & Jezabel uit 1963 – Conrad was toen achttien – tot de laatste klinkt een volkomen authentieke stem op uit deze gedichten. Uiteraard is er evolutie; die eerste bundel is nog typisch jeugdwerk, maar al zeer snel, zeker vanaf de zo-even genoemde eerste verzamelbundel, hebben we te maken met een dichter die zichzelf gevonden heeft, en die toch wel de beste van zijn generatie genoemd mag worden.

Onder de titel ‘gedichten 2008-2014’ zijn er ook zes nieuwe cycli opgenomen in deze verzamelde gedichten. Zonder een kameleon als Claus te zijn weet Conrad zich ook hierin weer te vernieuwen – en toch zichzelf gelijk te blijven. Laat me éen voorbeeld citeren uit de cyclus ‘Garibaldi’:

“Omdat alles vergaat, alles vervliegt,
de geur van de stilte,
de kleur van de wind,
de smaak van de sneeuw,

houd ik mijn mond en sluit ik de ogen,
op zoek naar die ene
onzichtbare zin van goud.

Zoals de anderen de troost achterna hollen
of wachten op de nachten
vol te veel en te weinig.” (p. 669)

De eerste korte strofe alleen al bevat twee van de belangrijkste kenmerken van de literaire barok: de verwijzing naar de vergankelijkheid enerzijds, en dan het principe van het concordia discors (dit laatste behoort natuurlijk ook tot het maniërisme – zie Hocke).

Maar de sterkste van de nieuwe cycli is wat mij betreft wel die aan Hugo Claus is gewijd, ‘de as van Claus’. Stuk voor stuk zijn het gedichten die af zijn, tien stuks die zonder problemen naast Claus’ eigen Het graf van Pernath kunnen en mogen staan. Schitterend bv. vind ik deze omschrijving van sterven:

“Want wat is doodgaan anders
dan verlangen naar het voze, veilige, vunzige vocht
van dat lijf dat ons luidruchtig verwierp?” (p. 685)

Eigenlijk zou ik deze hele cyclus moeten citeren; enkel daarvoor is het de moeite waard deze uitgave aan te schaffen, ook wanneer je alle vroegere bundels al hebt. En alle kenmerken van wat ik ‘barok’ noemde zijn hierin nog steeds aanwezig; als er een verschil is met vroegere poëzie, dan situeert zich dat in de regelmaat van de zinsbouw, en in de toon die veel bitterder klinkt dan vroeger het geval was. De stafrijmen, die in de vroegere poëzie wel eens tot maniertjes dreigden uit te groeien, zijn hier volkomen organisch binnen het gedicht gegroeid. Overdrijven daarin doet Conrad al lang niet meer. Hier is iemand aan het woord die zijn metier door en door beheerst.

Conrad beschouwt zichzelf op de eerste plaats als dichter. Terecht zoals deze bundeling bewijst. Maar de belangrijkste elementen uit deze poëzie vinden we eveneens in zijn andere werk terug; in zijn tekeningen bv. waarvan gelukkig een groot aantal eveneens in dit boek opgenomen zijn, zeker degene die ook in de oorspronkelijke bundels voorkwamen. En ook in zijn films – voor zover mijn herinneringen juist zijn; ik heb bovendien niet alles gezien.

patrick-conrad-marcelOok voor zijn proza geldt dat alles, vanaf het prachtige decadente, een beetje door L’histoire d’O geïnspireerde verhaal ‘Aubrey, een reportage’, dat in 1967 in Vandaag 13 verscheen. Tot wat ik een meesterwerk vind, nl. de enkele jaren geleden verschenen en totaal ten onrechte totaal onopgemerkt gebleven roman Leven & werk van Marcel van Acker. Ik las dat vlak voor of vlak nadat ik Lanoye’s moederroman las, en ik herinner me nog dat deze laatste daarin schreef dat hij niet zou aarzelen voortaan nog barokker te gaan schrijven. Zo’n uitspraak bewijst dat Lanoye totaal niet weet wat barok inhoudt, want de roman van Conrad is wel een typevoorbeeld van barok: de totale verscheurdheid, het spel met de maskers, het verhullen en onthullen enzoverder. Barok heeft niets te maken met het gebruik van veel, meestal overtollige woorden, integendeel. Conrads stijl in die roman is trouwens eerder sober.

Maar soit, iemand die wil weten wat je onder barok werkelijk moet verstaan kan ik enkel het boekje van Anne-Laure Angoulvent aanraden: L’esprit baroque (PUF, Que sais-je?, Paris, 1999); dat is een schitterende en beknopte inleiding.

Tenslotte is Conrad sinds jaren ook een schrijver van thrillers, roman noirs of hoe je het ook noemen wil. Ook daarin komt dat aspect voor, vooral misschien in de eerste thrillers, waarin heel wat grand guignol-elementen voorkomen. Verder kan ik daar weinig over zeggen, omdat ik dat genre en zijn regels amper ken.

Tennslotte nog twee kleine opmerkingen. Ik vind het jammer dat de poëtische dialoog waarmee Cezar & Jezabel opent, en die ongeveer de helft van dat boek uitmaakt, niet werd opgenomen. Hij verschilt niet wezenlijk van de gedichten in die bundel. Maar soit (nogmaals).

Tenslotte is er het gedicht ‘Heren van stand’ dat als bijlage helemaal op het einde van het boek opgenomen werd. Het is een typisch atypisch gedicht van Conrad: geëngageerd op een heel eigen wijze, maar toch gelardeerd met alle luxe-ingrediënten die we ook in zijn overige werk tegenkomen. Volgens samensteller Matthijs de Ridder verscheen dat gedicht in 1994 in De Brakke Hond en werd het nooit gebundeld. Beide beweringen kloppen. Maar het gedicht dateert al van veel vroeger, het verscheen voor het eerst in 1988 in het dagblad De Morgen nadat het om evidente redenen geweigerd was door Trends, die het overigens in opdracht had gegeven. Ik druk die oorspronkelijke versie hier af; ze wordt voorafgegaan door een beetje uitleg over het wat en het waarom. En daarmee eindig ik:

p-c-gedicht

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


19 − zestien =