17.09.15 – Stalinisten

| Geen reacties

Dominique Desanti was een bekende communistische journaliste; meer dan tien jaar lang (van ongeveer 1943 tot 1956) was zij lid van de PCF en schreef zij voornamelijk in de partijpers. Het jaar 1943 zegt al dat zij tijdens de bezetting lid werd van de partij, toen zij zich ook bij de belangrijkste Franse verzetsbeweging aansloot. Zij was de enige niet om dat te doen. Zoals zij ook de enige niet was om in 1956 de partij te verlaten, na Hongarije dus en na het 20ste congres van de KPSU.

desantiHaar jaren in de PCF heeft zij beschreven in wat ik een belangrijk boek vind: Les staliniens, une expérience politique 1944-1956 (Editions Fayard, Paris, 1974). Ik vind dit een belangrijk boek o.m. omdat de schrijfster duidelijk géén Doriot geworden is, maar links en progressief gebleven is – of moet ik zeggen ‘geworden is’!? Het is inmiddels immers wel zonder meer duidelijk geworden dat de zgn. ‘socialistische’ landen en de West-Europese KP’s van een onnoembaar en onbegrijpelijk conservatisme blijk gaven, in die mate zelfs dat de meest conservatieve politiekers van vandaag (Bart de Wever op kop) wellicht huilend zouden zijn weggelopen bij zoveel behoudsgezindheid.

Dat is een van de zaken die uit Desanti’s boek blijken. Eén enkel voorbeeld slechts: de vrouw van Thorez (Jeannette Vermeersch – van Vlaamse afkomst? familie van den Etienne?) verzette zich hardnekkig tegen abortus, tegen geboortecontrole en tegen alle andere dergelijke maatregelen, want die waren ‘bourgeois’. Maar misschien hebben we hier eerder met totale domheid te maken. Overigens, de grote baas steunde zijn vrouw natuurlijk.

Zij probeert in deze partijmemoires vooral te achterhalen enerzijds wat haar en haar man naar de PCF gedreven heeft, en anderzijds en vooral hoe het mogelijk was zo lang daarin te blijven en de partij op alle dwaalwegen te blijven volgen. Op de eerste vraag is het antwoord natuurlijk gemakkelijk: de PCF was inderdaad de drijvende kracht achter het verzet tegen de Duitse bezetter, en daarom was het ook geen toeval dat ze na de bezetting de grootste partij van Frankrijk werd. Zoals de PCI in Italie, waar Desanti wel goede contacten mee had. Zij schrijft bv. veel over de leiders van beide partijen, Thorez in Frankrijk en Togliatti (Ercoli) in Italië. Het contrast tussen de twee kon niet groter zijn: enerzijds de arbeider en anderzijds de intellectueel, enerzijds de waarschijnlijk amper tot zelfstandig denken in staat zijnde arbeiderszoon, en anderzijds de intellectuele paling, die zich door alles heen gewriemeld heeft. Eén van de verwijten die vooral intellectuelen nogal eens naar het hoofd geslingerd kregen was dat ze kleinburgers gebleven waren. Wellicht. Maar toch beter dan die arbeider die niets anders was dan een pure marionet van de Sovjet-Unie. Overigens, ook Marx, Lenin, Stalin enzoverder enzovoort waren intellectuelen.

Elk hoofdstuk van haar boek laat ze voorafgaan door een overzicht per maand van het behandelde jaar (of jaren) van de belangrijkste politieke gebeurtenissen in de wereld, met de nadruk op Europa en de communistische wereld. Dat is een nuttige zaak om de daarop volgende persoonlijke herinneringen beter te kunnen plaatsen. Desanti was eigenlijk van Russische afkomst en sprak goed Russisch; dat zorgde ervoor dat zij ook de andere Slavische talen goed begreep (de verschillen tussen de Slavische talen zijn erg klein – het verschil tussen Russisch en ‘Oekraïens’ bv. is kleiner dan dat tussen Vlaams en Nederlands), en dus vele contacten had in wat al vlug het Oostblok ging heten. Zo kende zij ook de interne keuken aldaar tamelijk goed. Haar grootste zelfkritiek in het boek heeft betrekking op de processen van Kostov, Rajk en iets later Slansky. Dat van Kostov in Bulgarije woonde ze persoonlijk bij en dat heeft waarschijnlijk het zaad gestrooid van haar toenemende twijfel. In tegenstelling tot alle anderen loochende Kostov op zijn proces immers wat hij schriftelijk ‘bekend’ had, verklaarde zich onschuldig en wou zeggen dat hij onder druk of onder marteling ‘bekend’ had; maar dat laatste lukte niet meer, toen werd zijn microfoon afgesloten – nadat de koptelefoons van de buitenlandse pers al eerder afgesloten waren.

Na het 20ste partijcongres van de KPSU werden de meesten van deze terechtgestelden gerehabiliteerd, nadat in Polen en Hongarije opstanden uitgebroken waren. Desanti is zeer duidelijk daarover: in een eerste fase gingen deze opstanden van de bevolking uit, er werden bv. arbeidersraden (sovjets) gevormd, hetgeen bewijst dat dit een ‘linkse’ opstand was tegen een ‘rechtse’ regering, en dat de socialistische economische basis niet in vraag werd gesteld. Met andere woorden: dit is wellicht de laatste kans geweest om inderdaad een socialistische maatschappij uit te bouwen, ook en vooral in de bovenbouw. Maar het tegendeel is gebeurd en daarna was het definitief te laat.

Ook de afwisseling tussen buitenlandse herinneringen en binnenlandse herinneringen maakt het boek erg leesbaar en bewijst voor zover nog nodig dat de West-Europese KP’s, de Franse voorop, allesbehalve nationale, zelfstandige partijen waren. Voor wie iets van de Franse geschiedenis van de laatste eeuw kent, is het natuurlijk boeiend de interne keuken van een belangrijke partij binnen te komen. Zo weet ik nu bv. ook dat Thorez zijn tweede man, Frachon, gewoon liet bespioneren, tot in zijn privéleven toe – van onderling vertrouwen gesproken. Roddel? Vermoedelijk niet, Desanti is daar de persoon niet naar, en er zijn te veel andere voorbeelden van die praktijken.

De ironie wil dat ik, terwijl ik dit schrijf, het achtste deel van de dagboeken van de anarchist Mühsam beëindig; die zit in een Beierse gevangenis, en beschrijft het wantrouwen tussen de ‘revolutionairen’ die daar zitten, de haat, de nijd, de manieren waarop ze elkaar tegenwerken en proberen kleine voordeeltjes te krijgen door met de directie aan te pappen enz. Te wijten aan de gevangenisomstandigheden, zal men zeggen. Niet helemaal, antwoord ik, vooral te wijten aan wat ik enkel de laaghartige menselijke aard kan noemen, die onder communisten en ‘revolutionairen’ op exact dezelfde manier te werk gaat als onder burgers en kleinburgers. Of ze nou in de gevangenis zitten of niet.

Ook haar eigen vak komt aan bod natuurlijk. Zolang ze schreef wat de partij verwachtte was er geen probleem. Een van die geschriften van haar was bv. een brochure tegen Tito en de zijnen waarin zij de bovenvermelde processen toch goedkeurde. Meermaals spreekt ze haar spijt over die brochure uit. Maar belangrijker is het feit dat alles wat ze schreef voorgelegd moest worden. Dat is dezelfde praktijk natuurlijk als bij de burgerlijke kranten (toen en nu) of bij nieuwssites op internet. Persvrijheid is en was een lachertje, ja persvrijheid kan gewoon niet bestaan, hoe men het begrip ook definieert. En net zoals bij de burgerlijke pers werd ook bij L’Humanité et tutti quanti enkel gepubliceerd wat in overeenstemming was met de politieke lijn van de dag – en die kon nogal eens veranderen. Aragon stelde zich hierbij nogal eens als dictator op, maar de belangrijkste censor schijnt Laurent Casanova geweest te zijn. Met zo’n naam zou ik me met wat anders hebben bezig gehouden.

Veel nadruk legt Desanti ook op de taal, met name op de rituele formules die te pas en te onpas gebruikt werden en moesten worden, de verwijzingen naar Stalin ook. Hilarisch is een anekdote over een wetenschappelijk artikel van haar man, die gekapitteld werd omdat hij de naam van de grootste wetenschapsmens van het tijdperk niet één keer genoemd had. Wie dat was, weten we natuurlijk. Die twee zaken – en nog wel andere- doen Desanti meermaals het woord ‘foi’ in de mond nemen – geloof. En dat is het waarschijnlijk wel geweest, dat stalinisme. Mijns inziens is dat ook het belangrijkste verwijt dat men aan Stalin kan richten: dat hij van het marxisme, dat een creatieve methode moet zijn om de maatschappelijke processen te analyseren en meer niet, een orthodoxe doxa, met vaststaande leerstellingen (dogma’s) waaraan niet getwijfeld, laat staan afgeweken mag worden, met helden (Marx, Engels, Lenin, Stalin, Mao als profeten en heiligen), met ketters en afvalligen (een van de scheldwoorden was ‘traître à la classe ouvrière’), met concilies (partijcongressen) enzoverder enzovoort, heeft gemaakt, een seculiere religie. In dat aspect, en enkel daarin moet je ook de verwantschap met het fascisme zoeken, niet in de doctrine zelf.

Ik denk dat Desanti wat dat betreft overschot van gelijk heeft, en het is misschien jammer dat ze dat aspect niet verder en gedetailleerder uitwerkt (de begrafenissen bv. – ik heb een DVD over de begrafenis van Stalin, dat was krek hetzelfde als de begrafenis van een paus in Rome in die tijd – met evenveel pomp, met evenveel staatslieden, met evenveel rituelen). Maar misschien is dat niet nodig, want er bestaat wel degelijk een boek waarin communisme in zijn stalinistische variant en ook fascisme als semireligieuze fenomenen behandeld worden. Het betreft éen van de beste doctoraten die ik ooit gelezen heb. Iedereen die in deze problematiek geïnteresseerd is, moet dat eenvoudigweg lezen.

sironneauJean-Pierre Sironneau: Sécularisation et religions politique (Mouton Editeur, La Haye, 1982 – het werd heruitgegeven door de Gruyter in Berlijn in 2012), zo heet dat boek. De auteur ervan is erg voorzichtig: hij verwittigt de lezer meermaals dat hij het niet heeft over de doctrines zelf die hij behandelt, maar wel over de verschijningsvormen ervan. Hij stelt beide doctrines – terecht – dus niet gelijk, maar wel hun manieren van werken, van zich uiten. De auteur maakt daarbij gebruik van een veelvoud aan disciplines: de politicologie, de theologie, de sociologie, de psychologie, de godsdienstgeschiedenis en de algemene geschiedenis… En hij geeft er blijk van deze, zeker voor wat zijn onderwerp betreft, goed te beheersen. In het licht van deze studie blijkt overduidelijk dat wat Desanti beschrijft gewoon een seculiere vorm van religie is, met Stalin als Christus, of als God-de-Vader eerder. Het is trouwens geen toeval dat de naam van Desanti vaak opduikt in de studie van Sironneau. Bij mijn weten is er nog één land ter wereld waar een dergelijke seculiere religie ten volle beoefend wordt: Noord-Korea. En dat zeg ik niet om mee te doen aan de propagandahetze van het Westen en zijn pers tegen dat land. Ik stel enkel een feit vast.

Laat mij één enkel iets citeren uit dit omvangrijke boek:

“Qu’est-ce que le communisme? – C’est ce qui se profile à notre horizon. – Qu’est-ce que la ligne d’horizon? – C’est ce qui s’éloigne à mesure que l’on se rapproche.” (p. 234)

Waarschijnlijk is daar de reden te vinden waarom sommigen zo lang plakken bleven in deze semireligieuze partijen: de hoop. Hoop op een betere maatschappij, op een beter leven, wat Bloch (nog een ‘renégat’, een ‘traître à la classe ouvrière’) ‘das Prinzip Hoffnung’ noemde – het laatste dat overbleef in de doos van Pandora. En de banden die onbewust groeien tussen de leden van eenzelfde groep, zeker als die groep binnen het geheel van een maatschappij marginaal is, zoals de westerse KP’s – hoe groot ze op zichzelf ook waren.

Wat voor mij het meest ontluisterende was van dit boek, was het inzicht dat de ‘nieuwe mens’, de ‘betere mens’ en dus de betere maatschappij gewoon een totale leugen was: ze wisten in 1989 niet hoe snel ze moesten zijn om alles bij elkaar te graaien wat ze maar graaien konden, de ‘nieuwe mensen’ daarginder. Maar ook voordien, in de PCF was het niet anders: een krabbenmand waar iedereen iedereen naar het leven stond, erger dan welke CVP dan ook. Hetzelfde soort misselijkmakende politieke praktijken als in alle andere burgerlijke partijen. Niks geen verschil, nada, nihil. Allemaal stront.

Desanti’s boek verscheen in 1974; het verwondert dus niet dat zij heel af en toe ook mei 1968 vermeldt en de gauchistische groepjes, groupuscules, partijtjes en partijen die daar ontstaan zijn. Die heb ik zelf nog gekend uiteraard, ook al heb ik me daarin nooit zo erg geëngageerd als de mensen waarover dit boek gaat (Gilbert Mury bv. die ze enkele keren noemt als typevoorbeeld van een stalinistische gelovige, heb ik nog persoonlijk gekend). Maar het was inderdaad niets meer dan een herhaling, een replica van de KP’s van voor 1956. Zij gaat daar nooit echt diep op in, en maar goed ook, want niet alleen zou dat te ver voeren in het kader van haar boek, ook op zichzelf heeft het weinig belang.

De huidige communisten hebben althans het taalgebruik uit de religieuze tijd afgeschud. Maar zouden ze zich ook voor de rest werkelijk vernieuwd hebben, werkelijk afstand genomen hebben van bepaalde verwerpelijke praktijken (zonder dat ze daarbij de kern van hun marxisme hoeven te verloochenen – je moet het badwater nu eenmaal af en toe grondig verversen)?

Wer’s glaubt, wird selig, zeggen ze in het Duits

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


een × 3 =