16.09.15 – De onrust van Jacob Israël de Haan

| Geen reacties

Het moet in de jaren zeventig van de vorige eeuw geweest zijn dat ik de twee romans van de Haan las, die bij hun eerste verschijnen bij het begin van die eeuw zo’n ophef hadden gemaakt omdat er, voor het eerst wellicht in de Nederlandse letteren, zo openlijk en onverbloemd over homoseksualiteit geschreven werd, iets dat nog vele decennia strafbaar zou blijven, ook in westerse landen. Ik herinner me amper nog iets van die lectuur, schokkend zal het zeker niet geweest zijn, ik was wel andere zaken gewend; waarschijnlijk zal het eerder door het nog door de tachtigers beïnvloede taalgebruik geweest zijn dat die boeken uit mijn geheugen verdwenen zijn. Maar ik zou ze moeten herlezen (ik zou zo veel moeten herlezen).

Wat me wel steeds bijgebleven is, dat zijn de gedichten van de Haan; die verschenen voor het eerst en het laatst in twee mooie deeltjes in 1952 bij Van Oorschot, op dundrukpapier. Dat was wel degelijk een ontdekking. Ik had Eekhoud toen al gelezen en ontdekte hier tot mijn verbazing een poëtische weergave van enkele van diens mooiste boeken, in aansprekende en zeer persoonlijke verzen. Maar het zullen vooral de kwatrijnen geweest zijn, die me aanspraken en die me tot vandaag zijn bijgebleven (ook al heb ik er de laatste jaren niet meer in gelezen). Het zijn geen doordeweekse kwatrijnen, ze zijn niet ‘zoetvloeiend’, maar eerder hard en stug, vaak uitgesproken parataktisch en zelfs elliptisch. Een vast metrisch schema is in deze kwatrijnen ook quasi helemaal afwezig; het eigen en persoonlijke ritme overheerst het vers volkomen. En dat komt wonderwel overeen met de onrustige inhoud van vooral deze kwatrijnen.

jan-fontijnHet verwondert dan ook niet dat Jan Fontijn, die we kennen van een schitterende, erg gedetailleerde tweedelige biografie van Frederik van Eeden, zijn biografie over de Haan deze titel heeft gegeven: Onrust. Het leven van Jacob Israël de Haan (Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2015). Net zoals uit zijn gedichten blijkt uit deze biografie ten volle dat de Haan een zoekende was, maar die (gelukkig?) nooit iets gevonden heeft waaraan hij zich definitief zou kunnen vastklampen, behalve het joodse geloof wellicht (hij publiceerde niet voor niets twee dichtbundels die de titel Het Joodsche Lied droegen), het enige dat hem troosten kon in een wereld, een maatschappij en de mensen daarin die hij niet verdragen kon. La recherche de l’absolu noemde Balzac een van zijn schitterendste romans, en deze de Haan is een van hen die daar gedreven als weinigen naar op zoek zijn gegaan.

In twee delen (in één boek) weet Fontijn dit rusteloze en korte leven grondig voor ons te schetsen, waarbij weer eens opvalt hoe minutieus hij tewerk gaat, hoe grondig zijn onderzoek was. Misschien schrijft hij een beetje stroef, maar dat heeft dan ook het voordeel dat de lezer aandachtiger bij de tekst moet blijven dan bij een vlotter lezend boek.

Het eerste deel behandelt de Nederlandse jaren van de Haan, vanaf zijn geboorte en jeugd, tot zijn vertrek naar Palestina; dat is ook het langste deel van dat leven: vanaf 1881 tot 1919. In dat laatste jaar ging hij dus naar Palestina, waar hij nog slechts enkele jaren te leven had.

Hij werd geboren in Smilde in een min of meer orthodox, in elk geval zeer religieus joods gezin, bijna een jaar na zijn zuster die als de schrijfster Carry van Bruggen door het leven zou gaan. Gelet op zijn latere ontwikkeling kan het niet anders of zijn jeugd in dit gezin moet een sterke invloed op hem hebben gehad. Zijn vader was godsdienstonderwijzer en voorzanger in de plaatselijke joodse gemeente. Vooral uit het reeds vermelde Het Joodsche Lied blijkt die invloed. Veel meer in elk geval dan uit de eerste pennevruchten. Ook Jacob ging eerst voor onderwijzer studeren, maar ettelijke jaren later zou hij op eigen kracht nog een doctoraat in de rechten halen. Ondertussen was hij wel bevriend geraakt met van Eeden, die hem een leven lang zou blijven steunen en literair een soort mentor voor hem was. (Het zal overigens via die weg geweest zijn dat Fontijn op de figuur van de Haan gekomen is.) Ook werd hij actief in de Nederlandse sociaal-democratie, je mag hem dus ‘links’ noemen.

Dat laatste heeft echter niet lang geduurd, want door zijn schandaalverwekkende publicaties, met name de roman Pijpelijntjes, werd hij al vlug persona non grata in ‘socialistische’ kringen. Fontijn gaat diep in op de eigentijdse achtergronden van deze roman, niet enkel in het leven van de Haan zelf, maar ook en vooral in de bredere cultuur, waarbij Weininger aan bod komt, maar ook een van de stichters van het zionisme, Max Nordau (eigenlijk: Max Südfeld), die bekend is van het toen erg ophefmakende boek Entartung, dat eigenlijk al een prefiguratie is van, inderdaad nationaal-socialistische opvattingen over cultuur en kunst. Ook de Haans volgende roman, Pathologieën, gaf nog aanleiding tot sterke polemieken, in die mate zelfs dat zijn eerder onschuldige medewerking aan de sociaal-democratische pers definitief werd stopgezet. Dat heeft er ook deels voor gezorgd dat hij zich meer ging bezinnen op zijn joodse wortels en hij zich aangetrokken ging voelen tot het zionisme, zeker na enkele reizen naar het toenmalige Rusland, waar pogroms bijna dagelijkse kost waren. Fontijn weet heel deze ontwikkelingen niet enkel grondig te schetsen, hij weet ze ook goed te illustreren met citaten uit met name het dichtwerk van de Haan.

Nu is het natuurlijk gevaarlijk voor een biograaf om de poëzie van zijn onderwerp als bron te gebruiken. Maar Fontijn beheerst zijn vak genoeg om dat toch te kunnen doen; temeer daar zijn citaten werkelijk illustraties zijn van een levensgevoel, een mentale ontwikkeling, en niet zozeer van pure feiten, die dan elders wel dubbelgecheckt moeten worden. Hoe dan ook, toen hij in 1919 naar Palestina vertrok had hij zich herbekeerd tot het jodendom, was hij duidelijk zionist geworden, én was hij al een politieke figuur die ook internationaal bekend was. Dat laatste zou in de weinige jaren in Palestina nog sterker gebeuren, maar van het zionisme zou hij radicaal afstand nemen, echter zonder zijn geloofsovertuigingen te verliezen, integendeel zelfs. En dat spreekt natuurlijk voor hem.

Het tweede deel van Fontijns biografie is even omvangrijk als het eerste, maar door de aard der zaak (hij behandelt hier slechts vijf jaren, de laatste van de Haans leven) gaat hij op bepaalde aspecten dieper in, met name op de politieke ontwikkelingen in Palestina en op de houding van de Haan daartegenover. En het belangrijkste feit daarbij is wel dat de Haan zeer, zeer snel volledig afstand nam van het zionisme en het zelfs ging bestrijden. Fontijn neemt in heel deze polemiek geen enkel standpunt in, hij houdt zich nauwgezet aan de uitstekend gerechercheerde feiten. In Nederland, waar Israël en de joden nog steeds een soort heilige koeien zijn, is dat natuurlijk begrijpelijk.

Ofschoon de Haan zelf al in 1924 stierf, zijn de zaken die Fontijn in dit tweede deel behandelt nog steeds hoogst actueel, meer zelfs dan toen waarschijnlijk, want de conflicten waarmee de Haan geconfronteerd werd, zijn er niet enkel nog, ze zijn intussen alleen maar groter en intenser geworden. De Haan heeft onmiddellijk ingezien dat het zionisme die conflicten en die tegenstellingen enkel maar kon verhevigen, dat het zionisme, zoals het in een joods tijdschrift in Leipzig al in de jaren twintig gezegd werd, slechts een vermeende joodse variant was op het ‘völkische Fascismus’, dwz op het nazisme. De Haan zelf zal niet in die termen gedacht hebben, maar dat religieuze joden (zijn er overigens andere?) toen al dat onderscheid konden maken op een zeer expliciete wijze, betekent toch wel iets. Hoe dat ook zij, de Haan werkte in Jeruzalem niet enkel mee met uitgesproken religieuze joodse bewegingen, maar hij was ook zeer goed bevriend met vele Arabieren, uit allerlei, tot de hoogste milieus.

En ondertussen bleef hij gedichten schrijven, in deze laatste periode van zijn leven vooral kwatrijnen, waarin zijn verscheurdheid tussen enerzijds zijn diepe religiositeit en anderzijds zijn sterke homofiele verlangens naar (meestal) Arabische jongens, en zijn onrust over de toestand van de wereld waarin hij leefde, zijn persoonlijke en maatschappelijke angsten, steeds pregnanter aanwezig waren. Soms leek het alsof hij zijn einde voelde naderen.

En dat kwam vlugger dan verwacht, door een revolverschot van een zionistisch lid van de Haganah (een zionistische terroristische beweging die aan de basis lag van het huidige zionistische leger), op direct bevel van de latere president van de entiteit ben-Zvi. De Haan stond blijkbaar voor verzoening, voor samenwerking met wat door de toenmalige en hedendaagse zionisten nog steeds als sprinkhanen en kakkerlakken beschouwd worden; hij was politiek eigenlijk eerder een gematigd man. Fontijns hoofdstuk over de moord op de Haan eindigt met een overzicht van de reacties; daaruit alleen al blijkt hoe bekend de Haan internationaal was, en hoe gewaardeerd bij de meest verschillende groepen – enkel bij de zionisten niet uiteraard.

Fontijn eindigt met een ‘epiloog’ waarin kort wordt ingegaan op de manier waarop de Haan in fictie herdacht en voorgesteld werd, zowel literaire fictie (o.a. door Stephan Zweig) als film.

Van het beste uit zijn werk, nl. zijn poëzie is enkel antiquarisch nog iets te vinden. Hetgeen weer eens alles zegt over de manier waarop de Nederlanden met hun cultureel erfgoed omgaan.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × een =