15.09.15 – Borderline Times

| Geen reacties

Waarschijnlijk is de psychiatrie het vak waarin de tegenstellingen tussen de verschillende opvattingen het best en het scherpst tot uiting komen; met die verschillende opvattingen bedoel ik dan enerzijds een groep die alles in de hersenen situeert, en anderzijds een groep die alles in een maatschappelijke context beschouwt.

In mijn jeugd was dat al het geval. Ik herinner me een Engelse kruidenier, H. J. Eysenck (een voorloper wellicht van de nog krankzinnigere Dalrymple, waar Bart de Wever zo naar opkijkt), die in de jaren zestig een aantal boeken schreef die vooral gericht waren tegen de toen in de mode komende zgn. ‘anti-psychiatrie’ (Cooper, Laing in Engeland). Het is natuurlijk een discussie die nooit eindigt, en waar mijns inziens ook geen vaststaande zaken in gezegd kunnen worden, nog niet: de waarheid daar ligt voorlopig ergens in het midden.

Een Nederlands psychiater uit die tijd was Jan Foudraine, die een meesterwerk geschreven heeft: Wie is van hout? Ik herinner me nog hoeveel drukken dat boek gekend heeft, enorm veel voor een boek over psychiatrie.

Datzelfde mag ook gezegd worden over het boek van Dirk De Wachter, Borderline Times, het einde van de normaliteit (Lannoo Campus, Tielt, 2012 – ik las de 25ste druk). Het moet wel zo zijn dat dergelijke boeken een zeer sterke en uiterst gevoelige maatschappelijke zenuw raken, want echt gemakkelijke lectuur is het niet. Maar zuivere vakliteratuur natuurlijk evenmin.

borderline-timesIn zekere zin is De Wachters boek een ‘anti-Swaab’. De naam van Swaab komt weliswaar maar één keer voor in het boek, en dan nog quasi terloops, maar het is duidelijk dat beiden de twee elkaar uitsluitende opvattingen binnen de psychiatrie verwoorden, die ik in het begin bedoelde. Waarbij opgemerkt moet worden dat Swaab (Wij zijn ons brein, Uitgeverij Contact, Amsterdam, 2010) een neuroloog is en géén psychiater. Volgens Swaab komen alle geestelijke stoornissen voort uit mechanische, fysische defecten in de hersenen, een persoonlijkheidsstoornis van welke aard dan ook is enkel biochemisch te verklaren. Dat is uiteraard onzin, en dat weet Swaab ook, want meer dan eens spreekt hij zichzelf tegen. Maar toch: hij doet zijn uiterste best om elke invloed van familie, opvoeding, maatschappij zo veel mogelijk weg te denken, uit te schakelen. Het resultaat is een boek met heel veel weetjes en wetenswaardigheden over de nieuwste ontwikkelingen in de neurologie, maar dan ook niet meer. Reductionisme zoals het zelden tentoon werd gespreid.

Dirk De Wachter is psychiater en zal misschien daarom alleen reeds geneigd zijn om de zaken in een veel breder perspectief te zien en rekening te houden met veel meer zaken dan Swaab, die ik enkel zou willen kenmerken met een inmiddels vergeten woord uit mijn studententijd: Swaab is een vakidioot. De Wachter daarentegen kijkt veel verder dan zijn neus lang is.

De titel van diens boek wijst reeds naar de originele structuur ervan. Inderdaad, De Wachter neemt de kenmerken van een borderlinestoornis, zoals die gedefinieerd wordt in de vierde versie van het DSM, het Amerikaanse toonaangevende handboek voor psychiatrische disorders – en dat door elke zichzelf respecterende psycholoog en psychiater verworpen wordt. De Wachter neemt de negen kenmerken van deze stoornis over en past ze toe op de wereld waarin wij vandaag leven; het resultaat is meer dan navrant: de maatschappij is ziek en daardoor komt het dat zo veel individuen eveneens geestesziek worden, waarbij de diagnose ‘borderlinestoornis’ het meest voorkomt. De auteur maakt niet enkel gebruik van vakliteratuur (en eigen praktijkervaring) maar eveneens van de dagblad- en weekbladpers om zijn diagnose te onderbouwen. En die lijkt me wel juist; ze komt trouwens grotendeels overeen met die van Paul Verhaeghe in zijn verschillende boeken. Ik vraag me enkel af of het procédé dat De Wachter toepast niet eveneens gebruikt kan worden met andere in de DSM-IV voorkomende zgn. persoonlijkheidsstoornissen. Depressies bv. moeten evenveel voorkomen, zoniet meer, als borderline. Dat is geen kritiek, want het resultaat zou waarschijnlijk hetzelfde zijn.

Je zou ook kunnen verwijzen naar het pamflet van Paul Claes dat ik hier eerder besprak (Kinderen van Rousseau) en waarin tegen dezelfde tijdgeest gestreden wordt. En ook een ander, onuitgesproken iets hebben de twee gemeenschappelijk: een zekere nostalgie naar het verleden. Dirk De Wachter herhaalt weliswaar voortdurend, zijn hele boek door, dat het vroeger niet beter was, dat hij het verleden niet beter wenst voor te stellen dan het was, maar de voortdurende herhaling daarvan alleen al wijst op het tegendeel. Er is in deze auteur mijns inziens een sterke tegenstelling aanwezig tussen emotie en ratio, zo zal ik het maar noemen. Hij weet, hij ziet in dat het vroeger inderdaad niet beter, enkel anders was, maar dat is de rationele kant. De emotionele kant komt tot uiting wanneer hij het over dat verleden heeft; enkel al het feit dat alle kwalen die hij hier en nu detecteert toen niet aanwezig waren wijst daarop: het verleden wordt op een dergelijke manier afgezet tegenover het heden, dat het eerste soms zelfs idyllisch wordt, terwijl het heden in alle opzichten als ziek en verwerpelijk wordt voorgesteld.

Ik heb daar uiteraard geen enkel probleem mee. Ik heb De Wachters boek met plezier gelezen; zonder te vulgariserend te worden, is het tamelijk vlot geschreven en boeiend. En dat het zo’n succes kent zal ook wel daarmee te maken hebben; maar toch vooral met het feit dat het de maatschappij een spiegel voorhoudt – waarin die zich grotendeels weigert te herkennen natuurlijk.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


drie − 2 =