06.07.15 – Cornelis Buddingh’

| Geen reacties

huijser-buddinghAls je uit de biografie die Wim Huijser aan C. Buddingh’ wijdde (Wim Huijser: Dichter bij Dordt, biografie van C. Buddhing’, Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2015) één belangrijke zaak leert, dan is het wel dat Buddingh’ helemaal niet die literaire grapjas was, waartoe hij nog steeds vaak gereduceerd wordt. Dat komt, Huijser legt het goed uit, door zijn optreden bij poëzie in Carré in 1966, waar hij vooral de lachers op de hand kreeg met twee gedichten: eentje over dekseltjes, eentje over een elastiekje dat de vorm van een schaartje aannam. De lijzige stem droeg natuurlijk het hare bij aan dat enorme succes. Dat er overigens tot overgrote verbazing van de betrokkene kwam.

Zo’n succes heeft natuurlijk zijn voordelen: naambekendheid en het feit dat je nadien vaak gevraagd wordt voor radio, teevee, kranten en weekbladen, verdere optredens enz. Maar in Buddingh’s geval misschien toch wel vooral nadelen, zoals gezegd.

Het volstaat immers de duizend bladzijden dikke kanjer Buddingh’ gebundeld (Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2010) erop na te slaan en er een half uurtje in te lezen om zich ervan te vergewissen dat Buddingh’ helemaal geen grapjas was; misschien zelfs eerder het tegendeel: een melancholicus vaak, en in elk geval iemand die, door ‘realistisch ‘ te schrijven, zich eerder beschermt tegen die realiteit buiten hem, tegen die boze wereld. Volgens Buddingh’ zelf zou hij steeds het dertienjarige jongetje gebleven zijn, en als dat klopt, ligt het wel voor de hand dat hij zich wapenen moest tegen de wereld. Dat merk je zelfs in de gorgelrijmen, waarmee hij voor het eerst beroemd werd, en waar hij eveneens vaak mee vereenzelvigd wordt en werd. Zonder zich aan psychoanalytische uitweidingen te bezondigen legt de biograaf daar wel – terecht – de nadruk op; evenals op de mogelijke rol die zijn ziekte gespeeld heeft op zijn latere, afstandelijke en relativerende instelling tegenover de wereld en de mensen; gedurende een goeie tien jaar is Buddingh’ immers in behandeling geweest wegens tbc, en hij is er eigenlijk maar op het nippertje van kunnen genezen (omdat tijdens en vlak na de oorlog al penicilline aanwezig was? zeker is het niet, en Huijser gaat er niet op in).

Opvallend, en vanuit al die zaken ook wel te verklaren, is het feit dat Buddingh’ zich ondanks zijn openheid, zijn gastvrijheid en zijn hulpvaardigheid, eigenlijk erg afsloot: hij heeft nooit ergens anders gewoond dan in Dordrecht en was een echte familieman; wat dat laatste betreft had hij geluk: zijn huwelijk op jonge leeftijd hield stand tot aan zijn dood, en blijkbaar hebben de echtelieden ook weinig last gehad met de twee zonen. Huijser gaat vooral in het begin van zijn biografie op dat persoonlijke aspect in; later komt dat minder aan bod, dan wordt Buddingh’ meer de publieke figuur, in de literaire en de perswereld, en in de kleine wereld van een kleinstad als Dordrecht, waar hij a.h.w. deel ging uitmaken van het wandelend stadsmeubilair.

Zelf wist ik al wel dat Buddingh’ meer in zich had dan grapjes. Hij was de eerste in het Nederlands (Huijser legt er de nadruk op, en terecht) om een Lexicon van de poëzie samen te stellen. In Duitsland bv. verscheen de eerste druk van de gelijkaardige von Wilpert (ik denk dat die nog steeds zo genoemd wordt door de Duitse germanisten) al in 1955. En ook schreef hij twee belangrijke langere essays, eentje over de avant-garde in ’t algemeen, en eentje over de poëzie van Lucebert. Het is waarschijnlijk aan het ontbreken van een universitaire opleiding in de neerlandistiek te danken dat hij daarvan glasheldere teksten gemaakt heeft, die je nu nog altijd kunt aanraden als inleidingen tot de behandelde zaken. Zo zijn er wel meer.

cees

Foto: De Groene Amsterdammer

Vanaf eind jaren vijftig tot op het einde komt de nadruk van de biograaf dus op het openbare leven van Buddingh’ te liggen. Opvallend is het voortdurende geldgebrek, terwijl de inkomsten meestal toch ruim te noemen zijn. Niet enkel wordt hij vaste medewerker van allerlei weekbladen en dagbladen, ook gaat hij meer en meer aan de opkomende televisie meewerken, toen reeds in samenwerking met Armando en Cherry Duyns (die later het beroemde Herenleed zouden maken). Maar het gros van zijn tijd (en inkomsten wellicht) kwam voort uit vertalingen. Zonder het te weten moet ik sommige daarvan gelezen hebben (Galsworthy bv., van wiens Forsyte saga in die tijd ook een teeveeserie liep – waar ik me absoluut niets meer van herinner). Blijkbaar was hij daar zo goed in dat hij zelfs les ging geven aan de hogeschool van Amsterdam; in een tijd toen er nog kleine groepen studeerden, die echt geïnteresseerd waren én bekwaam. Op het einde van zijn carrière waren dat veel te grote groepen geworden, vol mensen die niets meer wisten of kenden. De ervaring van zovele hoogleraren dus in die tijd. Resultaat van een totaal verkeerd begrepen ‘democratisering’.

Ook op het werk gaat de biograaf uiteraard diep in, en dan vooral op het dichtwerk, dat toch het gros van het oeuvre uitmaakt. Je mag daarvan zeggen wat je wil – en Buddingh’ is niet echt mijn geprefereerde poëzie – maar je ontkomt toch niet aan de totaal eigen toon van zijn gedichten. Dat hij zich aanpaste aan de ‘modes’, zoals hem wel eens verweten werd, geloof ik niet. Gedichten in de trant van de vijftigers heeft hij bv. nooit geschreven; en als uitgesproken liefhebber  van het surrealisme en bewonderaar van de surrealisten, heeft hij toch nooit gedichten in die trant geschreven. Wel zegt die liefde natuurlijk wel iets over zijn politieke houding; ook al werkte hij sporadisch mee met de PvdA, hij zal toch eerder een zachtaardige anarchist geweest zijn – zoals Boon en Péret, waar hij ontroerende gedichten over schreef.

De zestigers daarentegen, de mensen rond Gard Sivik, De Nieuwe Stijl en Barbarber, daar moet hij zich onmiddellijk verwant mee hebben gevoeld. En mijns inziens heeft dat alles te maken met het grote relativeringsvermogen van de medewerkers aan die tijdschriften. Het is ook geen toeval dat hij levenslang bevriend is geweest met (de nu totaal ten onrechte zo goed als vergeten ) Gust Gils – nog zo iemand die alles met een dikke korrel zout wist te nemen. Wanneer je het dichterlijke werk van Buddingh’ wil beoordelen, dan moet je hem vergelijken met figuren uit die tijdschriften: Armando (die veel afstandelijker, vaak bijna totaal onpersoonlijk is), de genoemd Gils (die het taalgebruik op een ironische en sarcastische manier weet te ontdoen van leugens en bedrog), Verhagen (die eigenlijk nog het meest romanticus is), maar bv. ook met een Jan Hanlo (officieel deel uitmakend van de vijftigers (zie het desbetreffende schrijversprentenboek) maar in feite veel meer aansluitend bij Barbarber), die door Schippers en Bernlef al heel vlug dat laatste tijdschrift binnengehaald werd. Na zo’n vergelijking valt voor ieder van die dichters onmiddellijk op wat ze gemeenschappelijk hebben en wat en hoe hun eigen dichterlijke persoonlijkheid naar voren komt. Huijser maakt weinig dergelijke vergelijkingen. Dat vind ik wel een tekortkoming.

Buddingh’ schreef ook dagboeken; en hij publiceerde die ook. Ik heb die niet gelezen en kan er dus niet over oordelen. Maar als het klopt dat ze eigenlijk grotendeels bestaan uit wat later ‘cocooning’ genoemd zou worden (‘gezellig’, ‘knus’…) dan begrijp ik wel dat die op den duur bij sommige critici, en uiteindelijk ook bij Buddingh’s uitgever ‘De Bezige Bij’ niet erg meer in de smaak vielen. Berucht geworden is de kritiek die Hermans aan een van de delen daarvan wijdde, en waarin hij Buddingh’ met de grond gelijk maakte. Die was er niet goed van. Zoals hij voorheen al niet goed was geweest van een kritiek van Wiener op een ander deel. Nou zijn Wiener en Hermans natuurlijk grotere schrijvers dan Buddingh’, maar het zijn ook genadeloze querulanten, die met een zwakke prooi geen enkel medelijden hebben.

En ik vermoed dat Buddingh’ karakterieel eerder zwak was; het beeld dat uit deze grondige, betrokken maar ook afstand houdende biografie naar voren komt is dat van een kwetsbaar, maar vriendelijk, hulpvaardig man, die liefst met iedereen te vriend zou willen zijn; hetgeen natuurlijk niet mogelijk is. Zeker wanneer je een publiek figuur wordt.

Buddingh’ was bang om te sterven – ondanks het feit dat hij als jongeling die aan tbc leed de dood onder ogen had moeten zien – én wenste de 21ste eeuw nog te halen. Dat laatste is niet gelukt; voor een eerder banale buikaandoening moest hij naar het ziekenhuis, waar alles goed verlopen was; maar blijkbaar was hij zo verzwakt, dat hij het uiteindelijk toch niet gehaald heeft en plotseling gestorven is, waarschijnlijk zonder het zelf te beseffen. Ik vrees dat de jarenlange overmatige consumptie van die lekkere single malt whiskeys aan die verzwakking toch ook wel een steentje zal hebben bijgedragen.

Hoe dat ook zij; de wel gestelde vraag of een dergelijke figuur een biografie verdient, moet niet enkel theoretisch met ja beantwoord worden. De biografie ligt nu voor en bewijst door haar grondigheid (alleen al de uitgebreide bibliografie, de doorgeplozen archieven enz.) dat het alleszins de moeite waard was. Op de eerste plaats door het toch een beetje enigmatische onderwerp en diens werk; maar eveneens door het beeld dat op de achtergrond geschetst wordt van literaire en andere ontwikkelingen in Nederland, van de jaren vijftig tot zeventig. En waar Buddingh’ hoe dan ook een niet onbelangrijke rol in heeft gespeeld.

Ik heb die overigens ook goed geschreven biografie in elk geval met veel plezier gelezen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


een × twee =