04.07.15 – De contemptu mundi

| Geen reacties

innocentiusDe Contemptu Mundi, Sive de Miseria Humanae Conditionis Libri Tres, zo luidt de volledige titel van wat wel het bekendste traktaat is dat onder die titel, meer bepaald onder het eerste deel van die titel gepubliceerd werd. Het is geschreven door tegenpaus Innocentius III, tegen het einde van de twaalfde eeuw. Of het ooit in een moderne taal vertaald werd, weet ik niet. De Latijnse tekst is alleszins raadpleegbaar op archive.org en de tekst is ook nog verkrijgbaar als book-on-demand; dan spreken we over een facsimile van een 19de-eeuwse uitgave.

Zoals dat zo vaak het geval is met Kerklatijn is de tekst ook voor mensen die weinig Latijn kennen, toch leesbaar en navolgbaar; ik ken de geschiedenis van het Latijn niet, maar heb de indruk dat het latere Latijn, hier dus dat van de 12de eeuw in belangrijke mate afwijkt van het klassieke Latijn van een Cicero of een Ovidius, ook in die zin dat het veel gemakkelijker is. Dit traktaat in elk geval.

Meer dan erin gebladerd heb ik niet; ik ben nu eenmaal een liefhebber van échte boeken, die je in je hand houdt om te lezen. Maar opvallend was hoe dan ook de nadruk op lichamelijkheid, maar in volstrekt negatieve zin en in de drie boeken; het eerste boek gaat vooral over de algemene miserabele toestand van de mens, en van bepaalde categorieën mensen, ouderen bv.; het tweede boek gaat over de hoofdzonden en enkele bijkomende zonden, waarbij een hoofdstukje enkel gewijd is aan ‘de coitu contra naturam’; en het derde behandelt dan op de eerste plaats de rotting van het lichaam (de ‘kerker van de ziel’) en alle mogelijke straffen in de hel. Indrukwekkend geschreven, dat wel, en o zo katholiek.

bernard-le-clunisienExact tien jaren geleden, in 2005 dus, heb ik via een blog gevraagd of iemand een vertaling kende van een ander geschrift dat De contemptu mundi heet, nl. een gedicht van een monnik uit de abdij van Cluny, die ‘Bernard le Clunisien’ genoemd wordt, maar vaker Bertrand de Morlaix of de Morlas. Ik heb daar toen geen antwoord op gekregen, en blijkbaar bestond er toen geen vertaling. Toevallig kwam ik onlangs die vraag van me weer tegen, en bij nazicht bleek er nu wel degelijk een vertaling te bestaan: Bernard le Clunisien: Une vision du monde vers 1144, de contemptu mundi, Texte latin, introduction, traduction et notes par André Cresson (Editions Brepols, Turnhout, 2009).

Die tekst is dus ouder dan die van Innocentius, en het is alleszins theoretisch mogelijk dat deze laatste hem gekend heeft; ook al moet men bedenken dat er toen geen drukkunst bestond, en alles gekopieerd diende te worden, een omslachtig en langdurig werk. Het kan goed zijn dat werken met die titel gewoon een ‘tijdgeest’ uitdrukten. Overigens had enkele eeuwen eerder Odo van Cluny al zijn walging voor de wereld, het vlees en vooral vrouwen uitgedrukt op een niet mis te verstane wijze: ‘Als wij huiveren om met de toppen van de vingers een fluim of een drol aan te raken, hoe is het dan mogelijk dat wij ernaar verlangen deze zak vol drek in onze armen te nemen?’

Maar dat terzijde. Er zijn wellicht genoeg tekstuele argumenten aan te halen om te pogen aan te tonen dat beide werken weinig met elkaar te maken hebben buiten die tijdgeest dan, en dat de latere auteur de vroegere waarschijnlijk niet gekend heeft. Cresson gaat op die vraag trouwens niet in in zijn uitgebreide en diepgravende inleiding; voor hem zal het dus wel vanzelf spreken. Er zijn wel overeenkomsten, bv. de diatribe tegen de homoseksualiteit bij het begin van het derde boek; maar een andere verklaring ligt daar veel meer voor de hand: blijkbaar was die praktijk zo veelvoorkomend onder monniken en priesters, dat elke prediker zich wel geroepen voelde dat aan te halen als zware zonde. Verder zijn er vooral verschillen.

Het eerste boek van onze Morlaix heeft als hoofdthema de verwachting van het einde der tijden en de dag des oordeels. De tekenen worden behandeld, en de gevolgen voor als het zover is, waarbij zowel de hel als de hemelse zaligheid voorkomen; in tegenstelling dus tot Innocentius die quasi uitsluitend op de hel focaliseert. Het tweede boek, en trouwens ook het grootste deel van het derde, is volledig ‘satirisch’ – het woord wordt gebruikt door de vertaler/inleider – van aard, en dat aspect kwam bij Innocentius helemaal niet voor. De schrijver spaart daarbij niemand, ook de kerk zelf en haar machthebbers niet; in die zin zou je er een voorloper in kunnen zien van de grote religieuze omwentelingen van enkele eeuwen later; blijkbaar leefde die onvrede met Rome al veel en veel langer. Een detail valt mij op in het tweede boek: de verzen 261 tot en met 360 gaan dieper in op verschillende met name genoemde groepen, of klassen van de maatschappij: bisschoppen, ridders, rechters, boeren etc. Dat is al in een heel vroeg stadium de structuur die de laat-middeleeuwse dodendansen zullen aannemen. Zou het kunnen dat hier de oorsprong (of éen ervan) daarvan ligt? Cresson gaat er niet op in, waarschijnlijk heeft hij die overeenkomst niet opgemerkt.

De satire op maatschappelijke toestanden is enerzijds algemeen, en anderzijds particulier; met dat laatste bedoel ik dat bepaalde groepen in de maatschappij het voorwerp van verontwaardiging zijn, of specifieke zaken zoals simonie. De algemene verontwaardiging daarentegen heeft betrekking op de tijdgeest zelf, die alles doordringt. Ik gebruik het woord ‘verontwaardiging’ in plaats van ‘satire’, omdat de dichter niet spot met wat hij waarneemt en beschrijft, maar wel een duidelijke verontwaardiging de vrije loop laat. In de geest van Juvenalis dus eerder, dan in die van spotters als Voltaire. Laat mij gewoon één enkel voorbeeld geven, in het Latijn, want zodoende krijg je ook een beeld van de kracht en de rijkdom van het vers van Morlaix; ook al is dit een gemakkelijke passage door de herhaling van dezelfde korte zinsstructuur, toch komt het er ook op aan naar de klanken te kijken:

“Nunc Venus aestuat, ira tumultuat, aes dominatur,
Norma relinquitur, unio scinditur, ordo fugatur.
Stat petulantia, deest reverentia, luxus inundat,
Sobrius indiget, hypocrisis viget, error abundat.
Praeminet uncia, praeest opulentia, servit egestas,
Floret inertia, flet pia gratia, moeret honestas,
Flet sacra regula, venditur infula, Simon amatur,
Fictio iudicat, aureus emicat, arca minatur.
Qui tumet enitet, ars pia delitet, impia claret;
Pauperies ruit, affluus affluit, aridus aret.
Ius crucifigitur, ultio quaeritur, arma renident.
Iustior exulat, indigus eiulat, improba rident.” (p. 194)

Technisch gesproken is dit eerder een uitzonderlijke passage in het geheel, maar het lijkt me vooral zo actueel te zijn. Alsof een middeleeuwse monnik even teruggekomen is om ons een spiegel voor te houden en te wijzen op de totale heerschappij van geld en hebzucht, op de alom tegenwoordige hypocrisie bij alle machthebbers, en op de volledige afwezigheid van welke vorm van rechtvaardigheid dan ook; zelfs de rechtsregels zelf worden totaal met de voeten getreden.

Uit bovenstaand citaat wordt ook het belangrijkste onderscheid tussen beide teksten duidelijk: Innocentius schreef een prozatraktaat, in vloeiend Latijn; Morlaix schrijft een gedicht, in drie zangen (die drie – ook Innocentius’ traktaat had drie afdelingen – betekent niets; een gewoonte, die tot diep in de 19de eeuw zal duren; waarschijnlijk omdat drie een ‘heilig’ getal was) en in een ongemeen rijk Latijn; dat dus moeilijker is dan dat van Innocentius, maar toch ook weer niet zo moeilijk. Het is vooral zijn gebruikmaking van alle mogelijke retorische middelen die de tekst moeilijker, maar – ik herhaal het – ook zeer veel rijker maakt. Het is dan ook geen toeval dat met name de vierde bijlage kort ingaat op dat aspect, door de belangrijkste figuren te vermelden met voorbeelden uit de tekst. Op de stijl zelf van het gedicht, met name de moeilijke en niet voor de hand liggende versificatie, op de rol van de herhalingen, maar ook van de stilistische breuken wordt dieper ingegaan in de inleiding zelf.

Ik vraag me af in hoeverre een Nederlandse vertaling van dit toch prachtige gedicht mogelijk is. Ik denk daarbij natuurlijk aan meestervertalers, die het Latijn beheersen als hun broekzak: Piet Schrijvers, Paul Claes, Marietje d’Hane-Scheltema… Het zou voor hen een uitdaging moeten zijn, en het resultaat een prachtig gedicht ook voor de Nederlandstalige lezer.

Hermans heeft ooit ergens gezegd dat de enige vooruitgang die hij kon ontwaren technische vooruitgang was. Dit gedicht zou een argument kunnen zijn om die stelling kracht bij te zetten; blijkbaar is sindsdien immers niets veranderd wat de omgang van de mens met zijn gelijken, met zijn ondergeschikten, met de dingen van deze wereld enz. betreft. Orbis cacatus. Nog altijd en steeds weer. Niets wees erop dat hier ooit verandering in zou komen.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijf × vier =