01.07.15 – Een puzzel van Peter Verhelst

| Geen reacties

Stel: je wil een puzzel leggen, maar het voorbeeld ontbreekt, en er ontbreken eveneens vele stukken. In zo’n geval moet je, zoals dat heet, creatief’ zijn en je eigen fantasie laten spelen om er iets van te maken dat min of meer lijkt op wat uiteindelijk de bedoeling is geweest.

Ofschoon er niet veel ophef over werd gemaakt, is wel geweten dat Peter Verhelst enkele jaren geleden een zwaar verkeersongeval heeft gehad, dat hij, ook gelukkig voor zijn lezers, zonder te veel letsels overleefde.

de kunst van het crashenDat ongeval was de aanleiding om zijn recentste roman te schrijven, die niet voor niets De kunst van het crashen (Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2015) heet.

Als er het ‘voorwoord’ niet was, waarin Verhelst kort en bondig een tweetal bladzijden aan dat ongeval wijdt, zou je als lezer waarschijnlijk amper geweten hebben wat de aanleiding voor deze roman was. Want tijdens het volgende drie kwart van het boek is er van enig auto-ongeval nergens meer sprake. Tussen de zes op dat voorwoord volgende tamelijk uitgebreide hoofdstukken is er daarenboven geen voor de hand liggend verband; alsof het grote stukken zijn van een puzzel, waarvan je het geheel enkel kunt raden, afgaande op het feit dat in het voorwoord en in het vijfde en laatste hoofdstuk inderdaad over een auto-ongeval gesproken wordt.

Het eerste hoofdstuk, ‘Eerste kat van Istanbul’ speelt zich blijkbaar af in een dierentuin; soms doet het een beetje denken aan Verhelst vroegere meesterroman Tongkat, omdat de indruk gewekt wordt dat er een strijd gaande is tussen een macht die niet nader genoemd wordt en een groep ondergrondse verzetsstrijders, maar waar dan ook weer verraders tussen schijnen te zitten, en velen een schuilnaam dragen, die naar believen veranderd kan worden. In het hoofdstuk treedt een Raoul op, die ook op het einde van het boek nog eens optreedt. De verteller is blijkbaar een hij, die grotendeels waarneemt.

Het tweede hoofdstuk, ‘Studie van een rennende man’ is dan weer in de jij-vorm geschreven. Maar misschien is dat gewoon de hij-waarnemer uit het eerste hoofdstuk, die nu tot zichzelf (en de geïntendeerde lezer?) spreekt. Het hoofdstuk speelt zich af in een rotsachtig landschap waar we verder quasi niets over vernemen. Hetzelfde kan gezegd worden van het derde hoofdstuk, ‘Studie van een menselijke lont’; blijkbaar, maar niet zeker wordt hier dezelfde hoofdpersoon opgevoerd, deze keer weer in de hij-vorm; deze wordt achtervolgd door een aantal vreemde wezens, beesten, waar verder ook niets over gezegd wordt; ze doen mij denken een bepaalde voorhistorische dieren, zoals die bv. optreden in films als Jurassic Parc; ze verplichten de hoofdpersoon zich schuil te houden in een spleet tot hij door een list weet te ontsnappen (heeft die list iets met de list van Odysseus te maken? enkel als concept waarschijnlijk).

Persoonlijk lees ik deze hoofdstukken als de nachtmerries van iemand die buiten bewustzijn is; in die zin is er enige verwantschap met Finnegans Wake, maar Verhelst houdt zich wel aan het gangbare Nederlands, neologismen zul je bij hem zelden of nooit vinden. Wel is zijn taal vaak erg poëtisch en sommige passages hebben de neiging in poëzie over te gaan, ook formeel. Zijn zinsbouw is daarbij eerder eenvoudig, met korte afgewogen zinnen, die soms overgaan in ellipsen. Lange, meanderende zinnen zie je niet.

Het vierde hoofdstuk begint met het zinnetje ‘Wie wil je als allerlaatste zien voor je doodgaat?’ Het lijkt erop dat hier opnieuw aangesloten wordt bij het begin (de man uit het vorige hoofdstuk ontsnapt immers aan zijn dierlijke achtervolgers), temeer uiteraard daar in het centrum van dit hoofdstuk een crash staat – van een vliegtuig echter, niet van een auto. Nachtmerrieachtige werkelijkheid en nachtmerrieachtige fantasie beginnen in elkaar over te lopen zou je kunnen zeggen. Het feit dat een meneer H. optreedt (de Herbert uit het eerste hoofdstuk?), dat er van een nieuw Istanboel sprake is, wijzen daar eveneens op. Het hoofdstuk is, in tegenstelling tot de vorige, in de ik-vorm gesteld, en eindigt ermee dat de protagonist ‘een nieuw leven inklimt’. Het lijkt meer een sleutelhoofdstuk, een overgang tussen de ene toestand van volledig verlies van bewustzijn, en het zeer langzame terugkeren van bewustzijn.

Ook het vijfde hoofdstuk begint ongeveer zoals het vorige: “Wat is het allerlaatste dat u zich wil herinneren wanneer u sterft?” Maar hier zijn veel meer reminiscenties aanwezig aan het werkelijke ongeval van Verhelst; zo de onbekende die op de wankelende ik-figuur komt toegelopen, die, zo fantaseer ik, uit een autowrak gekropen komt; later bevindt hij zich blijkbaar in een kamer in een ziekenhuis, waar hij verzorgd wordt door een Amelia, die trekken heeft van de Sarah uit het eerste hoofdstuk, en die bekend blijkt te zijn met de opnieuw optredende Raoul. Het hele hoofdstuk door komt het zinnetje ‘alles komt goed’ terug, en er is vaak sprake van bemoediging. Toch is ook hier nog sprake van een vermenging tussen (roman)werkelijkheid en (roman)dromen. In dat verband moet mijns inziens (zoals altijd bij Verhelst) gelet worden op het optreden van meestal banale zinnetjes, maar die binnen het kader van de roman een dubbele betekenis krijgen: ‘de mist is grotendeels opgetrokken’. M.a.w.: de hoofdpersoon treedt langzaamaan zijn werkelijkheid weer binnen. Ingelast in het hoofdstuk, door middel van tien korte en meestal geparafraseerde brieven is een soms wel een beetje sentimenteel aandoende liefdesgeschiedenis, die echter evenmin als andere zaken (zeer duidelijk de bijfiguren bv. waar we quasi niets over vernemen) uitgewerkt worden, maar toch wel verwijzen naar de toenemende ‘genezing’ van de hoofdfiguur.

Het laatste hoofdstuk (weer in de ik-vorm) heet niet voor niets ‘Thuis’. De hoofdpersoon is er weer helemaal bij, denkt terug aan het ongeval, wordt door zijn vriendin (de korte liefdesgeschiedenis in het vorige hoofdstuk moet in dit verband gelezen worden) uit het ziekenhuis afgehaald en liefdevol verzorgd. Hij zal het verder ongedeerd overleven. Dit is het meest poëtische van alle hoofdstukken, zeker de eerste stukken ervan doen onmiddellijk denken aan prozagedichten.

Verstrooid tussen en in de hoofdstukken zijn expliciete verwijzingen te vinden naar de 19de-eeuws fotograaf Eadweard Muybridge, naar bepaalde foto’s van hem zelfs, maar jammer genoeg worden die in het boek niet afgedrukt. Ook verwijzingen naar de hedendaagse schilders Bacon (vooral) en diens vriend Freud zijn aanwezig; het zijn beide schilders van het vlees, het rauwe vlees vaak, zoals Muybridge de fotograaf van de beweging was. Beweging, een auto-ongeval, vlees.

Luie lezers zullen aan een boek als dit weinig hebben; er wordt van hen immers een inspanning verwacht: je krijgt wel puzzelstukken in handen, en zelfs een ruw overzicht, maar uiteindelijk moet je ze zelf weten te leggen, zonder voorbeeld dus. Dat lukt aardig, maar zeker van je zaak kun je nooit zijn; een ander lezer zal de stukken anders leggen, zal andere accenten leggen, andere interpretaties. De roman is ver weg geraakt van zijn begin in de 18de/19de eeuw, toen de schrijver de lezer als het ware aan het handje nam. Wat niet belet dat noch de ene noch de andere vorm beter zou zijn dan de andere; ze zijn enkel maar anders, en verwijzen zodoende wellicht toch wel naar een totaal ander wereldbeeld – ook al wordt dat evenmin ooit uitgesproken hier.

Verhelst is vooraan in de vijftig. Hij heeft al enkele meesterwerken afgeleverd. Ik vermoed dat we nog veel van hem mogen verwachten.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 − vijf =