30.03.15 – Altijd weer de oorlog

| Geen reacties

foute-oorlogJans Lensens De foute oorlog, schuld en nederlaag in het Vlaamse proza over de Tweede Wereldoorlog (Uitgeverij Garant, Antwerpen/Apeldoorn, 2014) is bij mijn weten de eerste synthetische studie in boekvorm over de thematische verwerking van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse literatuur uit Vlaanderen. Voordien waren er vooral enkele readers met bijdragen van diverse aard.

Daarom alleen al is het een belangrijk boek.

Zoals gezegd is het een synthese, en dat houdt sterke beperkingen in. In zijn inleiding zegt de auteur dat hij ongeveer 300 romans en novellen gedetecteerd heeft, waarin deze thematiek aanwezig is (als bijlage voegt hij trouwens een lijst bij van al die werken). Daar ben ik wel even geschrokken, want ik had eigenlijk gedacht dat het er een vijftigtal zouden zijn, waarvan ik dan ongeveer de helft gelezen zou hebben.

Niet dus.

Het spreekt vanzelf dat het onmogelijk is al deze boeken exhaustief te behandelen; keuzes dringen zich daarbij op. De auteur heeft ervoor gekozen de thematiek te groeperen rond een vijftal kernzaken, die hij chronologisch behandelt aan de hand van meestal enkele voorbeelden waar hij wat dieper op ingaat. Het spreekt vanzelf dat ik over deze keuze niets zeggen kan, omdat ik veel te weinig van de boeken uit Lensens lijst gelezen heb. Maar uit de lectuur van het boek kun je toch wel min of meer opmaken dat Lensens keuze recht doet aan zijn bedoeling, en dat de gekozen werken dus passen in zijn globale opzet.

Een eerste onderthema gaat over de achttiendaagse veldtocht van 1940 en de daarop volgende nederlaag. Volgens Lensen wordt dat weinig gethematiseerd in het Vlaamse proza, wat hem niet belet in het overzicht waarmee hij dit hoofdstuk (net zoals de latere hoofdstukken) begint heel wat voorbeelden aan te halen. Blijkbaar wordt de schuld meestal gelegd bij de slechte uitrusting van het Belgische leger en de onbekwaamheid van de officieren. Ward Hermans gaat dan weer de toer op van de officieren die enkel Frans zouden spreken. Op zulke zaken zou Lensen dieper in moeten gaan, en moeten nakijken of dat in de werkelijkheid ook klopt. Immers, hij stelt zelf dat de meeste van de boeken in deze categorie deels documentaire, deels fictie zijn. En als ze documentair zijn, dient dat aspect getoetst te worden aan de werkelijkheid – voor zover die bekend is natuurlijk.

Vergelijkingen zouden ook meer duidelijkheid kunnen verschaffen; in Frankrijk bv. speelde zich net hetzelfde af, de nazi Rebatet schreef daarover in Les Décombres, en de rechtse anarchist Céline in Les beaux draps. Gedeeltelijk kun je daar dezelfde redeneringen terugvinden. Maar voor wat België betreft, vrees ik dat Lensen misschien de belangrijkste oorzaak van de geringe aanwezigheid van dit thema niet onderkent: het feit dat er inderdaad geen sterke band aanwezig was met de staat België. In tegenstelling tot Frankrijk uiteraard.

Het volgende hoofdstuk behandelt het verzet, en ook hier weer stelt Lensen vast dat het verzet als zodanig relatief weinig voorkomt in zijn lijst met werken. Daar legt hij de hoofdoorzaak bij de slechte naam die het verzet al snel gekregen zou hebben. Ik betwijfel dat, en Lensen slaagt er ook helemaal niet in mij te overtuigen. Ten eerste stelt hij zelf voluit dat die slechte naam slaat op het zgn. ‘septemberverzet’ (allerlei lieden die op het einde van de oorlog, toen de Duitsers al weg waren plots ontdekten dat ze bij het verzet zaten) en niet op het werkelijke verzet. Wel is het inderdaad zo dat zeker in Vlaanderen het verzet veel kleiner was dan in Wallonië en Brussel, en de collaboratie navenant groter. Maar toch: de enige provincie in België waar het in 1944 echt tot burgeroorlogtoestanden gekomen is, was het brave en Vlaamse Limburg.

Hier zou Lensen zeer duidelijk en expliciet de vraag moeten hebben opgeworpen én beantwoord wie over het verzet schrijft en vooral welke de politieke standpunten, achtergronden e.d.m. van die schrijvers waren. Voor wat de motivatie om in het verzet te gaan betreft, kan ik Lensen wel volgen: dat zal slechts zelden werkelijk ideologisch van aard geweest zijn (vooral bij de communisten en socialisten), maar vooreerst persoonlijk, uit lust tot avontuur en dergelijke. Dat de jeugdige leeftijd een belangrijke rol gespeeld zou hebben, geloof ik dan weer niet, en Lensen toont dat ook niet aan. Misschien dat vele schrijvers dat inderdaad zo zagen, maar ik heb soms de indruk dat Lensen de schrijvers gewoon op hun woord neemt, nogmaals, zonder iets te toetsen.

Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat hij zich voorneemt enkel en alleen te focaliseren op de thematiek, zonder ook maar met iets anders rekening te houden. Maar zodoende krijg je een hele opsomming van allerlei thema’s en motieven, maar uiteindelijk amper een verklaring. Die laatste komt dan grotendeels neer op het nabauwen van wat de besproken auteurs zeggen, zonder meer, en zonder dieper erop in te gaan.

Symptomatisch daarvoor is voetnoot 208 op pagina 88 van het boek. Daarin stelt hij dat hij geen rekening houdt met de betrokkenheid van de besproken auteurs bij de collaboratie. Hij schrijft immers ‘een literair-wetenschappelijk onderzoek’ en daarbij hebben biografische gegevens amper een rol te spelen.

Je houdt het niet voor mogelijk!

Als er één onderwerp is waar biografische gegevens wel een rol spelen omdat zij de hele visie van een auteur (kunnen) kleuren dan wel hier. Of denkt Lensen misschien dat Ward Hermans, Hugo Claus en Jozef Versou allemaal onbevangen en zonder door hun biografie, hun politieke en andere standpunten mee te nemen in hun geschriften, over zaken als verzet of collaboratie kunnen schrijven? Hoe dom zelfs voortreffelijke geleerden kunnen zijn.

Hoe dat ook zij, over de collaboratie is blijkbaar veel meer geschreven dan over beide vorige onderthema’s. Verwonderlijk is dat eigenlijk niet, om velerlei redenen trouwens. Ook hier begint Lensen met een overzicht, maar zelfs voor iemand als ik, die toch af en toe wel eens een boek lees, bevat dat overzicht grotendeels nobele onbekenden (p.93). Voor andere lezers zal dat niet anders zijn. reden te meer dus om toch een beetje de biografische achtergrond van die auteurs te schetsen (dat had trouwens zonder problemen in een bijlage gekund). Zijn keuze om in dit hoofdstuk vooral uit te gaan van Walschaps Wit en zwart is geen slechte keuze. Wat ik in het vorige zei over de motivatie om in het verzet te gaan, kan evengoed gelden voor de motivatie om in de collaboratie te gaan, ook al geldt hier een bijkomend element: de Vlaams-nationale ideologie die daar vaak aan ten grondslag lag, en die zeker verwant was met het nazisme. Daar gaat Lensen nooit op in, tenzij, weer, door de opvattingen die door vaak collaborerende auteurs terzake worden gedebiteerd, over te nemen zonder er diep op in te gaan.

Dat geldt zo mogelijk nog meer voor het volgende thema, nl. de repressie. Het valt vooreerst op dat de auteur altijd die term gebruikt, en slechts één keer – in een voetnoot – de term ‘epuratie’. ‘Repressie’ is het woord van de voormalige collaborateurs dat, waarschijnlijk onder invloed van politieke verschuivingen in Vlaanderen, weliswaar gemeengoed is geworden, maar ‘bestraffing’ zou hoe dan ook veel objectiever zijn geweest.

Lensen stelt hier terecht dat in het merendeel van de boeken over dit onderwerp de collaborateurs als slachtoffers worden voorgesteld, slachtoffers van een op willekeur gebaseerd juridisch systeem, ‘une justice de rois nègres’ zoals het indertijd genoemd werd. Dat klopt uiteraard, maar ook hier had Lensen weer moeten vergelijken met de werkelijkheid, en meer systematisch dan elders. Hij stipt dat overigens wel aan (het is zo voor de hand liggend dat het eigenlijk niet anders kan) wanneer hij het over de rol van Walschap en Elsschot heeft (pp. 132-133), maar gaat er niet op in, ook al lijkt me dat fundamenteel. ‘Vrij tendentieus’ is in dat verband een sterk eufemisme. Overigens is rechtspraak altijd min of meer arbitrair, ook nu nog.

Daarop komt in zijn boek éen uitzondering voor: over Filip de Pillecyns Face au mur (een dagboek, dus géén roman en géén novelle), dat geschreven werd tijdens zijn gevangenisperiode, maar slechts veel later uitgegeven, stelt hij dat het ‘allesbehalve politiek correct’ is, en dat bij de ontvangst ervan ‘nauwelijks een woord vuil gemaakt (werd) aan De Pillecyns politiek incorrecte discours’ (p. 140). Nou ben ik natuurlijk alles behalve een aanhanger van welke vorm van politieke correctheid dan ook, integendeel zelfs, maar wel vraag ik me af waarom dat aspect hier plotseling opduikt, terwijl het bij zovele andere politiek incorrecte auteurs (Jorssen, Hermans…) totaal achterwege blijft?

Het volgend hoofdstuk behandelt dezelfde thematiek, maar dan gezien door auteurs van de tweede en derde generatie. Hier gaat hij vooral in op Het verdriet van België van Hugo Claus en op Marcel van Erwin Mortier. Een groot deel van de roman van Claus gaat inderdaad over dat ‘Flandre profonde’ en de fascistische tendensen daarin, maar de roman kan niet daartoe beperkt worden. Het is slechts één aspect ervan; voor de roman van Mortier geldt dat minder. Misschien had Lensen daar toch op moeten wijzen.

Dat is trouwens een algemene opmerking: door zich volledig en exclusief toe te leggen op de vaststelling van de thematiek van de romans, hun verwerking, hun onderlinge verbanden enz. maakt hij geen enkel onderscheid meer tussen meesterwerken als die roman van Claus of Dixi(t) van Ivo Michiels en prullen als die van Ward Hermans cum suis. Alsof dat onderscheid er helemaal niet toe zou doen. Het feit dat géén enkele ex-collaborateur zo’n meesterwerk als dat van die twee heeft kunnen schrijven, zou in dit boek van Lensen trouwens ook behandeld moeten worden. Want het lijkt me symptomatisch binnen de problematiek die hij aansnijdt.

Het laatste hoofdstuk tenslotte behandelt het thema van de jodenvervolging. Thema dat in de Vlaamse roman – en novellenproductie blijkbaar totaal niet voorkomt – op enkele uitzonderingen na. Ook hier wordt de vraag naar het waarom amper beantwoord. Waarschijnlijk heeft het te maken met het feit dat joden toen en nu voornamelijk in één stad (Antwerpen) geconcentreerd zijn en een min of meer gesloten gemeenschap vormen. Lensen stelt van een joodse figuur in een roman van Clem Schouwenaars dat deze volkomen ‘geïntegreerd’ is. Dat kun je van alle joden in Antwerpen, vroeger en nu, zeggen, ook van die joden zoals de Chassidim, die totaal niet geassimileerd zijn. Want het is natuurlijk dat wat Lensen bedoelt. In dit hoofdstuk gaat hij diep in op de voormelde roman van Michiels, bij mijn weten de enige waarin dit aspect zo fijnzinnig uitgewerkt wordt; de boeken van Schouwenaars en Vandeloo, die hij ook vermeldt, zijn eerder klassieke verhalen, en hebben op de lezer wellicht niet dezelfde impact.

Ook hier komt weer Lensens eis tot politieke correctheid om de hoek kijken, wanneer hij stelt dat de gruwelen van de judeocide “tot het publieke bewustzijn doorgedrongen (zijn) en (…) de betekenis ervan geëvolueerd (is) van een specifiek, historisch gesitueerde gebeurtenis, gemarkeerd door raciale haat, geweld en oorlog, naar een dominante symbolische representatie van het absolute kwaad. In die hoedanigheid vereist het spreken erover een politiek correct discours dat het lijden eerbiedigt.” (p. 202) Een dergelijke zin komt erop neer dat die judeocide helemaal niet meer valt onder wat ik gecursiveerd heb, maar een fenomeen ad hoc geworden zou zijn, dat met niets te vergelijken valt. Dat is natuurlijk onzin. Het absolute kwaad bestaat niet.

Dit alles doet me denken aan een literaire rel van alweer vele jaren geleden. Toen publiceerde éne Benjamin Wilkomirski een boek, getiteld Brokstukken, een jeugd 1939-1948. Het werd voorgesteld als zijnde herinneringen van een joodse jongen, en het was meeslepend, aangrijpend en verbijsterend. Tot bleek dat het fictie was, en de schrijver niet eens joods. Het kot was te klein, want als niet-joden zo goed schreven over het lot van joodse kinderen in concentratiekampen, dan was dat pornografie.

Nou moe!

Maar eigenlijk zegt Lensen in bovenstaand citaat mutatis mutandis hetzelfde. En ook hier weer praat hij eigenlijk de door hem behandelde auteurs grotendeels na, wanneer die stellen zich niet in het joodse lijden te kunnen inleven. Ook bij Michiels is dat de uiteindelijke conclusie van zijn roman. Maar is er een verschil tussen joods lijden en andermans lijden?

Het boek wordt afgesloten met een uitgebreide bibliografie (waarin de in bijlage opgesomde romans nog eens herhaald worden) en een index.

Elke toekomstige onderzoeker zal van dit boek gebruik moeten maken. Lensen slaagt er immers in, niet alleen om het corpus te verzamelen, maar vooral om een eerste schema te ontwerpen van thema’s rond de oorlog, waarbinnen dat corpus geplaatst kan worden. Doordat hij zich zo eng houdt aan zijn thematische opzet moet het boek wel kritisch gebruikt worden. Maar onontbeerlijk is het wanneer je op het thema verder wil gaan, éen auteur eruit wil nemen of éen (deel)thema verder wil uitspitten. En dat is geen geringe verdienste.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


11 + twintig =