06.04.15 Idyllen?

| Geen reacties

Ik zal zeker de eerste of enige niet zijn die opmerkt dat de titel van Ilja Leonard Pfeijffers nieuwste bundel, Idyllen, nieuwe poëzie (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen, 2015) de lading geenszins dekt. Die titel moet dus ironisch en zelfs sarcastisch begrepen worden.

idyllenTijdens het lezen erin moest ik vaak aan Juvenalis en zijn Satiren denken, ook al hebben beiden op het eerste zicht weinig met elkaar te maken: Juvenalis bekritiseert zijn maatschappij merendeels van buitenaf, als buitenstaander, en zeer expliciet. Pfeijffer daarentegen doet dat veeleer van binnenuit en impliciet; hij neemt weinig rechtstreekse standpunten in, hij is immers hoe dan ook deelnemer aan het beschrevene en laat het liever aan de lezer over om zelf een mening te vormen.

Toch klopt dat niet helemaal. Pfeijffer is classicus van opleiding en is dus zeer goed thuis in de (klassieke) retorica. Het vijftigste en laatste gedicht van de bundel wijst daar al op: het is één lange ode aan de retorica zoals ik er geen andere ken. Een retorisch hoogstandje is het begin van dat gedicht al: één enkele zin van 26 verzen. Wel ken ik een gelijkaardig, maar zeer veel korter gedicht van ene Stephen Hawes, dat door Christine Brooke-Rose als motto voor haar bekende A grammar of metaphor werd gezet: “The lady Gramar in all humbly wyse/Dyde me receyve in to her goodly scole…”

Het zal geen toeval zijn dat dit gedicht als laatste figureert; op die manier geeft de dichter aan hoe hij tewerk gaat en gegaan is, en hoe hij verwacht dat zijn poëzie gelezen moet worden. Dat doet hij trouwens ook eerder en explicieter, bv. in het zevende gedicht, waarin hij zich rechtstreeks richt tot de “lieve dichtertjes van Nederland/en België”, en terzelfdertijd zelfkritiek beoefent ten opzichte van zijn vroegere poëzie (zijn laatste bundel dateert van 2005, dat is dus tien jaar geleden (de verzamelbundel uit 2008 reken ik niet mee)). Hij richt zich vooral tegen de deconstructies, cryptogrammen en de quiz in de poëzie; daar tegenover stelt hij de dichter als heuse profeet, de poeta vates dus tegenover de poeta faber.

Het is niet verwonderlijk dat deze bundel een hoog Cassandra-gehalte heeft; ook al gebeurt dat niet expliciet in die zin dat de dichter met overslaande stem zou gaan spreken. En zijn poëzie is ook niet in die mate veranderd dat ze echt ‘gemakkelijker’ zou geworden zijn dan zijn vroegere; hij blijft alle stijlregisters hanteren en alle trucs van de retorica op een sublieme manier gebruiken. Het belangrijkste verschil is te zoeken in de versvorm: alle vijftig gedichten in deze bundel zijn geschreven in de klassieke zesvoetige jambische alexandrijn, die Pfeijffer meesterlijk beheerst. Dat merk je vooral aan het gebruik van enjambementen en de verplaatsing van de cesuur natuurlijk; maar eveneens aan het feit dat soms, ook in langere passages, zin en vers volledig samenvallen. Dat gebeurt meestal in cruciale passages, die door die techniek onmiddellijk de aandacht naar zich toe trekken.

Ook de onderwerpen zijn, zoals ik reeds suggereerde, even anders dan vroeger; er is inderdaad veel meer maatschappelijke betrokkenheid (ook al was ook die vroeger niet helemaal afwezig). Maar de bundel is vooral zeer divers, in sterkere of zachtere mate komen omzeggens alle problemen waar de hedendaagse wereld mee worstelt aan bod. Soms kan de lezer denken: wat heeft dit er nu mee te maken? Bij voorbeeld bij het zesde gedicht, dat helemaal aan de wielerkoers Ronde van Vlaanderen gewijd is (Pfeijffer schijnt een fervent fietser te zijn); maar dat gedicht kan volkomen allegorisch gelezen worden, terwijl het toch ook een ode van een fietsliefhebber aan die wedstrijd is. In zekere zin komt de gehele geschiedenis van de mensheid in de gedichten voor (in gedicht 25) bv., maar de actualiteit toch het meest. Soms leidt dat tot verzen die in Nederland wellicht niet goed zullen aankomen:

“Ik zing het oude lied. Ik rimpel al mijn woorden
rondom de lege woorden die mijn dochter hoorde
voordat haar beentjes ervan af werden gereden
door joden die ons heilig land hebben betreden
op laarzen die geen foute stappen kunnen doen
omdat het jullie joden zijn. Vanwege toen.
Wie zes miljoen keer is vermoord, heeft niet het recht
een mens te doden. Daarmee is het wel gezegd.” (pp.123-124)

Ook het 22ste gedicht, dat blijkbaar over Syrië handelt, past in zo’n context. Evenals de verwijzingen naar de vele vluchtelingen uit de derde wereld, die in Italië (waar Pfeijffer woont) veel zichtbaarder zijn dan meer in het noorden.

Soms komen in de bundel verzen voor die als one-liners kunnen gelden: “Ik ben het levend voorschot op mijn eigen graf.”, “Leven/is hoe dan ook een vorm van heel hard overgeven.”, en vele voorbeelden meer.

Je zou bij al die diversiteit kunnen stellen dat er weinig eenheid is in deze bundel. Maar dat is schijn. De eenheid wordt verkregen door de apocalyptische ondertoon, door de voortdurende suggestie dat iets op zijn einde loopt, dat een wereld aan het verdwijnen is. Soms lijkt het werkelijk of Cassandra zelf aan het woord is. Formeel komt die eenheid tot uiting door de hele bundel door dezelfde elementen te laten optreden, zo bv. engelen en kakkerlakken. Die komen regelmatig terug, maar niet in die mate dat het direct opvalt. Wel vallen de verwijzingen naar Nijhoffs Awater op (“Het gratis dagblad mijmert gekkenpraat. Er staat/niet wat er staat. Er wordt een reisgenoot gezocht.” (p. 107); die komen al vaker terug, en duiden erop dat ook de door Pfeijffer beschreven of opgeroepen wereld een reis maakt, ergens naar op weg is. Dat ‘ergens’ is duidelijk de ondergang, en die wordt al even duidelijk opgeroepen door de letterlijke herhaling (met lichte variaties soms) van enkele verzen, bv. dit, waarmee de bundel opent: “De nacht is aangezegd. De warre uren waaien”. In gedicht 27: “Ze zeggen dat de wind nu eindelijk zal draaien./De nacht is aangezegd. De warre uren waaien/als zwarte kraaien die ook iets betekenen./Je kunt de omslag haast als leek berekenen./De winter komt. De muren zijn niet hoog genoeg.” (p. 92) Naast de nacht en de wind, is het de constituent ‘de winter komt’ die voortdurend terugkeert. “We horen allemaal het ruisen van de wind./De winter komt. De hoge torens zullen vallen.” (p. 93) De dreiging die van die suggestieve beelden (‘objective correlatives’ zoals Eliot ze noemde) vanzelf al uitgaat, wordt soms nog versterkt:

“Blijf nergens lang. En hoop niet dat het weer opklaart.
De winter komt. Ga al maar verder naar het zuiden.
De wind zwelt aan. Ik hoor de oude klokken luiden.
De kraaien krijsen in de oude stad. Ga snel.
Geen zorgen maken over mij. Ik red me wel.
Wat zeg je tegen dood, mijn kind, als jij hem ziet?
Ik zal je zeggen wat je zegt. Je zegt: “Nog niet.”” (p. 94)

Soms wordt de dreiging concreter gemaakt, maar over het algemeen blijft ze onderhuids en wordt ze nooit direct benoemd ook al is ze alomtegenwoordig. Een voorbeeld van hoe de concrete zaken (‘buitenposten’ als metoniem voor de grenzen van Europa) worden vermengd met een algemeen gevoel van angst en onzekerheid is bv. het begin van gedicht 41, waarin de stormwind weer opgeroepen wordt :

“Het wakkert aan. De vlaggen rukken aan hun koorden.
De buitenposten rapporteren hese horden
die bruine fluimen op verhitte rotsen spuwen
met woorden, buitgemaakt, die van geen gruwel gruwen,
geraspt op droge tongen uit de hete bergen,
waar volkeren hun zelfbedachte schepper tergen
door militant te overleven in zijn hel
als een verwoed kwaadaardig kankerend gezwel.” (p. 143)

Veel tekeningen hoef je hierbij niet te maken; ondanks het feit dat Pfeijffer man en paard niet noemt (en dat hoeft ook niet, door het niet te noemen wordt de opgeroepen dreiging algemener en vager, dat wel, maar ook angstaanjagender) weet je wel wat hier bedoeld wordt.

Het einde van het gedicht suggereert – terecht – dat ‘wij’ niet beter zijn dan ‘zij’, alleen anders. Maar vooral dat alles onherroepelijk zal verdwijnen. En ik lees er een allusie in enerzijds naar het einde van Gorters Mei (“Ik groef een graf waar golven komen toe-/Dekken het zand en legde haar daar neer,/Daarover zand: de golven komen weer/En dalen weer met lachen of geschrei-“), maar anderzijds ook naar het einde van Les mots et les choses, het eerste belangrijke boek van de bekende postmodern genoemde filosoof Michel Foucault (“- alors on peut bien parier que l’homme s’effacerait, comme à la limite de la mer un visage de sable.”):

“Het was een golf, die wij verwarde namen gaven,
die kwam en ging en schepen schudde in de haven
en die niet anders was dan wij. Want het getij
is waar. Als enige. En wat ik schreef of zei,
wordt minzaam uitgewist door golven van de zee.
En aan het einde ruist het ruisen van de zee.” (p. 175)

Ik heb daarnet naar Eliot en zijn ‘objective correlative’ verwezen; ook hier kom je dat weer tegen, want het spreekt vanzelf dat Pfeijffer het over heel iets anders heeft dan de golven van de zee. De hele bundel door kom je dat soort beeldspraak tegen (naast andere natuurlijk, van gewone vergelijkingen tot allerlei soorten metaforen en metoniemen) en dat versterkt de indruk die de bundel maakt nog. Er zou nog veel meer over te zeggen vallen, zowel van de gedichten afzonderlijk (de liefde vaak als mogelijk maar toch mislukkend antidotum) als over de bundel in z’n geheel. Maar dat mogen de critici en de studenten doen.

Ik denk dat Ilja Leonard Pfeijffer met deze bundel een meesterwerk geschreven heeft.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


13 − twaalf =