06.04.15 – De bulleman en de vogels

| Geen reacties

bullemanIn 1986 verschenen de Verzamelde Gedichten van Hubert van Herreweghen, die toen 66 jaar oud was.

En dus nog jong, want op dit ogenblik is hij er 95, en sinds die eerste verzamelbundel heeft hij nog vele nieuwe bundels gepubliceerd, zodat een nieuwe verzameluitgave zich opdringt. Temeer daar hij tot de beste dichters van Vlaanderen behoort.

De recentste bundel van hem is De bulleman en de vogels (Uitgeverij P, Leuven, 2015).

Het woord ‘bulleman’ zul je in Van Dale tevergeefs zoeken. Maar in het WNT zijn er niet minder dan zes ingangen voor. In het gelijknamige gedicht is er duidelijk een vogelschrik mee bedoeld, maar meer algemeen duidt het een figuur aan die schrik aanjaagt. Je zou de titel van de bundel dus ook overdrachtelijk kunnen lezen in die zin dat er een tegenstelling wordt aangeduid tussen de dood en het leven. Ook het gebruik van het woord ‘akkerman’ in het laatste gedicht van de bundel (men denke aan de literaire dodendans ‘Der Ackermann aus Böhmen’) kan daarop wijzen, zoals wel meer elementen in deze bundel. Zo kun je het gedicht ‘avond’ gerust lezen als een gebed van iemand die op het punt staat afscheid te nemen:

“Licht, laatste korrel licht,
draal nog even,
verlaat me niet
als ’t donker valt,
de gruwelijke nacht
waarin de dieren dolen
uit de oudste holen,
windhol en gracht
en geen oog wat ziet.
Verlaat me niet,
wees zacht.” (p. 71)

Gelet op de leeftijd van de dichter zou je wel wat regressieve nostalgie kunnen verwachten; die is ook aanwezig, maar op een zeer ingetogen en onnadrukkelijke wijze. In een afdeling als ‘Brabant’ bv., maar eigenlijk in de meeste gedichten van de derde, ‘stilte’ genoemde afdeling. Ook die stilte is echter de stilte van de dood, want vele van de gedichten in die afdeling hebben met kerkhoven te maken: ‘Oude man leunt tegen de kerkhofmuur’, ‘dorpskerkhof I en II’. En het gedicht ‘dorp’ lijkt een klein beetje op een dodendans, maar dan minder gruwelijk dan in de klassieke dodendansen, een beetje speels zelfs, want de vergankelijkheid hoort hoe dan ook bij het leven:

“’t Kerkhof is maar een voorschoot groot.
Hier woelen slapenden zich bloot
onder de spade van Martijn
die ook begint over te hellen.
Al lotelingen zijn
we, en zie ‘k van velen
die er lang zijn uitgeloot

onder kornoelje en okkernoot
de blijde jeugd aan ’t spelen

voor ’t knekelhuis met elle-
pijpen, bikkels aan ’t tellen
van teen- en vingerkoot,

en met hun heldere kelen
het water rimpelen in de goot,

geschiedenis is schijn:
die ’t langst leven gaan ’t eerst dood.” (p. 41)

Vergankelijkheid is veel aanwezig in deze bundel, maar daar staat wel tegenover wat beklijft en blijft: op de eerste plaats de kunst, de poëzie. Er komen enkele duidelijk poëticale gedichten voor, die expliciet afstand nemen van de bekommernissen van de dag; zo in het gedicht ‘avant-garde’ waarin de tegenstelling tussen het onmiddellijke en het blijvende in de poëzie gethematiseerd wordt, en de zgn. avant-garde gerelativeerd. In het gedicht ‘het gedicht’ treedt dezelfde relativering op, maar dan ten opzichte van de poëzie tout court; het relatieve en het absolute worden hier a.h.w. samen gebracht in een symbiose, waarin beide toch hun eigenheid bewaren en elkaar doordringen: “In een wankelbaar evenwicht,/op het koord tussen staan en vallen,/een bliksem tijd, een felle schicht/tussen de duizelende getallen/van melkwegen in heelallen,/schrijft een luisterend man een gedicht.” (p. 55)

En op de tweede plaats de natuur, die in de poëzie van van Herreweghen altijd al een belangrijke rol heeft gespeeld. In niet minder dan drie van de vijf afdelingen die deze bundel telt, speelt de natuur een hoofdrol: ‘bloemen’, ‘najaar’ en ‘marines’, waarbij in ‘najaar’ uiteraard ook de herfst van het leven, waarin de dichter verkeert, een rol speelt. Het is trouwens opvallend hoe mens en natuur in deze poëzie nog met elkaar verbonden zijn; een aspect dat je bij hedendaagse jongere dichters eigenlijk amper nog tegenkomt.

Misschien kun je ook de taal als zodanig tot een vorm van ‘natuur’ rekenen; ik denk niet dat van Herreweghen bewust gebruik maakt van het woordenboek bij het schrijven van zijn gedichten, maar eerder dat het Vlaamse idioom in hemzelf aanwezig is, en dat hij ook dat deel van de woordenschat wil bewaren, dat dreigt te verdwijnen of reeds verdwenen is, zoals de ‘bulleman’ uit de titel. Er komen vele woorden voor in deze poëzie die voor de meeste lezers eerder onbekend zullen zijn, archaïsmen, typisch Vlaamse of Brabantse woorden, literaire woorden ook. Dat maakt de woordenschat van van Herreweghen niet enkel rijk, maar schept een dimensie bij: de dichter is niet enkel geworteld in het Brabant waar hij vandaan komt en woont, maar eveneens in de taal zelf. Dat kun je wellicht van alle dichters zeggen, maar door een specifieke woordenschat te gebruiken valt het wel meer op. Enkele voorbeelden: ‘malve’, ‘biezen en bijzen’, ‘hameien’, ‘hinnebezen’, ‘berd’, ‘ellepijp’, ‘zwanken’ enz. Het zijn inderdaad prachtige woorden, en ook al zijn ze volkomen buiten gebruik geraakt, dan betekent dat nog niet dat een dichter ze niet opnieuw leven zou mogen inblazen.

Wat het vers van van Herreweghen betreft, valt op dat het een tussenvorm is tussen de klassieke versvormen waar hij mee begon (zoals het sonnet), en moderne versificatie die amper nog regels kent. Hij gebruikt nog strofen, maar zonder een vast aantal versregels, en het valt op dat ze vaak ritmisch gerangschikt zijn over het blad – zoals vaak voorkomt bij de late van Ostaijen. En retorisch gezien is zijn vers parataktisch, en gebruikt hij veel asyndeton en ellipsen. Maar zonder daarin te overdrijven. Dat houdt hoe dan ook de aandacht van de lezer gaande, omdat het aan het vers soms iets stugs geeft.

Van Ostaijen. Vanaf de eerste gedichten valt het op hoe zeer van Herreweghen hier de late van Ostaijen benadert – zonder dat er van enig epigonisme sprake is trouwens, integendeel. Het is vooral de ritmische zegging, de klankrijkdom ook en een sereniteit die al niet meer van deze wereld is. Het belangrijkste verschil met van Ostaijen is dat van Herreweghen steeds ook betekenis verleent aan zijn verzen, terwijl van Ostaijen dat soms liet vallen om enkel nog ritmiek over te houden, zoals je die ook vaak in aftelrijmpjes en andere kinderliedjes vindt.

Laat me eindigen met nog éen voorbeeld te geven:

“De maan de vrouw

De maan de vrouw de zee
de volle maan, de magere zee
de vrouw van het begin af aan
met al haar manen mee
te groot zijn die verhalen
te diep omwindende spiralen
>doorheen de tekening en talen
hoogten, afgrond, gulden snee,
de vrouw verraderlijk gedwee,
gezusters drie met maan en zee.” (p. 69)

Er zijn in dit gedicht duidelijke reminiscenties aan van Ostaijens beroemde ‘Melopee’ aanwezig; maar van Herreweghen heeft toch een heel eigen, authentiek gedicht geschreven, dat wat mij betreft gerust naast van Ostaijen kan staan: een gelijkaardig thema, op een even persoonlijke manier verwoord. Dergelijke, bedoelde of onbedoelde allusies op van Ostaijen kom je vaker tegen in deze bundel. Maar steeds slaagt van Herreweghen erin zichzelf te blijven en die allusies te incorporeren in verzen die volstrekt van hemzelf zijn.

Met deze bundel bewijst van Herreweghen nog maar eens dat hij inderdaad een van onze betere dichters is. En die nieuwe ‘Verzamelde gedichten’ mogen er dus aankomen.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


een × drie =