02.04.15 – L. H. Wiener 70

| Geen reacties

Er zijn er blijkbaar wel meer zoals ik, die Wiener slechts laat hebben ‘ontdekt’. Ik herinner me nog dat het Jeroen Brouwers was die ergens op een zeer positieve manier over Wiener schreef, en dat ik toen ‘tiens’ gedacht heb, en op zoek ben gegaan naar boeken van hem. Als Brouwers iemand goed vindt, mag je er immers van op aan dat dat inderdaad klopt. Het was de in twee delen verschenen bundeling van zijn verhalen die ik mij toen heb aangeschaft. En dan ben ik hem wel min of meer blijven volgen.

Dit jaar is Wiener zeventig geworden, en dat werd gevierd met drie nieuwe publicaties. Terzelfdertijd vierde hij een vijftigjarig schrijverschap; ofschoon dit niet helemaal klopt, want volgens zijn bibliografie (zie later) dateert de eerste publicatie uit 1957 en de eerste boekpublicatie uit 1967. Maar soit, belangrijk is dat niet.

in-zee-gaat-niets-verlorenDe eerste nieuwe publicatie is de ‘roman’ In zee gaat niets verloren (Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2015). Ik heb de term ‘roman’ tussen aanhalingstekens geplaatst, omdat ieder die een beetje met het werk van Wiener vertrouwd is, weet dat het bij zijn romans en het overgrote deel van zijn verhalen over zgn. ‘autobiografische fictie’ gaat. Hij gebruikt de eigen werkelijkheid om een nieuwe werkelijkheid te scheppen. Dat doen natuurlijk veel schrijvers, maar bij Wiener is dat autobiografische element toch sterker aanwezig dan bij andere schrijvers.

In zee gaat niets verloren bevat drie verhaalstrengen, die een beetje als de bekende DNA-strengen met elkaar in een spiraal vervlochten zijn. Dat is niet enkel een erg originele structuur, het past ook wonderwel bij het belangrijkste motief van het boek: de zoektocht naar het eigen verleden, dat van zijn vader, zijn grootouders en nog verder. Sleutelfiguur daarbij is de figuur van tante Loes, waarvan de hoofdpersoon toevallig een foto ziet (die op het kaft van het boek afgebeeld staat) en die als een van de weinigen van de familie van de hoofdfiguur de oorlog overleefd heeft, doordat ze zich verborgen hield in Artis, boven de leeuwenkooi (wat ook al symbolisch gelezen kan worden). We worden minutieus op de hoogte gehouden van de vorderingen en de resultaten zoals die vooral door een vriend van de schrijver-hoofdfiguur, de Haarlemse notaris Auerbach worden opgezocht en aangebracht. Ik heb in Haarlem geen enkele notaris met die naam teruggevonden, en veronderstel derhalve dat we hier te maken hebben met fictie binnen de autobiografische structuur. Maar de naam is uiteraard wel zeer bekend van Auerbachs Keller in Leipzig, waar een belangrijke scène uit Faust zich afspeelt.

Dit hoofdmotief van de Familiesuche wordt afgewisseld door twee er eng mee verbonden andere motieven: op de eerste plaats een zeiltocht naar Oostende en terug. De vader van de hoofdfiguur was nl. gokverslaafd en speelde graag in het zeker vroeger bekende casino van die stad. Dat motief staat weliswaar op zichzelf, maar is toch totaal verstrengeld met het hoofdmotief, omdat ook hier van een terugkeer naar de vader sprake is. Het derde motief is de dementerende kat Lolitapoes, die beschreven wordt in de woning van de schrijvende hoofdpersoon, maar die ook meegenomen wordt op de zeiltocht naar Oostende, en die op het einde van het boek sterft.

Ofschoon Wiener meer romans geschreven heeft, zeker vanaf het begin van dit millennium (ofschoon in hetzelfde jaar van zijn debuut, 1967, ook al een roman verscheen, Zwarte vrijdag, maar die de schrijver blijkbaar niet meer wenst heruit te geven) is hij toch vooral bekend als schrijver van zeer gewaarde en eigengereide verhalen.

wiener-verhalen-2015Er zijn heel veel goede verhalenschrijvers in het Nederlands, ik denk aan Maarten Biesheuvel, Willem Frederik Hermans, Remco Campert, en vele, vele anderen, ook hedendaagse die ik niet ken. Wat het belangrijkste verschil uitmaakt met de verhalen van Wiener zijn de stijl en de toon. Die laatste is er een van ironie, sarcasme en soms ook echt cynisme, allemaal zaken dus die zeer geschikt zijn om een ontvankelijk en kwetsbaar gemoed achter te verbergen. Soms, vooral in het begin van zijn verhalend werk, was er inderdaad enige verwantschap met Hermans, bv. door de nadruk op bepaalde persoonlijkheidsstoornissen, maar die overeenkomsten waren te zoeken op het vlak van de fabel. Hermans – Het behouden huis is een goed voorbeeld; het is trouwens ook een ik-verhaal, zoals bij Wiener meestal – schrijft zeer afstandelijk, observeert als het ware zijn protagonisten van buitenaf, terwijl Wiener dat eerder van binnenuit doet. Hermans is ook altijd zeer ernstig terwijl Wiener zijn ernst verbergt achter de zo-even genoemde toon, die tot zeer humoristische effecten kan leiden. Wiener gebruikt daartoe vooral het understatement en de hyperbool, alsmede de paradox en het oxymoron. Af en toe ook eens een zeugma, maar hij is ambachtsman genoeg om te weten dat je daarin niet moet overdrijven, dat dat snel tot een gemakkelijk trucje verwordt.

De uitgave in één enkel dik boekwerk van De Verhalen ( Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2015) is een schitterend cadeau van een uitgever aan zijn schrijver. Een canonisatie kun je zeggen. Het boek van meer dan duizend bladzijden bevat als kern natuurlijk de vroegere tweedelige uitgave, maar daar zijn nog enkele verhalen bijgekomen die eerder niet werden opgenomen, alsmede natuurlijk alles wat sindsdien, in reguliere of bibliofiele uitgaven nog gepubliceerd werd. Je kunt dagen, weken, maanden zoet zijn met deze rijke verhalen, die overigens een zeer sterke samenhang vertonen, zoals het hele werk van Wiener trouwens.

liber-wienerEen derde uitgave tenslotte, en eveneens een heus verjaardagsgeschenk is LHW70 – Een liber voor een libertijn, samengesteld en uitgegeven door vier vrienden van de jarige, Flip Hammann, Annalisa Hemmes, Rob Huizinga en Theo Rabou. Het is een liber amicorum, dat niet in de handel is, maar verkregen kan worden bij het antiquariaat Hinderickx & Winderickx in Leiden. Het is op de eerste plaats qua vormgeving al een schitterend boek, met verschillende lettertypes in rood en zwart, foto’s die de teksten illustreren, tussenbladzijden in volledig rood die de verschillende afdelingen van het boek afbakenen; maar op de binnenkant van de stofwikkel staan ook nog eens afbeeldingen van de kaften van alle reguliere en bibliofiele uitgaven in boekvorm van Wiener, zodat de liefhebber een onmiddellijk overzicht krijgt.

Maar inhoudelijk is dit boek vanzelfsprekend eveneens een must. Het eerste deel bevat de al zeer diverse bijdragen van vrienden en kennissen van de jarige. Daarna volgt een fietstocht door ‘Het Haarlem van Wiener’, waarbij de onderdelen van de tocht geïllustreerd worden door excerpten uit het werk van Wiener dat, zoals men weet, zich voor een groot gedeelte in Haarlem afspeelt. Daarna volgt een ‘biografisch mozaïek’ aan de hand van citaten uit Wieners werk.

Dan komt  een deel met nooit gepubliceerde teksten van Wiener zelf, gevolgd door de 16 eerste afleveringen van de ‘mededelingen’ van het Wiener-genootschap. Deze worden rondgestuurd door Rob Huizinga en men kan zich erop abonneren door een berichtje te sturen naar huizingarob@gmail.com. De afsluitende afdeling is een bibliografie van de publicaties van en over Wiener. Wat de eersten betreft zal ze wel volledig zijn, de secundaire bibliografie streeft daar wel naar, maar iedereen die zich met letterkunde bezighoudt op een wetenschappelijk niveau weet dat in deze volledigheid nooit bereikt kan worden. Hoe dat ook zij, wie zich met het werk van Wiener bezig wil houden kan niet zonder.

Eigenlijk is het vreemd dat Wiener zo lang een schrijver in de marge is geweest, een beetje aan de rand van de officiële literatuur. Want hij heeft niet enkel een omvangrijk oeuvre bij elkaar geschreven, maar ook een van de beste, aangrijpendste en zorgvuldigste van de recente Nederlandse literatuur.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


15 − 2 =