23.03.15 – Johan Daisne

| 2 reacties

Zesenzestig is hij geworden, Johan Daisne. En omdat dat ook mijn huidige leeftijd is, ben ik geneigd te zeggen dat dat toch wel jong was.

Wat niet noodzakelijkerwijze juist hoeft te zijn.

Johan Daisne heb ik gelezen als tiener: zijn belangrijkste romans en zijn boekjes over film (de twee à drie pockets daarover in de Heidelandreeks ‘Vlaamse Pockets’). Van de lectuur van die romans is mij zo goed als niets bijgebleven. De film die naar De man die zijn haar kort liet knippen gemaakt werd daarentegen, herinner ik me wel; ook al zag ik ook die ergens in het midden van de jaren zestig, waarschijnlijk op TV. Nadien heb ik éen enkel boek van hem herlezen: de tekstkritische uitgave van de novelle De trein der traagheid. Dat heeft me niet overtuigd, eerder integendeel, ik was van oordeel dat het slecht geschreven was.

johan-daisne-1912-1978En nu heeft Johan Vanhecke een kanjer van een biografie van Daisne gepubliceerd, de handelsuitgave van zijn proefschrift: Johan Daisne, tussen magie en werkelijkheid 1912-1978 (Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen/Utrecht, 2014). Vanhecke was wel de aangewezen persoon om die biografie te schrijven, niet enkel als werknemer van het Letterenhuis, maar vooral omdat hij daar het erg uitgebreid archief van Daisne geordend en beschreven heeft.

Wat in die biografie vooreerst opvalt is dat de auteur zich erg nauw aan de feiten houdt, d.w.z. aan de oppervlakte, dat hij daarin erg uitvoerig is, en dat hij zoveel mogelijk poogt verklaringen en meer nog evaluaties achterwege te laten. Dat is uiteraard de gemakkelijkste manier van werken, en als je dat zo minutieus doet als Vanhecke levert het zeer zeker een goed leesbaar boek op. Maar deze lezer blijft toch een beetje op zijn honger zitten.

In de romans van Daisne komen heel wat totaal geïdealiseerde vrouwen voor. Terzelfdertijd had Daisne de neiging om ook in de werkelijkheid de vrouwen die hij leerde kennen te idealiseren, dat blijkt duidelijk uit de biografie. Het zou boeiend geweest zijn eens te onderzoeken hoe dat komt. En dan kom je uiteraard uit bij Daisnes verhouding tot zijn moeder, die hij min of meer verafgoodde. In dat licht bezien is het evenmin een toeval dat hij op latere leeftijd Mariagedichten ging schrijven. Dat komt ook bij Reve voor, hoewel bij deze laatste in veel sterkere mate. Een kleine vergelijking had misschien gekund. Waarbij ook gepeild had kunnen worden naar een diep verdrongen homoseksuele aanleg bij Daisne  (Adriaan Venema had daar lang geleden al op gewezen in zijn Homoseksualiteit in de Nederlandse literatuur), waarvan ik overigens niet weet of die daadwerkelijk aanwezig was. Vanhecke vermeldt wel het boek van Venema, maar gaat niet in op deze cluster van zaken, die toch een dieper beeld van de mens Daisne had kunnen opleveren.

In die context kunnen misschien ook enkele saillante details beter begrepen worden. Zo liet hij zijn eerste vrouw op haar maagdelijkheid onderzoeken (ik geloofde het niet toen ik dat las, maar het staat er wel degelijk, er is een document van bewaard gebleven), en eiste van zijn schoonouders een schriftelijke bevestiging dat hun dochter enkel huisvrouw zou zijn (zoals zijn moeder?), wat moest die immers met een diploma. Die eerste vrouw was assistente aan de RUG en bereidde een proefschrift voor in de pedagogie. En wat wellicht nog het meest verbijsterende is: in plaats van te zeggen ‘de pot op, zak!’, gingen ze erop in. De bekende naam van de schrijver?

Hoe dat ook zij, Vanhecke blijft wat deze en andere zaken betreft altijd aan de oppervlakte, de feiten en enkel de feiten, zonder enige poging tot verklaring. Uiteraard zat niemand van zijn juryleden of zijn lezers te wachten op een uitgebreid psychoanalyse zoals die van Marie Bonaparte over Poe, maar een beetje dieper ingaan op zaken die zo cruciaal zijn voor een persoonlijkheid had toch wel gemogen. Ook het feit dat Daisne blijkbaar een afkeer had van seksualiteit past volkomen in die cluster van problemen (en wellicht de neurastenie waar hij later sterk aan leed, en de regelmatig optredende depressies).

Zijn eerste vrouw ging overigens al snel vreemd, wat tot een breuk in het huwelijk leidde. Waarschijnlijk was zij gewoon een normale vrouw met normale behoeften, en was zij verplicht de bevrediging daarvan elders te gaan zoeken. Ze pasten dus gewoon niet bij elkaar.

Zoals ik al zei is het een uitgebreid en minutieuze biografie, wat mogelijk was door de uitgebreidheid van het door Daisne achtergelaten materiaal; niet enkel handschriften, maar vooral uitgebreide briefwisselingen (met vaak niet verstuurde brieven). In het begin lijkt me de biografie zelfs te omslachtig, zeker wanneer het over de films gaat waar Daisne als kind en als tiener naartoe ging, en waarvan sommige niet eens meer bestaan. Nu is dat aspect uiteraard zeer belangrijk geweest voor Daisne, tot zijn laatste jaren toe. In professionele kringen (ik herinner me de schampere glimlach nog van Jacques Ledoux toen ik Daisne noemde en verdedigde, ook al wist ik toen al dat hij niet meer dan een dilettant was) werd met dat werk gelachen, maar dat belet niet dat het waarschijnlijk voor velen een eerste kennismaking met het begrip film heeft gebracht, waaronder ondergetekende.

Op de romans en verhalen van Daisne gaat Vanhecke naar mij voorkomt niet erg diep in. Hij vermeldt ze allemaal, maar schrijft meer over de oplagen, de onderhandelingen met de uitgevers, de verschillende drukken en de receptie ervan dan over die werken zelf. Al die aspecten zijn natuurlijk ook interessant (Daisne was in de jaren vijftig tot zeventig een van de meest verkochte en geprezen auteurs van Vlaanderen), maar toch had ik graag iets meer vernomen over de werken zelf, en waarom die zo veel gelezen werden (op recensenten kun je immers zelden of nooit afgaan – meestal kletsen die maar wat).

Wat hij wel veel citeert zijn de gedichten van Daisne. Zelf heb ik twee dikke verzamelbundels, samen een goeie zevenhonderd bladzijden. Maar dat moet maar een klein gedeelte zijn van de werkelijke productie, zo vrees ik te mogen afleiden uit dit boek. Bij leven werd dat deel van zijn oeuvre al minder goed gevonden dan de romans, zeker in het begin; toen hij eenmaal een gevestigd auteur was, draaiden de recensenten natuurlijk bij en gingen ze ook de poëzie goed vinden. Het spijt me, meer dan 95 % ervan zijn onbenulligheden, karamellenverzen. Ik vind dat Vanhecke hier zelf een standpunt had moeten innemen en onderbouwen in plaats van op de vlakte te blijven. Misschien is het academisch gezien niet gepast om standpunten in te nemen, maar dan had hij dat alleszins in de handelsuitgave moeten doen.

Echt boeiend wordt het in de jaren zestig, op de eerste plaats natuurlijk omdat ik die periode zelf nog heb meegemaakt (vanaf 1963 was ik geabonneerd op  De Vlaamse Gids en daarnaast las ik via de school De Periscoop). Voldoende om toch een beetje te kunnen volgen waarover het ging. Maar ook omdat Daisne cum suis toen regelrecht literair aangevallen werden door jongeren als Weverbergh, Claeys, Daele, Leus et tutti quanti, in hun respectieve tijdschriften. Opvallend is zijn reactie: hij probeerde samen te zweren met zijn generatiegenoten om die jongeren uit het normale literaire circuit (de grote tijdschriften vooral) weg te houden, om hen te boycotten dus. Wat uiteraard niet gelukt is. En wat alleszins een minder fraaie kant van zijn persoonlijkheid toont.

Daisne had trouwens wel zeer lange tenen. Dat kun je natuurlijk van alle schrijvers zeggen, want allemaal hebben ze grote ego’s; maar bij Daisne was dat toch wel zeer uitgesproken: hij kon gewoon geen kritiek verdragen, zo blijkt uit deze biografie, en reageerde altijd direct als iemand iets over hem geschreven had dat ook maar een ietsepietsie negatief was of klonk. Wel is het zo dat hij die brieven vaak niet verstuurde, maar in zijn schuif liet liggen – waar de biograaf ze dan ook terug vond. Ook was hij blijkbaar totaal onbekwaam om het belang van andere schrijvers in te schatten, zo noemde hij Böll overgewaardeerd, en Grass schreef volgens hem ‘halbstarkenliteratuur’. Sancta simplicitas! Vergeleken bij het werk van Grass valt dat van Daisne eigenlijk totaal in het niet.

Een laatste punt zijn de politieke opvattingen van Daisne, die de geëigende weg van zovelen heeft afgelegd: van erg links tot een rechts, in dit geval religieus socialisme. Daisne had vroeg Russisch geleerd en verbleef in de jaren dertig enkele keren in de Sovjet-Unie; hij schreef daar ook over. Maar wanneer je leest dat hij kapitalisme en communisme met elkaar wilde verzoenen, omdat zij allebei op hun manier ethische stelsels waren (o.a. zijn doctoraat aan de RUG, dat nooit uitgegeven werd, gaat daarover) dan moet je toch je hoofd schudden bij zoveel volstrekte naïviteit. Tijdens de oorlog werd hij dan communist, d.w.z. hij werd lid van die partij, omdat hij zich liet wijsmaken dat het lidmaatschap van de verzetsorganisatie ‘onafhankelijkheidsfront ‘ inhield dat hij ook lid werd van de KP. Maar waarschijnlijk heeft hij nooit maar dan ook nooit ook maar iets van politiek begrepen, zeker niet van communistische politiek.

Het verwondert dan ook niet dat hij na de oorlog al snel zijn lidkaart inruilde voor een van de BSP – of althans dat hij voortaan voor die partij ging stemmen. Om dan later in moreel-religieuze zin te evolueren – een beetje zoals Henriëtte Roland Holst – van der Schalk zou je kunnen zeggen. Voor zover ik mij herinner komt er in zijn werk overigens nooit een uitdrukkelijke politieke tendens voor – zelfs geen impliciete. Wat uiteraard ook niet nodig is.

Ik sta dus min of meer dubbelzinnig tegenover dit boek: het geeft een goed beeld van het persoonlijke leven van een schrijver, en daardoor ook van het literaire leven in Vlaanderen van de jaren dertig tot en met de jaren zeventig van de vorige eeuw, waarin Daisne hoe dan ook een belangrijke rol speelde. Maar het ontbreken van dieper gravende analyses, een zekere oppervlakkigheid dus, stelt me wel een beetje teleur. Uiteindelijk zou ik kunnen besluiten met te zeggen dat Vanhecke een uitstekend archivaris is, en dus ook iemand die perfect weet hoe die archieven te gebruiken; maar het is duidelijk dat hij minder voeling heeft met de eigenlijke literatuur.

Bij mijn weten is op dit ogenblik enkel nog de hierboven vermelde tekstkritische uitgave van De trein der traagheid verkrijgbaar in de handel. Verder niets meer. Dat zegt niet noodzakelijkerwijze veel over dat werk, maar eerder iets over het feit dat de Nederlanden een land zijn van cultuurbarbaren (een minister van cultuur als Gatz die indirect bibliotheken zal doen sluiten komt toch overeen met de barbaren van IS(IS) die cultuurmonumenten vernietigen, of niet misschien?!). Daisne behoort dan wel tot de literatuurgeschiedenis, maar in echte cultuurnaties blijven ook dergelijke schrijvers altijd wel op de een of andere manier beschikbaar.

Of deze biografie mij heeft aangezet om Daisne te gaan herlezen? Ik vrees van niet.

Delen:
Share

2 reacties

  1. Beste Peter,
    dank voor de bespreking, die ik zeer raak vind, hoewel ik het natuurlijk niet helemaal eens ben met het feit dat je vind dat ik standpunten had moeten innemen. Je toont namelijk zelf aan dat het niet nodig is: de lezer kan zelf best conclusies trekken. Hoewel het natuurlijk niet opvalt, stuur ik eigenlijk wel een aantal zaken door de keuze van mijn citaten. Ik vermeld Daisnes interesse voor homoseksualiteit een paar keer (bv. bij het NVT-proces Klop op de deur, de verliefdheid op zijn schoolvriend Jan) en voor de rest zitten er een paar travestie-elementen en wat homoseksualiteit in zijn romans en verhalen. Ik hoop dat sommige mensen de biografie als basis voor verder onderzoek zullen gebruiken en die homoseksualiteit lijkt me een prima onderwerp. Ik vind die gedichten ook slecht, maar er zitten soms leuke elementen in, en als er mensen zijn die ze wel goed vinden, is dat hun goed recht. Je hebt wel gelijk dat ik wat dieper op het proza had moeten ingaan, of althans op een aantal romans of verhalen, maar dan had ik weer in andere zaken moeten schrappen, want het boek is nu eigenlijk al te dik. Ik wou Daisne ook wel beschrijven als een element in het literaire netwerk tussen 1930 en 1980, en ook een stuk toevoegen aan wat eerder al over uitgeverij Manteau geschreven werd door Ernst Bruinsma en Kevin Absilis. Mijn oorspronkelijk opzet wat eigenlijk nog meer dan nu Daisne zelf aan het woord te laten, hem zelf zijn eigen leven laten vertellen. Maar dat werkte de leesbaarheid niet in de hand.
    Ik vind ook niet alle proza van Daisne even goed, maar ik vind het vreemd dat je De trein der traagheid slecht geschreven vindt. Die behoort tot mijn favorieten. En zijn literair sterkste boek is toch wel De man die zijn haar kort liet knippen, denk ik. Maar als ik schreef dat ik hoopte dat mensen na de biografie Daisne zouden gaan herlezen, was het vooral opdat ze zouden zien op welke manier hij zijn leven in zijn romans verwerkte. En daarvan merk je dan weer weinig of niets in De Man en De Trein.
    Ik ben in ieder geval heel blij met wat je hier geschreven hebt, want het zijn toch wel dit soort reacties die ik ook hoopte op te wekken.
    Vriendelijke groet,
    kroniekschrijver-archivaris Johan Vanhecke

    • Beste Johan,

      Hartelijk bedankt voor je reactie. Je bent blijkbaar een erg vriendelijk mens, want zo heel positief was mijn recensie toch ook weer niet. Maar eigenlijk heb je volkomen gelijk: de lezer moet uiteindelijk zelf zijn conclusies trekken. Dat is inderdaad een aantrekkelijk onderwerp, maar ook een van de moeilijkste; zelf heb ik me één keer gewaagd aan een psychoanalytische benadering, naar aanleiding van een drietal gedichten van Josef L. De Belder, maar daar lag dat echt voor de hand. Hier ligt het volgens mij veel moeilijker, en zeker voor een licentiaatsverhandeling (masterproef) niet echt geschikt. Het zal dan al een doctorandus moet zijn. Vreemd eigenlijk dat aan de Nederlandse universiteiten (daarin inbegrepen de Vlaamse) bij mijn weten nooit een cursus ‘psychoanalytische literatuurwetenschap’ gedoceerd werd, terwijl dat in Duitsland en Frankrijk erg gebruikelijk is.
      Ja, die gedichten. Bij zo’n enorme productie kan het niet anders of af en toe zit er ook wel eens iets goeds bij.
      Als element in het literaire netwerk heb je hem overigens volgens mij uitstekend beschreven; dat element is een van de boeiendste aspecten van je boek. Samen met inderdaad de manier waarop zijn leven in zijn werk aanwezig is. Daarvan wist ik absoluut niets, en daar heb ik dus heel veel bijgeleerd.
      Overigens, dat niet gaan herlezen van Daisne heeft niet zozeer met je biografie te maken, maar eerder met het feit dat ik niet veel herlees: één auteur per jaar, meestal buitenlandse (dit jaar bv. Joseph Roth).
      Van Harte,
      Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien + 11 =