12.03.15 – Dylan Thomas

| Geen reacties

Ergens in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw heb ik de Collected poems van Dylan Thomas gekocht en gelezen. Het was een pocket met de tekst van de uitgave die Thomas zelf nog had samengesteld, en die voor het eerst werd uitgegeven in 1952 als ik me niet vergis. Wat ik me van die lectuur nog herinner, is dat het erg moeilijke gedichten waren, van een uiterste concentratie.

Dat het verleden jaar exact honderd jaar geleden was dat Thomas geboren werd, wist ik niet. Maar voor het eerst sinds twee decennia heb ik op het einde van 2014 nog eens een bezoek gebracht aan Londen, en een bezoek aan Foyles hoort er dan natuurlijk bij. En uit de grote (in onze boekhandels, zelfs de betere ondenkbare) afdeling lyriek bleek dat onmiddellijk: er lagen nl. nogal wat uitgaven van en over Thomas, en ik heb dan ook niet geaarzeld er enkele van aan te schaffen.

dylan-thomas-1Op de eerste plaats natuurlijk de nieuwe uitgave van The collected poems, uitgegeven door John Goodby (Weidenfeld & Nicolson, Londen, 2014), in de ondertitel ‘The New Centenary Edition’ genoemd.

Het verschil met de nog door hemzelf samengestelde uitgave ligt op de eerste plaats in de volledigheid. Als ik de uitgever mag geloven, is dit de eerste werkelijk volledige uitgave van het dichtwerk van Thomas. Dat betekent op de eerste plaats dat ook zijn ‘notebooks’ erin opgenomen zijn, ook al waren die vooral de basis voor vele van zijn latere gedichten. Die bevatten de poëzie uit zijn jeugd, pakweg van zijn vijftiende tot zijn twintigste. Die werden pas in 1989 uitgegeven en zijn nu dus ook opgenomen in deze uitgave. Niet enkel de vergelijking met de latere gedichten is daarbij interessant, maar er blijkt vooral uit dat Thomas tot dat kleine groepje van dichters hoort die reeds zeer vroeg goede gedichten kon schrijven, beter in elk geval dan het overgrote deel van zijn leeftijdgenoten. Dat feit roept natuurlijk op de eerste plaats de figuur van Rimbaud op.

De kern van het boek blijft natuurlijk de door Thomas zelf samengestelde uitgave; daarin staan de bekendste en de beste gedichten. Kwalitatief minder (zelfs dan de jeugdgedichten) lijken mij wel enkele gelegenheidsgedichten; en of de gedichten uit prozageschriften en vooral uit Under Milkwood hier thuishoren, weet ik niet. Tenslotte horen die in een zeer specifieke context thuis. Maar anderzijds, als je volledigheid nastreeft, dan moet je natuurlijk consequent zijn.

Deze uitgave bevat tenslotte een uitgebreid apparaat van de samensteller en uitgever. En in het geval van Thomas is dat wel nodig, gelet op de vele allusies, al dan niet verdekte citaten, verwijzingen, en over ’t algemeen de secure zorg die de dichter besteedde aan de keuze van zijn woorden; hij maakte daarbij graag gebruik van zeldzame, of archaïsche woorden, die de lectuur – waarschijnlijk zelfs voor Engelsen – niet bepaald vergemakkelijken.

Tenslotte bevat deze uitgave nog vijf appendixen, waarvan mijns inziens vooral de vierde zeer belangrijk is voor een goed begrip van Thomas’ poëzie en zijn manier van werken. Hij bestaat uit de geschreven antwoorden op een stel vragen, en Thomas gaat uitgebreid daarop in; niet enkel de antwoorden zijn belangrijk, maar ook de vragen zelf, want zij vragen expliciet naar de poëticale uitgangspunten van de dichter, die zodoende zelf sterk moet reflecteren over wat hij doet. Vandaar wellicht de uitgebreidheid van Thomas’ antwoorden. Het is geweten dat Thomas zeer lang en minutieus aan zijn gedichten werkte, tot elk woord zijn juiste plaats had. Hierin legt hij uit hoe hij daartoe komt en hoe dat concreet in zijn werk gaat.

Thomas schrijft geen belijdenislyriek, en zelfs de autobiografische aanleidingen zijn meer weggewerkt naar de achtergrond dan openlijk en direct weergegeven. Waarschijnlijk heeft dat te maken met een reusachtige discrepantie tussen leven en werk; waar ik toen, in die jaren zeventig niet op gelet zal hebben. De gedichten van Thomas zijn niet enkel zeer geciseleerd, maar extreem vormvast; het is daar vooral waar hij zo lang aan werkte. Nu weet ik dat dat waarschijnlijk een tegengewicht was voor zijn totaal vormloos, chaotisch leven. Alsof hij die chaos koste wat het kost in een dwingende, vaste, onherroepelijke vorm wou gieten. Een antidotum.

dylan-thomas-2Nochtans had ik dat wel moeten weten, want iets later dan de gedichten zelf las ik de eerste biografie van Thomas, The Life of Dylan Thomas van Constantine FitzGibbon, die Thomas nog persoonlijk gekend had en zelfs bevriend met hem was. Zijn biografie is overigens opgedragen aan Thomas’ echtgenote, die hem wel vele gegevens zal hebben verschaft. Die biografie dateert al uit de jaren zestig, en hoewel ze alle aspecten van zijn leven behandelt, heb ik nu toch de indruk dat de auteur zich nogal ingehouden heeft en een eerder ‘fraai’ beeld heeft willen schetsen. Daarenboven waren vele teksten van Thomas, zoals de zo belangrijke notebooks nog niet uitgegeven, zodat FitzGibbon er ook niet op in kon gaan.

dylan-thomas-3Dat doet uiteraard wel Andrew Lycett in zijn Dylan Thomas, a new life (Phoenix books, London, 2004 – de eerste druk dateert van een jaar eerder). Wat de ontwikkeling van Thomas als dichter, en als schrijver tout court betreft, is deze biografie dus alleszins beter dan de vorige (er zijn er wellicht nog andere, maar die ken ik niet). Ook wat het leven zelf betreft gaat hij op sommige zaken dieper in, maar ook hij schetst uiteindelijk een beeld dat grotendeels overeenkomt met dat van FitzGibbon; alleen houdt hij meer afstand en probeert hij duidelijk objectiever naar zijn onderwerp te kijken. Hij heeft Thomas dan ook niet meer persoonlijk gekend. Wel legt hij toch sterker de nadruk op de sterke contradicties, ook in het leven zelf van zijn onderwerp. En geen van beide biografen probeert psychologische verklaringen uit te werken voor de figuur die ze behandelen. Vooral de feiten moeten spreken.

En dat doen ze wel.

dylan-thomas-4Naast het voornoemde heb ik bij Foyles ook nog twee dunnere boekjes gekocht met herinneringen aan Thomas, beide overigens al enkele jaren ouder. Op de eerste plaats My Father’s Places van dochter Aeronwy Thomas (Constable, London, 2009). Zij vertelt daarin voornamelijk haar eigen jeugd in het landelijke Laugharne, een klein dorp aan de kust in Wales, waar de Thomasses zeer lang gewoond hebben, en dat trouwens min of meer model heeft gestaan voor het dorp van Under Milkwood. Op zichzelf is het een vlot leesbaar en aangenaam boekje, maar over Thomas en zijn huisgezin of huiselijk leven komen we eigenlijk weinig te weten. Het is het verhaal van een min of meer paradijselijke kindertijd. Maar is elke kindertijd niet zo, zeker in de herinnering? Of toch de meeste? Het valt op dat Aeronwy eigenlijk heel weinig lijkt te hebben meegekregen van de conflicten tussen haar ouders.

dylan-thomas-5Nochtans blijkt uit de ettelijke jaren eerder verschenen herinneringen van Caitlin Thomas, Double drink storyMy life with Dylan Thomas  (Virago, London, 2014 – de eerste druk dateert al van 1998) dat die conflicten er niet enkel waren, maar dat ze vaak ongemeen heftig waren, tot vechtpartijen en gegooi met messen (door haar) toe. Ook dit boekje is vlot leesbaar, maar wel veel verbijsterender dan het vorige, door de mengeling van liefde, schuldbesef wegens haar (hun) alcoholisme, jalousie enzovoort die eruit spreken. De emotionele hartstocht in negatieve en positieve zin, die haar een leven lang begeleid moet hebben, springt nog steeds van elke bladzijde af (het boek werd op het einde van haar leven geschreven, dat dubbel zo lang duurde als dat van Thomas zelf die, zoals geweten is, nog geen veertig was toen hij in New York door het toedienen van met elkaar niet compatibele geneesmiddelen, plus de alcohol natuurlijk, gestorven is). Het boek is vooral het relaas van beider drankzucht, en speelt zich dan ook grotendeels af in de pubs en, voor wat de gevolgen betreft, thuis. Vreemd, dat een kind daar zo weinig van kan meekrijgen. Verdringing door Aeronwy?

Die twee boekjes zijn een aanvulling op de biografie, meer niet. Ze werpen een bijkomend licht op het bohemienleven van Thomas, maar hebben het op de eerste plaats over henzelf natuurlijk; de dochter gaat daarbij het minst in op de verhouding tot haar vader, de echtgenote het meest, maar dan wel quasi volledig gefocust op éen aspect ervan.

Wel een nuttig verblijfje dus in Londen, want een hernieuwde en uitgebreidere kennismaking met Dylan Thomas en zijn werk was alleszins aangenaam en hoe dan ook aan te bevelen. Tenslotte wil ik dit stukje nog eindigen met een gedicht dat wellicht helemaal niet typisch is voor Thomas, maar dat wel een andere, meer ironische en (zelf)spottende of gewoon maar kritische en zeer zeker ook humoristische kant van hem laat zien, en dat het beeld van de dichter zoals het uit de meeste teksten over hem naar voren komt, toch een beetje bijstelt. Het gedicht dateert uit 1933 en behoort dus niet tot de zelf vastgestelde canon:

A Letter To My Aunt Discussing The Correct Approach To Modern Poetry

To you, my aunt, who would explore
The literary Chankley Bore,
The paths are hard, for you are not
A literary Hottentot
But just a kind and cultured dame
Who knows not Eliot (to her shame).
Fie on you, aunt, that you should see
No genius in David G.,
No elemental form and sound
In T.S.E. and Ezra Pound.
Fie on you, aunt! I’ll show you how
To elevate your middle brow,
And how to scale and see the sights
From modernist Parnassian heights.

First buy a hat, no Paris model
But one the Swiss wear when they yodel,
A bowler thing with one or two
Feathers to conceal the view;
And then in sandals walk the street
(All modern painters use their feet
For painting, on their canvas strips,
Their wives or mothers, minus hips).

Perhaps it would be best if you
Created something very new,
A dirty novel done in Erse
Or written backwards in Welsh verse,
Or paintings on the backs of vests,
Or Sanskrit psalms on lepers’ chests.
But if this proved imposs-i-ble
Perhaps it would be just as well,
For you could then write what you please,
And modern verse is done with ease.

Do not forget that ‘limpet’ rhymes
With ‘strumpet’ in these troubled times,
And commas are the worst of crimes;
Few understand the works of Cummings,
And few James Joyce’s mental slummings,
And few young Auden’s coded chatter;
But then it is the few that matter.
Never be lucid, never state,
If you would be regarded great,
The simplest thought or sentiment,
(For thought, we know, is decadent);
Never omit such vital words
As belly, genitals and —–,
For these are things that play a part
(And what a part) in all good art.
Remember this: each rose is wormy,
And every lovely woman’s germy;
Remember this: that love depends
On how the Gallic letter bends;
Remember, too, that life is hell
And even heaven has a smell
Of putrefying angels who
Make deadly whoopee in the blue.
These things remembered, what can stop
A poet going to the top?

A final word: before you start
The convulsions of your art,
Remove your brains, take out your heart;
Minus these curses, you can be
A genius like David G.

Take courage, aunt, and send your stuff
To Geoffrey Grigson with my luff,
And may I yet live to admire
How well your poems light the fire.

Dylan Thomas
Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


5 × vier =