11.03.15 – Veertig jaren crisis

| Geen reacties

Economie is geen exacte wetenschap. Zelfs de econometrie – de wiskundige tak van de economie – is dat niet, want het is onmogelijk rekening te houden met alle parameters – waarvan sommige overigens totaal irrationeel zijn. Vandaar ook dat het onmogelijk is economische voorspellingen te doen, absoluut niet op lange of halflange termijn, en zelfs niet op korte termijn. Vandaar ook dat in economische geschriften zo vaak ‘ceteris paribus’ wordt ingeroepen – wat elke wetenschappelijkheid al op voorhand ondermijnt.

Datzelfde geldt mutatis mutandis voor marxistische economie – voor zover die zich positief opstelt, daarmee bedoel ik: voor zover die beschrijft wat moet gebeuren en hoe de economische actoren moeten handelen. De marxistische economie heeft echter wel één groot ding voor op de burgerlijke economie: wanneer ze zich beperkt tot het maken van analyses van wat is en gebeurt, dan graaft zij altijd veel dieper, legt zij veel beter de tegenstellingen binnen een systeem bloot, en zodoende verheldert zij veel meer dan dat ze verhult. In tegenstelling tot het ideologisch gezwam, waar de economen à la Noels een patent op hebben. ‘Die Sache bei der Wurzel fassen’ noemde Marx dat.

En ik ben nog altijd van oordeel dat iemand die echt analytisch wil leren denken, twee dingen moet doen: Latijn leren en de Grundriss van Marx grondig bestuderen.

henri-houbenDe veertigjarige crisis van Henri Houben (EPO, Berchem, 2015) is zo’n analytisch boek, in de traditie van Marx, Luxemburg, Hilferding, Varga, Mandel en anderen.

Het boek is op de eerste plaats historisch: de auteur schetst de crisis vanaf het ontstaan, dat hij situeert in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Dat klopt, als mijn eigen herinnering me niet bedriegt, want ik herinner me nog goed dat toen voor het eerst sprake was van loonmatiging, en zelfs dat er loonsverminderingen werden doorgevoerd, én dat de vakbonden dat toen slikten. Op het einde van dat decennium verscheen trouwens bij dezelfde uitgever, EPO, een reader met als titel Inleveren. Die had het enkel over België, terwijl de geschiedenis zoals Houben die schetst een werkelijke wereldgeschiedenis is; waarschijnlijk was het woord ‘globalisatie’ toen nog niet in de mode. Dat komt vermoedelijk door het feit dat de werkelijke geschiedenis van de crisis eigenlijk pas in de jaren tachtig begint, met het aan de macht komen van het duivelse duo Reagan/Thatcher. En het zijn de politieke beslissingen van dat duo en hun in hun kielzog varende handlangers die de crisis zoals we die nu nog kennen, waar we dieper dan ooit inzitten, initieerden.

Het boek van Houben is dus ook politieke economie. Dat is niet onbelangrijk, op de eerste plaats omdat economie vanaf het begin (Smith, Ricardo…) zo genoemd werd, maar vooral omdat sinds het begin van de crisis (en waarschijnlijk al eerder) enkel nog van economie tout court gesproken wordt, terwijl de twee een siamese tweeling vormen. En wanneer de twee losgekoppeld worden, heeft dat enkel ideologische redenen: het verdoezelen van de enge band tussen de twee, alsof de economie iets op zichzelfstaands zou zijn, volledig los van alle andere maatschappelijke factoren. Quod non natuurlijk.

In die zin moet men trouwens ook een andere loskoppeling zien: de crisis zou enkel van financiële aard zijn, zou een aberratie zijn binnen een voor de rest gezonde economie. Houben toont haarfijn aan, voor wie het nog niet besefte, dat daar niets van aan is: het financiewezen en de zgn.’reële’ economie vormen eveneens een paar dat onlosmakelijk is. Dat is trouwens al zo sinds het einde van de 19de, begin 20ste eeuw. Reeds de Duitse sociaal-democraat (en niet: marxist; hij behoorde tot de zeer rechtse vleugel van de SPD) Hilferding heeft dat in het eerste kwart van de 20ste eeuw grondig geanalyseerd.

De crisis is dus een systeemcrisis, aldus Houben, het is de crisis van het kapitalisme zelf, en niet van een of ander deel daarvan. Het is een klassieke crisis van overproductie, waarbij de vraag ver ten achter blijft bij het aanbod. Een groot deel van de door Houben bestudeerde jaren slaagde het systeem erin dat te verdoezelen door allerlei economische zeep- en luchtbellen te blazen, die vroeg of laat moesten ontploffen; en dat dan ook deden, vooreerst in de huizenmarkt in de VS, en uiteindelijk bij de banken, ook de grootbanken. Ook in 1929, waar Houben een hoofdstuk aan wijdt, was dat zo, ook toen werd de crisis pas werkelijk voelbaar na het failliet van de grote Oostenrijkse bank Kreditanstalt. Ik denk dat Houben gelijk heeft wanneer hij stelt dat de huidige crisis enkel met die te vergelijken valt, zowel wat betreft de gevolgen als de duur ervan (je kunt gerust stellen dat die van 1929 geduurd heeft tot 1945 en enkel dank zij de oorlog overwonnen kon worden).

In het hele boek komt slechts éen hoofdstuk voor, dat niet globaal is, maar zich volledig op Europa toespitst, nl. het tiende. Opvallend: Houben suggereert dat die Europese eenmaking en de ermee gepaard gaande eenheidsmunt vooral Duitsland ten goede kwamen, en dat Duitsland niet zozeer de economische motor van Europa is, maar wel de almachtige overheerser, die met economische middelen probeert te behalen wat ze in de 20ste eeuw twee keer met militaire middelen geprobeerd hebben. Vreemd misschien, die stelling, want iemand als Zemmour in Frankrijk stelt in zijn pamflet Le suicide français exact hetzelfde. En het volstaat naar de houding van Duitsland (en van de collaborateurs zoals Van Overveldt en andere Dijsselbloemen) tegenover de huidige Griekse regering te kijken, om zich ervan te vergewissen dat dat inderdaad klopt.

Het boek is soms nogal technisch, maar dat is niet echt een bezwaar: op de eerste plaats omdat de auteur vele grafieken en statistieken inlast (uit officiële bronnen, ofwel van de landen zelf, ofwel van IMF, Wereldbank etc.) die gemakkelijk leesbaar zijn, en vervolgens door erg technische zaken apart in kaderstukken kort te behandelen, die de lectuur even onderbreken, maar wel op een min of meer eenvoudige wijze moeilijkere begrippen en problemen uitleggen.

De vraag die iedere goeie auteur die over de crisis schrijft zich moet stellen, is natuurlijk: hoe geraak je er uit, hoe los je het op.

Voor Houben is het simpel: het socialisme. Sancta simplicitas! Hoe je dat invoert of hoe dat eruit moet zien, kom je uiteraard nergens te weten, want dat weet geen kat. Houben is trouwens intelligent genoeg om toe te geven dat er inderdaad geen enkele blauwdruk bestaat. En als je dan ook nog uitspraken als de volgende leest: “Maar de dag van het laatste oordeel voor de wereld van het grote geld, die van de vergelding, nadert.”, dan vraag je je toch af hoe zo veel intelligentie kan samengaan met zoveel naïviteit.

Een absolute afwezigheid van enig concreet materiaal voor wat de toekomst betreft dus, want de ‘strijdbewegingen’ waar hij het even over heeft zullen het verschil niet maken. Die hebben dat in heel de geschiedenis nog niet gekund, en als er toch iets gebeurde, dan werd het al snel gerecupereerd.

Maar er is natuurlijk wel degelijk een uitweg uit de globale crisis, en Houben weet dat: de globale oorlog, de vernietiging op reusachtige schaal van productiecapaciteit, zodat er opnieuw begonnen kan worden vanaf een veel lager niveau, zodat de winstvoeten opnieuw kunnen stijgen. Weet Houben dat? Enerzijds schrijft hij: “We kunnen ervan uitgaan dat het weinig waarschijnlijk is dat een groep actoren bewust een oorlog beraamt als uitweg uit de crisis.” Nogmaals: hoe kun je zo naïef zijn wanneer je dagelijks ziet dat de NATO en de VS een oorlog tegen Rusland aan het voorbereiden zijn. Het enige dat je kunt hopen is dat de West-Europese NATOlanden niet zullen volgen, maar ook daar zou ik maar niet al te zeker van zijn. Zij liggen zo in totale onderwerping op de knieën voor de VS, dat ze die in al hun misdaden zullen blijven volgen. Geen illusie: er zijn wel degelijk heel wat actoren, zowel in de politiek als het grote bedrijfsleven als de militairen die inderdaad bewust op een oorlog aansturen. Alle oorlogen tegen staten van het Midden-Oosten werden ook bewust begonnen. Maar even verderop schrijft Houben dan weer: “Het is niet verboden te denken dat wat hier in wording is, uiteindelijk zal uitlopen op een nieuwe wereldoorlog.”

En zo is het. De mensheid heeft nooit iets bijgeleerd en zal ook nooit iets bijleren. Verder duiden dergelijke tegenstrijdigheden enkel erop dat Houben het zelf niet goed weet; waarschijnlijk omdat hij, zoals velen met hem, gewoon bang is voor die nieuwe wereldoorlog. Terecht.

Ook voor het hoofdstuk over Europa gelden dergelijke opmerkingen: hij somt wel enkele ‘oplossingen’ op, maar verwerpt alle ‘oplossingen’ die neerkomen op een uiteenvallen van Europa. Ook daar weer blijft enkel het beroep op ‘sociale bewegingen’ en vakbonden over. Nochtans lijkt het mij duidelijk dat de tendens is gericht op het uiteenvallen: in 2016 zal Cameron (als hij zijn belofte houdt) een referendum uitschrijven, waarbij de Britten waarschijnlijk tegen de EU zullen stemmen. En in 2017 hebben in Frankrijk presidentsverkiezingen plaats, en Marine Le Pen maakt meer kans dan ooit om de eerste vrouwelijke presidente van Frankrijk te worden. Dat zal met de grootste waarschijnlijkheid het einde van dit Europa betekenen. Ik zal er allesbehalve rouwig om zijn, want geen Europa is veel beter dan dit Europa. Ook al weet je nooit wat daarna zal gebeuren. De moffen die hun legers – in NATOverband natuurlijk – zullen sturen? Le Pen als hoofd van het nationale verzet? Als opvolgster van de Gaulle (waar ik hoe langer hoe meer bewondering voor heb)? Koffiedikkijkerij natuurlijk, maar feit is dat we in een tijd leven waarin absoluut niks meer zeker is en waar dus absoluut alles mogelijk is.

Tenslotte nog twee opmerkingen: ten eerste: het boek heeft geen index en geen bibliografie. Dat is een gebrek.

Ten tweede en veel belangrijker. Alle economische waarden komen voort uit twee bronnen: de natuur en de menselijke arbeid (dat is niet van Marx, maar van de grondleggers van de burgerlijke economie, Smith en vooral Ricardo, én van de anarchist Proudhon; Marx heeft die arbeidswaardeleer enkel uitgebreid en grondiger uitgewerkt); welnu: in dit hele boek wordt quasi niets gezegd over de natuur en zijn eindigheid, over de ecologische problemen die hoe langer hoe ernstiger worden en die binnen het kapitalistische systeem onmogelijk opgelost kunnen worden (zie daarvoor ook het recentste boek van Naomi Klein, No Time). Die zullen de crisis alleen nog maar verergeren.

Ecologische rampen en een nieuwe wereldoorlog: de wereld stormt niet enkel met razende vaart op een afgrond af, maar regelrecht naar de apocalyps. En er is niets aan te doen.

Hopelijk zal er geen enkel exemplaar van de diersoort mens meer overblijven daarna. Wellicht dat elders in het heelal een beter experiment gaande is, met meer kans op slagen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zeven + zeventien =