22.02.15 – MELOPEE in ’t Latijn

| Geen reacties

maan

MELOPEE

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

Dit is waarschijnlijk het meest bekende gedicht van Paul van Ostaijen, en dat in alle bloemlezingen waarin hij figureert, ook opgenomen wordt. Het is het typevoorbeeld van de manier waarop de late van Ostaijen het schrijven van poëzie zag: het gedicht moest geen gevoel uitdrukken, maar wel een gevoel oproepen, suggereren door middel van taal, d.i. woordenschat, ritme, zinsbouw en alle andere met name retorische middelen (hier op de eerste plaats de herhaling natuurlijk).

Dit gedicht werd twee maal in het Latijn vertaald, een eerste keer door Roger Geerts, verschenen in het boekje Nederlandse gedichten in het Latijn vertaald door Roger Geerts/Carmina neerlandica latine vertit Roger Geerts, dat bij nieuwjaar 1979 door de Hasseltse uitgeverij Heideland als nieuwjaarsgeschenk werd aangeboden aan vrienden en relaties. Dit is de tekst van deze vertaling:

CARMEN LUNAE

Subter luna fluit longum flumen
Longum super flumen repit lenta luna
Repit in flumine longo sub luna lembus in mare

Ulvam praeter altam
praeter imum pratum
repit lembus in mare

Repit cum luna labente lembus in mare
Sic tres in mare confluum: cum viro lembus et luna
Quare vir et luna duo lenti repunt in mare

In 1991 verscheen dan een tweede vertaling in het Latijn, van de hand van Paul Claes, in zijn bibliofiele bundel Metamorphoses, Carmini poetarum recentiorum in Latinum vertit (Regulieren Uitgeverij, Sonnega, 1991), die nogal wat afwijkt van de eerste. Dit is de tekst ervan:

MELOPOEIA

Sub luna labitur longum flumen
Super longum flumen lassa labitur luna
Sub luna super longum flumen labitur lembus in altum

Per harundinem
per planitiem
labitur lembus in altum
labitur labenti cum luna lembus in altum
Sic sunt sodales in altum lembus et luna et vir
Quare lenti labuntur et luna et vir una et alter in altum

Over het gedicht van van Ostaijen zelf, de Nederlandse versie dus, is al zo veel geschreven, dat het ondoenbaar is nog iets nieuws eraan toe te voegen. Ik zal het dus enkel over beide vertalingen hebben, en bekijken hoe de keuzes van beide latinisten recht doen (of niet) aan de oorspronkelijke tekst.

In het allereerste vers zijn er al twee verschillen: Geerts begint met een tweelettergrepig woord, ‘subter’, en Claes met het kortere ‘sub’; beide betekenen hetzelfde, maar de keuze van Geerts lijkt me beter aan te sluiten bij het eveneens tweelettergrepige beginwoord van van Ostaijen; zo behoudt hij eveneens het ritme van deze laatste. Maar dat is niets anders dan schijn, want het ritme van Geerts’ eerste vers is zonder meer jambisch, terwijl dat van van Ostaijen even duidelijk naar het dactylische neigt. Maar ook Claes behoudt het dactylische metrum van dat vers niet; zijn vertaling is wel afwisselender: je kunt er een afwisseling in zien van een spondee, een dactylus en dan enkele jamben.

Een tweede verschil ligt in de keuze van het werkwoord. In van Ostaijens gedicht komen slechts twee werkwoorden voor: in het voorlaatste vers ‘zijn’ en voor de rest komt enkel het werkwoord ‘schuiven’ voor. Een goede vertaler zal dus ook voor één enkel werkwoord kiezen. In dit eerste vers kiest Geerts voor ‘fluere’, dat ‘vloeien, stromen’ betekent. Wanneer je het vers zou isoleren, dan zou dat kunnen. Maar dat is onmogelijk, niet enkel omdat het deel uitmaakt van een geheel, maar vooral omdat van Ostaijen niet zomaar het hele gedicht door hetzelfde werkwoord gebruikt. Geerts kiest voor de rest van zijn vertaling trouwens zelf een ander werkwoord: ‘repere’. Dat betekent ‘voortkruipen’, en werd gebruikt voor mensen en dieren (het is etymologisch verwant met ons woord ‘reptiel’), en soms, zelden ook voor niet-levende wezens. Het is zonder meer duidelijk dat dit niet overeenkomt met ‘schuiven’.

En dat niet enkel letterlijk, maar ook formeel. Om dat te verklaren moeten we het woord ‘schuiven’ bij van Ostaijen even grondiger analyseren. Dat woord kan zowel overgankelijk als onovergankelijk zijn. Wanneer je ‘Melopee’ goed leest, zie je direct dat ‘schuiven’ hier onovergankelijk gebruikt wordt, m.a.w. de man, de maan en de kano zijn niet actief, zij voeren niet de handeling van het schuiven uit, maar zij zijn passief, de handeling wordt aan hen volbracht, zij worden geschoven. Bij een vertaling moet je ook daar rekening mee houden. ‘Repere’ is weliswaar ook een onovergankelijk werkwoord, maar het duidt wel een actie aan: het reptiel kruipt, maar wordt niet gekropen. Het onderwerp voert de handeling uit; in van Ostaijens gedicht zijn de man, de maan en de kano ook grammaticaal onderwerp, maar toch voeren zijzelf de actie niet uit.

Paul Claes kiest vanaf het eerste vers een totaal ander werkwoord, en houdt dat het hele gedicht door vol. Hij kiest het onregelmatige werkwoord ‘labi’, dat vele betekenissen heeft, op de eerste plaats ‘glijden’ en daarmee verband houdende betekenissen. Het is een zgn. deponent werkwoord (‘deponens’ in het Latijn), d.i. een werkwoord dat in de lijdende vorm voorkomt maar een bedrijvende betekenis heeft. De uitgangen -tur en -ntur (respectievelijk derde persoon enkelvoud en meervoud) wijzen op het passieve karakter. Op die manier weet Claes niet enkel een werkwoord te gebruiken dat veel nauwer aansluit bij de betekenis van ‘schuiven’ in ‘Melopee’, maar ook om de overgankelijke en onovergankelijke kant van het Nederlandse werkwoord, de actieve en passieve kant ervan, als het ware te overstijgen in een woord dat beide vormen en betekenissen in zich verenigt.

Geerts begint zijn tweede vers met ‘longum’. Zodoende laat hij een van de schragende elementen van van Ostaijen vallen, met name de parallellie: de drie eerste verzen beginnen bij deze laatste met een voorzetsel, en dat is geen toeval: zodoende wordt een bepaalde nadruk gelegd, en er ontstaat een bepaald ritme (een soort ritmische constante, zoals die in andere gedichten van van Ostaijen nog veel sterker tot uiting komt). De woordplaatsing in de zin is in het Latijn veel vrijer dan in het Nederlands natuurlijk, en een grammaticale fout tegen het Latijn is wat Geerts schrijft dus niet. Hij laat enkel een belangrijk element weg. Claes doet dat niet, hij blijft veel dichter bij de oorspronkelijke tekst: ‘onder, over, onder’ tegenover ‘sub, super, sub’.

In datzelfde tweede vers gebruikt van Ostaijen het nu min of meer archaïsch aandoende ‘moede’. Ofschoon het maar één keer voorkomt in zijn gedicht, is het toch een kernwoord, want het gedicht roept juist een bepaalde (levens)moeheid op, die zelfs van metafysische aard is. Geerts gebruikt daarvoor ‘lenta’ (vrouwelijk van ‘lentus’) en Claes ‘lassa’ (vrouwelijk van ‘lassus’). Het woord van Geerts heeft in het woordenboek zeven betekenissen, maar geen enkele daarvan houdt ook maar van verre verband met het begrip ‘moeheid’. ‘Lassus’ daarentegen heeft blijkbaar maar één betekenis, en wel degelijk die, die ook van Ostaijen bedoelde: het is trouwens geen toeval dat ‘lassus’ rechtsreeks geleid heeft tot het Franse ‘las’ dat dezelfde betekenis heeft.

Wat de woordvolgorde betreft geldt voor het derde vers hetzelfde als voor het tweede: Geerts gooit die, mijns inziens te onrechte, volledig om, terwijl Claes ze behoudt. Maar in dit vers treedt een veel belangrijker verschil aan het licht: Geerts gebruikt het klassieke ‘mare’ voor zee (‘Mare Nostrum’ zoals de Romeinen hun Middellandse Zee noemden), terwijl Claes ook hier een totaal ander, en eerder ongebruikelijk woord gebruikt: ‘altum’, d.i. een zelfstandig naamwoord afgeleid van een bijvoeglijk naamwoord ‘altus’, dat ‘diep’, ‘uitgestrekt’ betekent; éen van de betekenissen van het substantivum is ‘volle zee’. Dat zegt het al natuurlijk. ‘Mare’ wordt vooral gebruikt voor kleinere, vaak ingesloten zeeën (je kunt dat vergelijken met het Duitse ‘Meer’ (overigens van ‘mare’ afgeleid mét betekenisverschuiving) voor oceaan en ‘See’ voor kleinere zeeën). Je moet er daarbij rekening mee houden dat de Romeinen nog geen kennis hadden van de werkelijke uitgestrektheid van de oceanen.

Maar ‘altum’ heeft mijns inziens ook nog andere connotaties, die ‘mare’ helemaal niet heeft: de man en zijn kano willen naar het einde toe, zij willen opgaan, verdwijnen in het grote geheel, de oceaan waar alles ook uit voortkomt, ‘wie ein Strom der ans Ende will‘ om het met Nietzsche te zeggen. De keuze van dat woord past dus ook meer bij de metafysische betekenis van van Ostaijens gedicht, dat ook over verlies van het ‘zelf’ gaat, bijna in boeddhistische zin. En hier blijkt ook de keuze van het werkwoord ‘labi’ opnieuw een geniale vondst: dat betekent nl. ook ‘sterven’. Of: hoe alles in deze vertaling met alles samenhangt.

De twee volgende verzen wijken af van de rest van het gedicht, niet enkel doordat ze veel korter en kernachtiger zijn; het zijn twee parallel geplaatste bijwoordelijke bepalingen van plaats (of van richting als men wil; maar eerder van plaats). Ook hier weer kiest Geerts ervoor de door van Ostaijen bedoelde parallellie te verlaten en ‘praeter’ eerst als tweede woord te zetten, en in het tweede vers vooraan. Ook het gebruik van ‘praeter’ lijkt me niet zo goed als ‘per’ bij Claes; beide hebben wel dezelfde betekenis, maar ‘langs’ is eensyllabig, en in een gedicht als dit, dat van klank en woordschikking aan elkaar hangt, lijkt het me beter dan ook een éensyllabig woord te kiezen. ‘Per’ – dat met een scherpe ‘e’ (zoals in ‘bed’) uitgesproken wordt (en niet met een doffe ‘e’ zoals in ‘de’) lijkt me in dit verband best geschikt. Het is even kort en krachtig als ‘langs’.

‘Hoogriet’ en ‘laagwei’ zijn in het Nederlands neologismen; beide vertalers gebruiken bestaande Latijnse woorden. Maar Geerts gebruikt er telkens twee, Claes maar éen – zoals van Ostaijen. ‘Harundinem’ is de accusatief meervoud van ‘(h)arundo’, dat ‘riet, bamboe’ betekent, ‘planitiem’ is de accusatief meervoud van ‘planitia’, dat niet ‘wei’, maar wel vlak terrein, effenheid betekent, en dat in die laatste betekenis vaak met ‘aquarum’ gebruikt wordt, waardoor alleszins de band met het water aanwezig is. ‘Ulvam altam’ bij Geerts is eerder een letterlijke vertaling. In het tweede vers gebruikt Geerts wel het Latijnse woord voor wei, maar plaatst daar het bijvoeglijk naamwoord ‘imus’ bij, dat een superlatieve betekenis heeft (onderst, laagst, diepst), hetgeen niet overeenstemt met de tekst van van Ostaijen, en waarvan je je ook verder kunt afvragen waarom hij nodig is.

In een vroegere versie van zijn vertaling (verschenen in het tijdschrift voor classici Hermeneus) had Paul Claes deze twee verzen als volgt vertaald: “Per iuncos altos/per prata plana”. Dat is wel een grondige wijziging. Maar die volle klanken zijn natuurlijk ook niet aanwezig bij van Ostaijen. Deze twee verzen zijn a.h.w. een cesuur in het gedicht zelf, en belangrijker dan de klank is de betekenis, en zijn de tegenstellingen (hoog/laag, riet/wei) die weer een parallel vormen, zowel formeel als inhoudelijk deze keer. Ik denk dat Claes er goed aan heeft gedaan de oorspronkelijke vertaling te vervangen.

Daarna gaat de dichter opnieuw verder met variaties op hetzelfde thema; eerst herneemt hij nog kort het thema, en in de laatste drie verzen breidt hij dat thema dan uit tot de ultieme vraag naar het waarom. Het eerste van de laatste drie verzen stelt geen probleem: beide vertalers hernemen hun keuzes uit het begin van het gedicht: ‘repit’ tegenover ‘labitur’ en ‘mare’ tegenover ‘altum’. Ook het tegenwoordig deelwoord ‘schuivend’ wordt door beiden op dezelfde manier vertaald (de eind-i bij Claes en de eind-e bij Geerts zijn enkel varianten zonder verdere betekenis), door verbogen vormen van het participium praesens ‘labens’.

Maar in het voorlaatste vers gaat Geerts wel zeer ver in de (vertaal)fout, vrees ik. Op de eerste plaats komt het woord ‘drie’ bij van Ostaijen niet voor. Maar tot daar aan toe. Erger is het anachronisme in Geerts’ vertaling: in het klassieke en latere Latijn bestonden er amper leestekens, en zeker geen dubbelepunt. Een goeie vertaler gebruikt die dan ook niet, en al zeker niet als ook het oorspronkelijke gedicht geen enkel leesteken kent. (Overigens, in een eerste versie, verschenen in het tijdschrift Vlaanderen had Geerts de drie strofen (van de twee van van Ostaijen heeft hij er drie gemaakt) telkens laten eindigen met een punt. Maar dat heeft hij in de boekuitgave rechtgezet.) Ook het feit dat hij opnieuw een vorm van ‘fluere’ gebruikt, nl. ‘confluere’, d.i. samenvloeien, lijkt me niet juist en alleszins niet in overeenstemming met de oorspronkelijke tekst. De betekenisverschuiving die Geerts teweegbrengt mag wellicht miniem schijnen, ze is er niet minder werkelijk om. Bij van Ostaijen zijn ze immers ‘gezellen’, d.w.z. ze leggen gezamenlijk dezelfde weg af, maar ze gaan nooit in elkaar op, wat ‘confluere’ toch suggereert. Dat woord werd trouwens voor rivieren edm gebruikt, en slechts zeer zelden voor andere zaken (massa’s die samenstromen op een plein bv.).

Paul Claes blijft ook hier veel dichter (bijna letterlijk) bij de tekst van van Ostaijen. Niet dat zoiets altijd een vereiste is. Maar bij dit gedicht wel degelijk, denk ik, omdat er geen rijm is (en dus geen rijmdwang, waardoor je soms moet schipperen bij vertalingen) en omdat zowel de woordenschat als de zinsbouw eigenlijk zeer eenvoudig zijn. Waar je wel op moet letten is de klank, die bij van Ostaijen in dit gedicht toch even belangrijk is als de eigenlijke betekenis van de woorden; daarvoor moet uiteraard een equivalent gevonden worden. Maar het Latijn leent zich daar uitstekend voor, denk ik. Het woord ‘sodales’ voor ‘gezellen’ roept daarenboven de Nederlandse connotatie ‘solidair’ op, en dat past beter bij de oorspronkelijke tekst dan het ‘confluunt’ van Geerts.

In zijn eerste versie klonk dit voorlaatste vers bij Claes nog heel anders: “Sic eunt sodales in mare lembus et Luna et vir”. Ook deze keer is de definitieve versie beter. Immers, waarom ineens ‘mare’ gebruiken? En waarom ‘eunt’ (de derde persoon meervoud van ‘ire’, ‘gaan’)? De definitieve versie houdt zich veel strenger aan het origineel, hetgeen, ik herhaal het, in dit geval voor de hand ligt.

Ook het laatste vers klonk anders in de eerste versie: “Quare lenti labuntur et vir et luna una in altum”. Geerts gebruikt daar ‘duo’, hetgeen veel dichter bij de oorspronkelijke tekst ligt. Maar in zijn definitieve versie heeft Claes zijn ‘una’ vervangen door ‘una et alter’, ‘de een en de ander’. Zodoende krijgt hij ook een mooie dubbele klankovereenkomst: ‘una et alter in altum’.

De klank speelt trouwens een zeer uitgesproken rol in de vertaling van Paul Claes, en dat komt vooral door het gebruik van vloeiklanken (ik gebruik dit archaïsche woord om de band met het water, het schuiven aan te geven), vooral en bijna uitsluitend de ‘l’. Maar ook de ‘r’ komt veel voor, en daarbij dan nog de nasalen ‘m’ en ‘n’ – die door de Grieken trouwens ook tot de liquidae gerekend werden. Dat geeft Claes’ vertaling een zeer sterke eenheid, veel meer dan die van Geerts. En dat komt vooral door de keuze van slechts enkele woorden, maar die cruciaal zijn, ook in van Ostaijens gedicht, nl. ‘altum’ voor ‘zee’ en ‘labitur’ c.q. ‘labuntur’ voor ‘schuiven’. Men kan zelfs zeggen dat de vertaling van Claes sterker op de klank drijft dan de oorspronkelijke tekst, die het toch eerder van de woordherhalingen moest hebben. In die zin kun je zeggen dat Claes’ vertaling het origineel zelfs overtreft.

Daar komt dan de toon nog bij: zowel door de herhalingen als door het langzame, slepende ritme weet van Ostaijen perfect de moeheid van zijn protagonisten op te roepen. Door eveneens herhalingen te gebruiken en door ook het ritme van van Ostaijen te behouden, sluit Claes ook op die manier bij het origineel aan. Noch de een noch de ander bijt zich daarbij vast in een metrisch schema. Toch sluiten zij aan bij een dactylisch ritme, door tussen de heffingen vele onbenadrukte syllaben te plaatsen. Geerts doet dat veel minder, zijn vers is beknopter, strakker, hij sluit meer aan bij het jambische vers, maar verliest zo wel de typische toon van het gedicht.

Het verschil zal duidelijk zijn: de ene vertaling is gemaakt door een amateur die Latijn kent, de andere door een meestervertaler die het Latijn tot in zijn kleinste finesses beheerst.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twintig − 12 =