11.02.15 – Daan Boens’ Frontpoëzie

| Geen reacties

boensEen van de drie bundels zgn. ‘frontpoëzie’ van Daan Boens, las ik al als tiener; het was een van de zeer weinige dichtbundels die bij mijn grootouders aanwezig waren – misschien wel de enige. Hij heette Menschen in de grachten en vormt, zoals blijkt uit de door Els van Damme en Yves T’Sjoen uitgegeven Frontpoëzie (Uitgeverij Lannoo Campus, Tielt, 2014) het middendeel van een heus trio.

In haar nawoord gaat uitgeefster Els van Damme vooral in op het ideologische aspect van deze drie bundels, waarin zij een duidelijke evolutie waarneemt.

Dat kan inderdaad zo gezien worden, maar veel meer dan dat lijken de drie bundels een chronologische lijn te volgen, alsof ze als geheel geconcipieerd én geschreven werden. Of dat zo is, weet ik niet, in het nawoord wordt daar ook helemaal niet op ingegaan, maar het valt mij wel op.

De eerste van de drie bundels heet Van glorie en lijden, hij bevat enkel sonnetten en is ook het eerst verschenen, in 1917 al, dus nog tijdens de oorlog. Wat vooreerst opvalt is de invloed van van de Woestijne (je kunt uiteraard slechtere meesters kiezen), die zich vooral uit door het gebruik van het soort samenstellingen, die bij van de Woestijne ook zeer veel voorkwamen: hier ‘vrede-schreden’, ‘droomens-grijze’, ‘statig-blijde’ enz. Opvallend: in de tweede bundel van de trits zullen die samenstellingen grotendeels verdwijnen. In het gedicht ‘Aan mijn vader’ is dat nog duidelijker: in de eerste strofe is sprake van ‘late zon’, net zoals in de eerste strofe van van de Woestijnes ‘Wijding aan mijn vader’, en in de laatste strofe is, eveneens net zoals in dat bekende gedicht van van de Woestijne, sprake van een vijver.

Maar belangrijker dan dat lijkt me het feit te zijn dat heel veel van de gedichten in deze bundel niet of nauwelijks over de oorlog gaan. De meeste ervan behoren tot de impressionistische stemmingslyriek: er worden vaak idyllische atmosferen in opgeroepen die me van verre doen denken aan sommige schilderijen van schilders van de eerste Latemse school (De Sadeleer, van den Abeele…). Het lijken jeugdherinneringen van de dichter, die in Oostende geboren en getogen werd, vandaar wellicht de lange cyclus ‘De Zee’. Voor een beginneling zijn deze sonnetten overigens lang niet slecht.

Dat kan niet gezegd worden van de eigenlijke politieke gedichten, die dus die rechtstreeks naar de oorlog en de gebeurtenissen daarin verwijzen. De cyclus ‘De weenende steden’ gaat over vernielingen door de Duitsers aangebracht in verschillende Belgische steden; de belangrijkste daarvan is wel Leuven, waar o.m. de universiteitsbibliotheek vernietigd werd. Je voelt in deze gedichten hoe de auteur zich in bochten wringt om toch maar te beantwoorden aan de voorgeschreven dicht- en rijmschema’s, hetgeen hem meer niet dan wel lukt. De afdeling ‘stille momentjes op het front’ bevat dan weer meer gedichten van de eerste soort, atmosferisch en een toestand van rust en ingetogenheid bijna oproepend. Biedermeier.

Het lijkt me duidelijk dat in deze bundel twee momenten door elkaar worden gemengd: de rust en de idylle van het Vlaamse platteland van voor de oorlog, en de plotse breuk daarin die de oorlog is, en die de dichter in zijn slechtste momenten zelf naar de dood doet verlangen, zoals in ‘Een avond’. Een dergelijke doodswens komt overigens slechts enkele zeldzame keren voor.

Want ook in de tweede bundel van de trits, Menschen in de grachten dus (de oorspronkelijke spelling werd gehandhaafd) vinden we dat quasi niet, terwijl de biedermeiertonen hier toch volledig afwezig zijn en de oorlog in elk gedicht aanwezig is. Speelde het verleden dus nog een grote rol in de eerste bundel, in deze is dat enkel nog het heden, de ogenblikkelijke, dagelijkse gebeurtenissen en ervaringen aan het front aan de IJzer. De sonnetten zijn in deze bundel ver in de minderheid, de gedichten zijn meestal veel langer, met soms korte verzen, soms lange, maar steeds met inachtname van de voorgeschreven regels. Heel het enerverende stinkende ‘leven’ aan het front wordt hier opgeroepen, in al zijn vaak afzichtelijke aspecten, zoals in ‘Het slijk’, ‘Gas’ of ‘Lijken’:

“De lijken liggen tien en twintig, dicht-bijeen,
hunne oogen glazen in de kanker-aangezichten,
en spiegelen de lucht, of zagen ze al de steên
en al de menschen, in die steden, dood nog zwichten.
De wormen wroeten – als een sjacherende jood, –
op beenen en op rompen, in het wijd gesmeten.
Geweer en bajonetten, overeind en bloot,
staan als zoovele kruisen op een moe geweten.” (p. 168)

Formeel even zwak als de rest van de bundel is de afdeling ‘Hallucinaties’, maar de gedichten hierin zijn wel veel penetranter nog dan de rest door het oproepen van een apocalyptische atmosfeer van dodendansen, verval, verminking, zoals we die kennen uit sommige schilderijen van Duitse expressionisten. Een citaat uit ‘Het afgerukte hoofd’:

“Plots voor mijne oogen grijnst een afgesnakte kop.
Ik staar verwonderd in verwilderd-wijde blikken,
die staren en niet zien, en lachen om ’t verschrikken
van mijn verdwaasd gelaat, met bloed en schuim er-op.
Het vuile, roode hoofd is ook vol schuim en bloed;
het is of in een spiegel ik mijn trekken vinde,
of de afgerukte kop mijn blikken wilde binden,
en ankren wou mijn afschuw in zijn doods-gemoed.” (p. 190)

De laatste afdeling van deze bundel heet ‘Het werk van morgen’ en bevat, naast nog steeds reminiscenties aan de loopgraven, reeds verwijzingen naar de toekomst, zoals de titel het al zegt, en zoals het nog sterker tot uiting zal komen in de derde bundel. Nog duidelijker in dit opzicht is allicht de titel ‘Eens komt de tijd’. Maar wat ook opvalt is dat in deze afdeling enkele gedichten voorkomen die een vrijere vorm hebben, zonder echt al in vrije verzen geschreven te zijn: ‘De daad’ en ‘De boete-jongens’ bv.

Eerst een stuk verleden dus, dan het grauwe heden, en derhalve kan nu enkel de toekomst volgen. De titel van de derde bundel ‘frontpoëzie’ duidt dat ook al aan: De verrijzenis heet die. Hij verscheen in 1920, dus enkele jaren na de oorlog, en wellicht werd een deel ervan ook na het einde van de oorlog geschreven, ook al zou de ondertitel die de jaren 1917-1918 expliciet vermeldt, dat kunnen uitsluiten; uit het nawoord vernemen we daaromtrent jammer genoeg niets.

In de eerste helft wordt nog gereflecteerd op de oorlog zelf, maar in enkele gedichten is toch ook al sprake van broederlijkheid, en er wordt geschreven over thuis, en hoe het zal zijn als de strijd eindelijk gestreden is. De vraag die velen toen zich gesteld zullen hebben is die naar de zinvolheid van die oorlog, kan uit die massale moordpartij een zin of een betekenis getrokken worden, of zijn al die doden tevergeefs geweest.

“Een lange stoet van zwarte, grove kisten
verschijnt, – onmeetlijk en onzegbaar lang. –
’t Zijn al de dooden, alle de gemisten,
al de geliefden, die in gulden avond-gang,
het huis verlieten, en nooit wederkeerden,
al die gekuste jongens, schoon en blond,
die sneefden – hoor, de dragers met verweerde,
vermolmde wezens schrijden langs den grond,
geruchtloos – wijl de kisten, zwaar en ruwe,
hen op de schouders drukken…Zie, o zie,
die zee van kisten immer verder stuwen,
die zee van dooden-kisten, zie toch, zie,
die veertien maal miljoenen dooden-kisten!” (p. 262)

Daaruit kan de dichter maar één conclusie trekken: “eens komt toch de dag, dat nieuwe vrede rijst”. Maar hoe, en in welk teken die vrede moet staan, dat weet de dichter niet te zeggen: zoals zo vaak in de werkelijke oorlogsgedichten uit de eerste bundel, neemt hij dan zijn toevlucht tot nietszeggende clichés als ‘Vrijheid’, ‘Recht’, ‘Recht op Leven’, enz. Steeds met een hoofdletter uiteraard. De titelreeks is zelfs een beetje dubbelzinnig; enerzijds wordt daarin het Vlaams verleden opgeroepen (‘De Gilden’ bv.) alsof de dichter zou verlangen terug te keren naar dat verleden, maar anderzijds zijn er gedichten zoals ‘De werker-stad’, die reeds aangeven welke richting Daan Boens uiteindelijk zou uitgaan, nl. die van de BSP, waarvoor hij enkele mandaten zou bekleden. Ook het utopisch klinkende ‘De gedroomde stad’ wijst in die richting, én wijst erop dat Boens realistisch genoeg was om ideaal en werkelijkheid uit elkaar te houden. Een citaat:

“En als gij zien zult hoe nog dàn die ongekenden,
die lieden waarvan geen geschiedenis bestaat,
door eigen kracht ’t gebouw van wereld-vreê volenden,
met ’t onbegrensd geloof der Toekomst op ’t gelaat;” (p. 295; ik cursiveer)

En het gedicht ‘Het onvergankelijke’ tenslotte is een waar lofdicht op de arbeid, zoals linkse partijen die toen zagen.

000

Zoals ik reeds enkele keren heb aangegeven, vind ik het nawoord van Els van Damme maar minnetjes: zij focust quasi enkel op de tegenstelling activisten/passivisten, dat helemaal geen thema is in deze poëzie, en zelfs geen motief (slechts in één enkel gedicht wordt van verre verwezen naar de kampen waar Vlaamse deserteurs dwangarbeid moesten verrichten). Veel interessanter zou een thematische en formele vergelijking geweest zijn met gedichten uit het Duitse expressionisme uit de bloemlezing Menschheitsdämmerung, waarin exact dezelfde thema’s voorkomen, tot en met het vage ‘Liebe den Menschen’, zoals de laatste afdeling van die bloemlezing heet. Of met de tamelijk onbekend gebleven bundel oorlogspoëzie van Emile Verhaeren, Les Ailes rouges de la Guerre, met zijn martiale en soms zelfs chauvinistische tonen die zo ontypisch zijn voor de kosmopoliet die Verhaeren was.

Deze poëzie van Daan Boens is formeel gezien meestal zwak, maar inhoudelijk sluit ze nauw aan bij de grootste trend in de toenmalige Europese poëzie – los van Belgisch-Vlaamse toestanden.

Maar het is een goed initiatief van de uitgever om dergelijke werken opnieuw uit te geven. Jammer genoeg is slechts één dergelijke publicatie per jaar voorzien in de reeks ‘Literatuur in Vlaanderen 1900-1950’, waar deze uitgave toe behoort. Maar we leven tenslotte in Vlaanderen – niet echt een cultuurnatie.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


een × 4 =