05.02.15 – Ida Gerhardt

| Geen reacties

Ida Gerhardt is éen van de bekendste en meest verkochte dichters uit de Nederlanden (haar Verzamelde gedichten haalden tot nog toe niet minder dan veertien drukken, hetgeen niet evident is voor poëzie). Enerzijds is dat begrijpelijk, anderzijds is dat minder begrijpelijk. Haar bekendste gedichten, zoals ‘Het carillon’ of de cyclus ‘in memoriam matris’ uit de bundel Het levend monogram spreken direct aan in hun expliciete emotionele geladenheid; maar anderzijds komen vele van haar gedichten qua stijl eerder stug en ontoegankelijk, afstandelijk over. En daar komt nog bij dat de klassieke oudheid alom tegenwoordig is in deze poëzie, en zoals men weet heeft de totale vervlakking van het onderwijs ervoor gezorgd dat omzeggens niemand meer daar iets van afweet.

koenen-gerhardtEen biografie van Gerhardt kan in zo’n geval wel helpen om de moeilijke kanten van haar poëzie iets beter te duiden. Die biografie is er sinds vorig jaar: Mieke Koenen: Dwars tegen de keer; Leven en werk van Ida Gerhardt (Athenaeum Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2014).

Het is een uitgebreide, analytische biografie geworden waarin, zoals de ondertitel al suggereert, wordt uitgegaan van een symbiose tussen het leven en het werk van de dichteres. Vaak is zo’n uitgangspunt gevaarlijk, zeker bij dichters die het dichten als een vak zien, een ambacht en niet meer dan dat. Zij zullen immers ook in hun poëzie naar hartenlust fabuleren. Maar bij Gerhardt is het wel een aanvaardbaar uitgangspunt; wat zij schrijft is immers grotendeels belijdenislyriek – maar dan van de veel betere soort.

Dat begint al bij Koenens verhaal over Gerhardts jeugd, in de eerste hoofdstukken van het boek dus. Daarin gaat zij vaak uit van veel latere gedichten, waarin Gerhardt jeugdherinneringen verwerkt. Daarbij laat zich onmiddellijk vaststellen dat Koenen deze gedichten wel gebruikt, maar terzelfdertijd kritisch staat tegenover de visie van Gerhardt op haar eigen jeugd. Terecht uiteraard, want een geheugen bedriegt altijd, zeker als het over zaken gaat die ver in het verleden gebeurd zijn. Die moeten dus vergeleken worden met andere bronnen, hier uiteraard de herinneringen van beide zussen van Ida. Koenen doet dat trouwens systematisch, niet enkel hier. Het hele boek door slaagt zij erin afstand te blijven houden en de beweringen van Gerhardt (of van haar vriendin Marie van der Zeyde) in vraag te stellen als dat nodig is. Het bewijst alleszins dat Koenen een goede biografe is, want die kritische houding belet helemaal niet dat zij zich ook grondig weet in te leven in het leven en de persoonlijkheid van Gerhardt.

Een persoonlijkheid, die in de omgang vaak erg moeilijk en veeleisend was, zo blijkt; op de eerste plaats wat het eigen werk aangaat natuurlijk (zij bemoeide zich met alle aspecten van de uitgave van haar bundels, tot de afmetingen en de lettertypes toe), maar ook als zij zich mengde in het maatschappelijk debat, voornamelijk als het over natuurbescherming ging – waar zij zeer sterk bij betrokken was lang voor er zgn. ‘groene’ partijen bestonden. Koenen weet de oorzaken van die persoonlijkheid ook goed te traceren in enerzijds inderdaad de jeugd van haar onderwerp, en dan met name de zeer moeilijke verhouding tot een zwaar (geestes)zieke moeder, maar anderzijds ook in de zware moeilijkheden die Ida tegenkwam om haar studies te voltooien en, meer nog, om daarna een baan te krijgen. De jaren dertig waren overal in Europa een tijd van zware crisis, werkloosheidssteun bestond niet in Nederland, en daardoor heeft het bijna een decennium van armoede en werkelijke ontbering geduurd vooraleer zij een vaste aanstelling aan een gymnasium kon krijgen.

Dat heeft er ook mee te maken dat zij betrekkelijk laat debuteerde: haar eerste bundel verscheen op 9 mei 1940, één dag na de inval van de Duitsers. Het spreekt dan ook vanzelf dat die publicatie quasi onopgemerkt bleef, en dat die bundel hernomen werd in haar tweede publicatie, van vlak na de oorlog, in 1946. Zoals zo vele schrijvers was ook Gerhardt van oordeel dat haar werk niet genoeg aandacht kreeg, maar wanneer je Koenen leest valt dat best wel mee; niet alleen werden haar bundels veel gerecenseerd, het aantal positieve recensies overtrof ook steeds het aantal negatieve.

In dat verband wordt vaak gesteld dat Gerhardt een beetje verwaarloosd zou zijn geweest, omdat zij in een tijd van experiment in de poëzie (de Vijftigers) bleef vasthouden aan de oude versvormen, met slechts later zelden een andere, niet experimentele maar wel vrijere vorm. Koenen weet dat te relativeren: daarbij wijst ze niet enkel op de recensies, maar ook op de prijzen die Gerhardt kreeg, zo bv. tot drie maal toe de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, en daarbij zat één keer Kouwenaar (een van de belangrijkste vijftigers dus) in de jury. Ik denk dat de meeste dichters wel degelijk kwaliteit wisten te onderscheiden, ook als die geschreven werd vanuit een heel andere poëtica.

Wie iets over Gerhardt (en van haar) gelezen heeft, weet dat zij in het gymnasium les heeft gekregen van de dichter Leopold, en dat die haar beïnvloed heeft. Maar dat die invloed, en ook die verering een leven lang heeft doorgewerkt en tot in haar laatste gedichten hier en daar naspeurbaar is, dat wist ik niet. Koenen weet dat goed aan te tonen. Als de jeugd een negatieve bron van haar dichtkunst was, dan was die invloed van Leopold duidelijk een positieve bron, ook al heeft Leopold op een bepaald ogenblik de band doorgeknipt. Persoonlijk ben ik trouwens van oordeel dat het werk van Gerhardt veel sterker is dan dat van Leopold, maar dat is natuurlijk een kwestie van smaak.

En van stijl natuurlijk: het werk van Gerhardt werd terecht – ook door Koenen – ‘stug’ genoemd; waarschijnlijk komt dat door het gebruik van een parataktische stijl, met redelijk wat ellipsen; zij gebruikt liever komma’s en kommapunten dan voegwoorden. En ook haar gedragen woordenschat met vele archaïsmen erin, vind je niet in die mate bij Leopold. Daardoor komt haar vers minder vloeiend over, maar eerder hard en weerbarstig. Maar anderzijds heeft zij natuurlijk met Leopold de hoge inzet gemeen, de visie op het schrijven van gedichten als een verheven, vaak zelfs profetisch iets. Meer dan bij Leopold is bij Gerhardt sprake van een sterke symbiose tussen twee uitgangspunten die elkaar meestal uitsluiten, maar hier een zelden geziene verbinding aangaan: enerzijds is zij een typische poeta vates, die zichzelf soms lijkt te verwarren met Cassandra, maar anderzijds is zij ook een typevoorbeeld van een poeta faber, d.i. een dichter die het schrijven van poëzie in de praktijk als een ambacht ziet, waarbij ieder woord en ieder leesteken juist moet zijn en op de juiste plaats moeten staan; desnoods moet het gedicht maar blijven liggen, moet eraan geschaafd en geschaafd worden tot het allemaal klopt.

En daarbij komt nog dat zij door de vele verwijzingen naar de klassieke oudheid en de bijbel eveneens een poeta doctus is. Het derde deel van haar Verzamelde gedichten bestaat niet voor niets enkel uit vertalingen, enerzijds van Latijnse dichters (Lucretius, Vergilius,…) en anderzijds van de Psalmen (waarvoor ze samen met haar vriendin op latere leeftijd, nadat zij voortijdig gepensioneerd was als lerares, nog Hebreeuws is gaan studeren). Misschien had Koenen in de passages over die vertalingen iets korter mogen zijn. Vooral de perikelen rond de psalmvertalingen en het gebruik daarvan in kloosters en elders, en de ruzies en concurrentie met andere vertalers bieden iets onverkwikkelijks, zo voel ik het toch aan, en ze zijn toch wat al te gedetailleerd. Maar ook hier weer krijgen we toch een sterke inkijk in de conscientieuze manier waarop beide dames (de psalmvertaling heeft Gerhardt samen met haar vriendin gemaakt) hun werk uitvoerden.

Snel na de laatste bundel stierf Marie en na een leven lang samenleven en samenwerken is dat voor Ida een klap geweest die haar wel belet zal hebben om nog veel te schrijven. Waarbij dan nog allerlei kwalen kwamen: ze verloor een groot deel van haar zicht en begon werkelijk psychotische aanvallen (van paranoia met name) te krijgen. Die in nuce al aanwezig waren in de vorm van een zeer sterk wantrouwen en een zich door bepaalde critici (Fens met name, en vooral Marja) achtervolgd voelen. Koenen weet dat proces kies, maar duidelijk te beschrijven. Op het einde van haar leven verlangde zij naar euthanasie, maar dat heeft ze blijkbaar niet gekregen; waarschijnlijk waren haar godsdienstige vrienden (protestanten zowel als katholieken) zo ver nog niet.

Laat mij tot slot één enkel gedicht in z’n geheel citeren, omdat het in vele opzichten volgens mij zo typisch is voor de poëzie van Ida Gerhardt:

“DE MANTEL

Met uw zwarte mantel aan
door de witte sneeuw gegaan:
aan het einde van de laan
ligt het wit gesticht.

Met uw zwarte mantel aan
door de witte gang gegaan
in het naakte licht.

Met uw zwarte mantel aan
hebt gij aan de wand gestaan,
door uw kinderen gericht,
die gij baarde
naakt in ’t licht.

Toen uw mantel werd ontdaan
zijn wij heengegaan.”

Tamelijk korte en eenvoudige zinnetjes, die nog pregnanter worden door de herhalende verwijzing naar de ‘zwarte mantel’, en daar tegenover de sneeuw en het ‘wit’. Maar vooral valt dit op: er wordt op geen enkel ogenblik in dit gedicht ook maar één emotie uitgesproken, en juist daardoor krijgt het hele gedicht een benauwende en beklemmende inhoud, als van een extreem sterke emotie, maar die niet gezegd kan worden, die er niet uit wil. Zo’n emotionele strop – alsof iets afgewurgd wordt, iemand de strot wordt toegeknepen – op zo’n eenvoudige wijze te kunnen oproepen – door geen enkele emotie te uiten wordt de sterkste emotie opgeroepen – dat kunnen enkel de grootsten.

Marie Koenen heeft met deze prachtige, goed geschreven en indringende biografie voor degenen die het nog niet wisten, bewezen dat Ida Gerhardt inderdaad tot die grootsten behoort.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zeven + vier =