01.02.15 – Michel Houellebecq – Soumission

| Geen reacties

In zijn nieuwste roman bevestigt Houellebecq op alle punten de aard van zijn schrijverschap zoals dat ook in zijn vorige romans al naar voren was gekomen. Hij is min of meer controversieel, sluit erg nauw aan bij de mogelijke of reële actualiteit, mengt fictie en werkelijkheid, en schrijft in een stijl die er eigenlijk geen is.

Het is een ik-verhaal, wat de identificatie van de lezer vergemakkelijkt. Het gebruik van de zo typische ‘style plat’ zorgt eveneens voor een zeer vlotte lectuur; die ‘style plat’ komt neer op een sterk bij de spreektaal aanleunende stijl, echter zonder dat gebruik wordt gemaakt van ‘argot’. In de seksuele passages, die veel voorkomen – ook al in zijn vorige boeken trouwens – valt dat wellicht het meest op: de typische academische woordenschat (‘bite’, ‘baiser’, ‘bander’, ‘chatte’, ‘couilles’…) zal zeker op sommige pubers nog wel wat indruk maken, maar in wezen behoren ze tot het genre van de stationsromannetjes. Daar komt nog bij dat er geen beeldspraak gebruikt wordt. Dat alles doet het boek echt ‘lopen’; het gebeurt slechts zelden dat je een boek van driehonderd bladzijden in één dag kunt uitlezen.

Maar deze afwezigheid van alle ‘literariteit’ doet wel de vraag rijzen of dit nog tot de literatuur gerekend kan worden. Daar moeten eerder andere elementen voor zorgen, denk ik. Bij voorbeeld het gebruik van de ik-persoon; dat houdt hier immers ook in dat we niet met een roman à thèse te doen hebben; niet enkel is die hoofdpersoon alles behalve een positieve en voorbeeldige held, het is ook onmogelijk een ‘implied author’ te detecteren, zodat je nooit weet welke de mening, of de stelling van de auteur zelf is.

Er wordt dus – in tegenstelling tot wat de meeste critici denken en beweren – niet echt een ‘boodschap’ overgebracht op de lezer; die krijgt wel een aantal elementen aangereikt, maar daar moet hij dan zelf maar de nodig conclusies uit trekken – die meerdere kanten op kunnen. Maar dat maakt het boek wel enigszins ‘open’, alsof de enige ‘boodschap’ erop neerkomt dat de lezer zelf moet nadenken. Wat alleszins positief is, en wel wat opweegt tegen de mijns inziens negatieve stilistische aspecten.

Want dat houdt in: Houellebecq stelt zeer pertinente vragen (zoals in zijn vorige boeken), die van politiek-sociologische en van cultuurhistorische aard zijn (zoals in zijn vorige boeken), zijn roman doet de lezer nadenken, en daarin ligt de kracht ervan, en in niets anders. Dat betekent ook dat er naast het eigenlijke verhaal nogal wat min of meer essayistische passages in het boek voorkomen, maar de auteur weet die goed te integreren in het geheel, dat zodoende nooit vervelend wordt. Houellebecq is een schrijver die niet voor de eeuwigheid schrijft, maar voor het hier en nu.

houellebecq

Waar gaat het boek dan over? Welke is die actualiteit? Ze wordt gespreid over vijf delen, die zelf weer onderverdeeld zijn in kleinere, niet genummerde hoofdstukken, die een duidelijke chronologische lijn volgen.

Het eerste deel kan als een introductie beschouwd worden. De hoofdpersoon heeft een doctoraat geschreven over de 19de eeuwse Franse schrijver Joris-Karl Huysmans, en die was blijkbaar zo goed dat hij een leerstoel kreeg aan de Sorbonne. Dat eerste deel beschrijft de eerste jaren van die levensloop. En daarbij is het onderwerp van dat proefschrift eigenlijk van cruciaal belang. Na de bijbel van de ‘decadenten’ geschreven te hebben, A Rebours, begeeft Huysmans zich immers op weg naar het katholicisme om daarin te eindigen als oblaat. Het zal, op een totaal andere manier en in een totaal andere context, ook de weg zijn die vele collega’s van de hoofdfiguur aan de Sorbonne zullen volgen, en uiteindelijk ook hijzelf.

Op een subtiele wijze wordt hier reeds aangegeven waarover het gaat in wezen: er is sprake van ‘nos sociétés encore occidentales’ (p. 11), en van een ‘Occident qui sous nos yeux se termine’ (p. 13), terwijl even verder de hoofdpersoon de vraag stelt nadat hij een cursus gedoceerd heeft: “en quoi les deux vierges en burqa pouvaient-elles être interessées par Jean Lorrain, ce pédé dégoûtant, qui se proclameit lui-même enfilanthrope? Leurs pères étaient-ils au courant du contenu exact de leurs etudes?” (p. 35). Niet alleen leren we zodoende de mentaliteit van de hoofdpersoon kennen, die sterke patriarchale, conservatieve trekken vertoont, wat later bevestigd zal worden in zijn houding tegenover de gebeurtenissen in Frankrijk, maar zodoende introduceert de auteur subtiel de eigenlijke strekking van zijn boek.

Die wordt in het tweede deel al veel directer aangesneden, wanneer de hoofdpersoon al even direct wordt aangeraakt, gegrepen door de Geschiedenis zelf, onder de vorm van presidentsverkiezingen in een Frankrijk dat niet zo ver weg ligt, 2022 met name (de volgende werkelijke presidentsverkiezingen aldaar zullen in 2017 plaatshebben). Er is een moslimpartij opgestaan, ‘Fraternité musulmane’, die het meer dan goed dreigt te doen bij die verkiezingen, temeer daar er een concensus ontstaat tussen zgn. links en zgn. rechts in het Franse politieke spectrum om de kandidaat van die partij desgevallend te steunen tegenover de andere overblijvende kandidate, Marine le Pen. Bij het naderen van de verkiezingen hoort de hoofdpersoon samen met enkele vrienden schoten en ontploffingen in Parijs, zonder dat het fijne daarover gezegd wordt. Maar alleszins wordt, zij het dan ook vaag, een sfeer van komende burgeroorlog opgeroepen: “Pour les identitaires européens, il est admis d’emblée qu’entre musulmans et le reste de la population doit nécessairement, tôt ou tard, éclater une guerre civile.” (p. 70) En er is sprake van journalistieke Cassandra’s die geen gehoor vinden (p. 55). Die ‘mouvance identitaire’ waarnaar in voorgaand citaat en ook elders in het boek verwezen wordt, wordt meestal met extreem-rechts geassocieerd, een beweging als Pegida in Duitsland (en nu in Vlaanderen) behoort bv. daartoe.

De hoofdpersoon heeft een vrouwelijke collega die getrouwd is met een ambtenaar van de DGSI (de overkoepelende Franse geheime dienst), en bij een ontmoeting laat die hem interne en vertrouwelijke informatie kennen, die op zijn eigen verdere levens- en carrièreloop invloed zal hebben: zoals dat de ‘Fraternité’ niet de zgn. sleuteldepartementen (Binnenlandse Zaken en Defensie) zal opeisen bij een gebeurlijke overwinning, maar wel ‘Education Nationale’ – waar dus ook de universiteiten onder vallen. Wat de bedoeling is, is duidelijk:

“Par ailleurs, tous les enseignants, sans exception, devront être musulmans. Les règles concernant le régime alimentaire des cantines, le temps dévolu aux cinq prières quotidiennes devront être respectés; mais, surtout, le programme scolaire en lui-même devra être adapté aux enseignements du Coran.” (p. 83)

In dit deel wordt ook duidelijk hoe Houellebecq fictie en realiteit weet te vermengen: hij noemt bekende hedendaagse Franse politici (Hollande, Valls, le Pen, Sarkozy…) maar plaats die wel in een futuristische toekomst – maar die dus niet zo veraf ligt. Maar ook het persoonlijke is in dit deel niet afwezig, maar steeds gemengd met de historische gebeurtenissen: zo heeft hij nog een ontmoeting met zijn vriendin Myriam, die van joodse afkomst is, en wier ouders Frankrijk zullen verlaten om naar Israël te emigreren. Hun dochter zal meegaan. Ook denkt de hoofdpersoon weer vaker aan zijn thesisonderwerp, en met name aan Huysmans’ bekering: “Je comprenais aisément qu’on soit attiré par la vie monastique.” (p. 98) Maar het hoofdstuk eindigt weer politiek, met een tegenaanval van Marine le Pen, de kandidate die het in de tweede ronde zal opnemen tegen Mohammed Ben Abbas (of er een Franse politicus met die naam bestaat, weet ik niet; de naam is nogal courant, zo lijkt me); zij organiseert een grote betoging in Parijs, die door de klassieke politici van PS, UMP et tutti quanti verboden zou worden, ware het niet dat Mohammed zich opwerpt als de verdediger van de vrijheid om te betogen. Gewiekste politicus dus.

Opvallend: Marine le Pen beroept zich enerzijds op de rechten van de mens, en anderzijds op de beroemde toespraak van Condorcet tegenover de Assemblée Législative van 1792. Le Pen als verdedigster van de Franse republikeinse waarden, van de verworvenheden van de Franse revolutie(s)? In haar retoriek is ze dat nu al, maar zoals we allemaal weten moeten we de retoriek van politici nooit, maar dan ook nooit vertrouwen. Wat dat betreft is er een uitspraak van de hoofdpersoon waar waarschijnlijk de meeste inwoners van Europa wel achter kunnen staan:

“Je me rendais bien compte pourtant, et depuis des années, que l’écart croissant, devenu abyssal, entre la population et ceux qui parlaient en son nom, politiciens et journalistes, devait nécessairement conduire à quelque chose de chaotique, de violent et d’imprévisible.” (p. 116)

Wellicht is hier niet enkel de hoofdpersoon, maar ook de auteur zelf aan het woord, die daarmee dan in één korte passage zegt, dat alles mogelijk is in het tijdperk waarin we leven, en dat wat hij beschrijft daar maar éen van de mogelijkheden van is – wellicht de meest realistische volgens hem.

Hoe dat ook zij, hierna volgt een korter, derde deel, dat een overgangsdeel genoemd kan worden. Terzelfdertijd bewijst dit scharnierdeel (rekening gehouden met de twee delen die nog volgen) dat de opbouw van het boek erg geslaagd is: je kunt het boek beschouwen als één groot chiasme, met een cesuur of scharnier in het midden.

Deze cesuur komt erop neer dat de hoofdpersoon uit Parijs wegvlucht, naar het zuiden van Frankrijk. Zijn vriendin Myriam is zoals gezegd al gevlucht, en zelf voelde hij zich niet echt meer veilig. Maar dat verbetert niet als hij onderweg de wegen verlaten vindt, de hotels gesloten, de winkels dicht, en hier en daar bij een tankstation doden ziet liggen. Die navrante atmosfeer vermindert een beetje als hij zijn vriend van de DGSI en diens vrouw terugvindt, die daar een optrekje hebben. Zij heeft inmiddels haar baan als docente al opgegeven en hij is twee jaar vervroegd met pensioen gestuurd wegens rapporten die het politicaille niet welgevallig waren. Naast de rust die de hoofdpersoon vindt in enkele wandelingen, speelt het grootste stuk van dit deel zich af tijdens een eetmaal ten huize van zijn vriend, waarbij gealterneerd wordt door de verteller-hoofdpersoon tussen politieke gesprekken met de echtgenoot en lofprijzingen op de exquise kookkunst van zijn ex-collega. Eten en seks zijn twee belangrijke hoofdingrediënten in het leven van de meeste protagonisten in Houellebecqs romans.

Een andere kernuitspraak in het boek lijkt me de volgende te zijn, en ik vraag me af of we niet ook hier minstens een echo horen van de auteur zelf:

“Et, surtout, le véritable ennemi des musulmans, ce qu’ils craignent et haïssent par-dessus tout, ce n’est pas le catholicisme : c’est le secularisme, la laïcité, le materialisme athée. Pour eux les catholiques sont des croyants, le catholicisme est une religion du Livre.” (p. 156)

Ook hier weer is het zeer moeilijk om niet met deze uitspraak in te stemmen; ‘gleich und gleich gesellt sich gern’, zegt een Duits spreekwoord, en alle monotheïstische godsdiensten zijn in hetzelfde bedje ziek, en hebben dezelfde vijand, die hier duidelijk omschreven wordt. Misschien met een lichte uitzondering voor het jodendom, omdat dat totaal geen proselytisme kent.

Maar lang duurt het intermezzo niet, en François keert toch terug naar Parijs. Dat vierde deel is weer grotendeels politiek (zoals het vijfde en laatste grotendeels persoonlijk zal zijn: vandaar het chiasme); als hij in Parijs terugkeert hebben de belangrijkste gebeurtenissen plaatsgevonden: Mohammed Ben Abbas is tot president verkozen, en de regering wordt geleid door François Bayrou, waarover DGSI-man Tanneur zegt: “Ce qui est extraordinaire chez Bayrou, ce qui le rends irremplaçable, c’est qu’il est parfaitement stupide.” (p. 152) Bayrou is een praktiserende katholiek, en ipso facto dus geneigd om zich met iedereen te encanailleren.

Terug in Parijs merkt hij dat de overgang begonnen is, op kousenvoeten. De nevels van het obscurantisme dalen langzaam maar zeker neer over zijn universitaire biotoop. De vrouwelijke docenten verdwijnen, en hijzelf wordt tot ontslag gedwongen omdat hij geen moslim is. Terzelfdertijd merkt hij kleine veranderingen in het straatbeeld: vrouwen gaan zich anders, ‘zediger’ kleden. Zijn collega Steve heeft zich wel bekeerd en is docent kunnen blijven, hij heeft ook een tweede vrouw genomen. Tijdens dit hoofdstuk sterft ook zijn vader, waar hij al lang geen contact meer mee had; je kunt je afvragen of deze dood niet ook een symbolische kant heeft binnen de roman: zoals zijn vleselijke vader sterft, zo sterft ook de cultuur waarin hij is opgegroeid en waarin hij carrière heeft gemaakt.

Een andere maatregel is het terugbrengen van de schoolplichtleeftijd tot ongeveer twaalf jaar, allemaal om ‘redonner toute sa place, toute sa dignité à la famille, cellule de base de notre société’ (p. 199) zoals het heet. Je meent bijna een toespraak van Le Maréchal te horen. Er ontstaan wel enkele verzetshaarden, vooral bij wat hij ‘les laïques de gauche’ noemt, en daarbij verwijst hij o.a. naar Onfray. Maar die zijn onbetekenend, gelet enerzijds op de kracht van het ‘islamogauchisme’ (een strekking die zeker tot voor kort (nu nog?) zeer sterk aanwezig was bij de Belgische PVDA) en anderzijds op de politieke houding van de officiële socialisten: “La gauche avait toujours eu cette capacité de faire accepter des réformes antisociales qui aureiant été vigoureusement rejetées, venant de la droite;” (p. 211) Concessies doen dus tot je zelf niet meer bestaat en er dus geen meer kunt doen; appeasement. De hoofdpersoon is zo in de war dat hij zich voor een tijdje terugtrekt in de abdij van Ligugé, waar ook Huysmans zijn bekering tot het katholicisme voorbereidde.

Huysmans komt het hele boek door terug, het is werkelijk een rode draad doorheen de roman. Nochtans is de vergelijking slechts oppervlakkig, want toen Huysmans zich bekeerde was dat tot een godsdienst die al eeuwenlang aanwezig was in Frankrijk, die dat land helemaal mee gevormd had en die een werkelijke ‘Leitkultur’ was, niet enkel in Frankrijk trouwens, maar in heel Europa. In de tijd waarin Houellebecqs roman speelt is dat wel even anders; er is geen ‘Leitkultur’ meer, en in dat vacuüm dreigt de islam die rol over te nemen. Maar aan de oppervlakte is er natuurlijk wel een overeenkomst.

Ook het vijfde en laatste deel, waarin de hoofdpersoon weer meer centraal staat dan de gebeurtenissen, begint met Huysmans. Echter na een citaat van Khomeini; het is het enige hoofdstuk waar een motto boven staat, en een dat de kern van het boek zeer goed samenvat: “Si l’islam n’est pas politique, il n’est rien.” Het lijkt wel een verre echo van Mao: ‘De politiek voert het bevel, zij is de ziel van alles’, zo heette dat toen. De islam is inderdaad een door en door politieke godsdienst, meer zelfs: godsdienst en politiek vormen er een siamese tweeling met slechts één hart, onmogelijk te scheiden dus.

Maar Huysmans dus. Bij het begin van dit laatste deel krijgt de hoofdpersoon de vererende opdracht twee aan Huysmans gewijde Pléiadedelen voor te bereiden, d.w.z. de inleiding te schrijven en voor de aantekeningen te zorgen. Het is inderdaad vreemd dat Huysmans nog niet is opgenomen in de Pléiade; misschien dat deze wenk van Houellebecq er vooralsnog voor zal zorgen? Dit deel bestaat voor een groot deel uit gesprekken met de nieuwe baas van de Sorbonne, Rediger, afkomstig uit de ‘mouvance identitaire’, maar heel vlug bekeerd tot het Ware geloof. Als François hem bezoekt, blijkt hij ook twee vrouwen te hebben, de tweede heet niet enkel Aïcha, maar ‘Elle vient d’avoir quinze ans’ (p.244) Dat is geen kleine hint naar de profeet natuurlijk, waarvan geweten is dat hij expliciet de toelating kreeg voor dit huwelijk met een kind, en wel van de door Allah himself gezonden engel Gibreël, degene die hem zijn verzen influisterde. Men moet de koran eens lezen samen met een ernstige biografie (géén hagiografie dus) van Mohammed: het is verbijsterend te zien dat hij steeds influisteringen kreeg die hem op dat ogenblik ofwel in zijn persoonlijke ofwel in zijn politieke leven zeer goed uitkwamen. Van een gewiekst en gehaaid profeet-politicus gesproken, anders gezegd: van een doodgewone bedrieger!

Dat gesprek met Rediger strekt zich uit over ettelijke bladzijden, en heeft eigenlijk plaats op initiatief van deze. Het bevat enkele cruciale passages voor een goed begrip van het boek – en wellicht voor de houding van de auteur zelf. Dit bv.:

“enfin c’étaient des athées à la Kirilov, ils rejetaient Dieu parce qu’ils voulaient mettre l’homme à sa place, ils étaient humanistes, ils se faisaient une haute idée de la liberté humaine, de la dignité humaine.” (p. 250)

Men kent de figuur van Kirilov uit Dostojewski’s Demonen en zijn zoektocht naar God, die hij uiteindelijk verwerpt; en men weet dat hij zelfmoord pleegde om vrij te zijn. “Als God dood is, is alles toegelaten” is een sleutelwoord in die roman, die het uiteindelijke probleem van het nihilisme stelt. Rediger schijnt dat te aanvaarden, en als men Houellebecq een beetje kent, weet men ook dat die vraagstelling bij hem eveneens voortdurend aanwezig is. Enerzijds heeft hij evenmin als zijn figuur Rediger een hoog petje op wat betreft ‘menselijke waardigheid’ en ‘menselijke vrijheid’ – zijn visie op de mens is immers door en door misantropisch, hij veracht de menselijke soort; maar anderzijds verwerpt hij ook (totnogtoe tenminste) de idee van God. Op zo’n ogenblik, waarin je in niets meer kunt geloven, is het geloof in een theïstische God een soort redplank, of kan dat tenminste zijn. Dat geldt ook voor de hoofdpersoon, die van al die humanistische ‘waarden’ ook niets moet hebben (“rien que le mot d’humanisme me donnait légèrement envie de vomir” (p. 250) stelt hij).

Daarna gaat Rediger over op éen van de godsbewijzen, nl. het kosmologische. Een ‘bewijs’ in wetenschappelijke zin is dat allesbehalve natuurlijk, dat kan niet gegeven worden. De eerste die dat toch geprobeerd heeft was Anselmus van Canterbury met zijn zgn. ‘ontologisch godsbewijs’; sindsdien zijn velen hem op die wiskundige weg gevolgd, maar geen enkel van die bewijzen is ooit sluitend geweest; meestal kwamen ze neer op een petitio principii. Het kosmologische ‘bewijs’ daarentegen is een argumentatie, en wel een van de meest aanlokkelijke. Maar het blijft natuurlijk een ‘argumentatie’, hetgeen inhoudt dat er altijd een tegenargumentatie kan opgebouwd worden, en die is in deze meestal even sterk. Toch wordt de wankelmoedige hoofdfiguur ook hier ‘overtuigd’; waarbij de schrijver eigenlijk in het midden laat welke zijn werkelijke beweegredenen zijn. Maar mijns inziens is minstens één mogelijke lectuur: opportunisme, de wens om opnieuw aan de slag te kunnen aan de islamitische universiteit Sorbonne.

Ook Toynbee wordt nog even uit de kast gehaald (Spengler niet, vreemd genoeg; te voor de hand liggend?), waar hij stelt dat beschavingen niet van buitenaf vernietigd worden, maar dat ze zelfmoord plegen in feite; en dat zou met Europa al gebeurd zijn. Noch de auteur noch de bijfiguur Rediger gaan daar dieper op in, maar men weet dat het een basisstelling is van vele cultuurfilosofen van na Spengler en Toynbee, en dat ook Houellebecq zelf zich meermaals in die zin heeft uitgelaten.

In al die stellingen, die door Rediger in dit gesprek naar voren worden gebracht zit een zekere dubbelzinnigheid: de dood van (de christelijke) God, ‘der Untergang des Abendlandes’, de toenemende versplintering van de Westerse maatschappijen, waarin uiteindelijk niemand meer in wat dan ook en amper nog in zichzelf gelooft, en waarin enkel nog het adagium ‘jeder für sich und Gott gegen Alle’ schijnt te gelden, waarin geen enkel middelpunt meer te bespeuren valt, maar de middelpuntvliedende krachten voortdurend sterker worden en ook nog eens versnellen… Dat alles klopt grotendeels, althans volgens mij. Maar welke conclusie moet je daar dan uit trekken? Mensen die niet kunnen leven met ‘la mort dans l’âme’ zullen inderdaad geneigd zijn zich te bekeren, en voor velen is de islam een aantrekkelijk alternatief, dat heeft Houellebecq goed gezien. Misschien is dat gewoon de loop van de Geschiedenis en zal na verloop van tijd de islam inderdaad ook hier de nieuwe Leitkultur worden. Wat dat betreft is deze roman realistisch genoeg.

Maar er is nog een derde ‘argument’ dat door Rediger aangehaald wordt, en dat uiteindelijk de volle betekenis onthult van de titel van de roman. Dat is natuurlijk op de eerste plaats gewoonweg de Franse vertaling van het woord ‘islam’ zelf, maar uit volgende passage blijkt dat er toch wat meer aan de hand is:

“C’est la soumission”, dit doucement Rediger. “L’idée renversante et simple, jamais exprimée auparavant avec cette force, que le sommet du bonheur humain réside dans la soumission la plus absolue. C’est une idée que j’hésiterais à exposer devant mes coreligionnaires, qu’ils jugeraient peut-être blasphématoire, mais il y a pour moi un rapport entre l’absolue soumission de la femme à l’homme, telle que la décrit Histoire d’O, et la soumission de l’homme à Dieu, telle que l’envisage l’islam.” (p. 260)

Deze vergelijking is uiteraard van dat schitterend, verbluffend cynisme waar Houellebecq soms het patent op schijnt te hebben. En het is daarin, denk ik, dat we even ook de ‘implied author’ ontmoeten, die zich anders door het hele boek heen zo goed verborgen weet te houden. Immers, het is wel de romanfiguur Rediger die dat zegt, maar het is de auteur die de vondst doet, een vondst overigens die wonderwel aansluit bij vroegere uitlatingen van Houellebecq.

Het lijkt een absurde vergelijking, en het is een provocatie alleszins, maar klopt het niet in zekere zin? O schakelt zichzelf totaal, absoluut uit om enkel nog een voorwerp te zijn onder de handen van haar meesters; en op dezelfde manier schakelen de gelovigen (niet enkel de moslims overigens) zichzelf totaal en absoluut uit onder de fictieve handen van hun meester(s). Zo hoef je alleszins niet meer te denken, niet meer te onderzoeken, je laat je hele leven leiden door een schimmige figuur, Allah of Mohammed geheten. Houellebecq schrijft geen psychologische romans, integendeel: als je iets wil weten over de psyche van zijn figuren dan kun je dat enkel door hun handelingen en hun uitspraken te analyseren; zelf komt de auteur daarin niet tussen, hij analyseert zijn figuren nooit. De lezer moet zelf maar zijn conclusies trekken. En in die context vraag ik me af of de overeenkomst tussen O en de doorsnee moslim wellicht inderdaad in een dieperliggende onbewuste laag te zoeken valt. Dat het christendom door en door masochistisch is, zal voor niemand een wonder zijn, maar de islam is in hetzelfde bedje ziek. Meestal komt een dergelijk masochisme voort uit een veel te sterke, allesoverheersende, vaak wrede Vaderfiguur, zoals we die op de eerste plaats kennen uit het oude testament, maar eveneens uit het nieuwe (Christus onderwerpt zich immers aan de wil van de vader). Ook in de islam is zo’n vaderfiguur aanwezig: een God, nl. Allah, die volkomen transcendent is, en daarnaast een profeet die als een vader vereerd wordt.

Bij de meeste mensen, van welke godsdienst ze ook zijn, leidt dat zelden of nooit tot moeilijkheden, omdat ze dat hele complex afwikkelen en doorlopen zonder zware psychische problemen. Maar bij een (grote) minderheid is dat niet zo, die zijn niet enkel in hun geloof, maar ook in hun daden zwaar psychisch gestoord; en het zijn altijd net die, die het uiteindelijk voor het zeggen krijgen en hun wil weten op te leggen, niet enkel aan hun geloofsgenoten, maar ook aan alle anderen. Zie het katholicisme hier tot aan de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Hoe gek Redigers vergelijking dus ook lijkt, ze heeft ook een andere, een juiste kant.

Tijdens heel dit lange gesprek tussen de hoofdpersoon en Rediger werden overigens grote hoeveelheden alcohol geconsumeerd. Ook dat is niet verwonderlijk, want overal in moslimlanden kun je zonder problemen alcohol krijgen, ook in de strengste. Desnoods worden ze in theepotten geserveerd. Hypocrisie troef, zoals in alle monotheïstische godsdiensten. Maar de conclusie van François uit dit gesprek kun je vergelijken met de conclusie die Huysmans trok uit zijn gesprekken met de monniken van Ligugé:

“Pour la première fois de ma vie je m’étais mis à penser à Dieu, à envisager sérieusement l’idée d’une espèce de Créateur de l’Univers, qui surveillerait chacun de mes actes, et ma première réaction était très nette: c’était tout simplement la peur.” (p. 263 – ik cursiveer)

De door mij gecursiveerde woorden wijzen duidelijk op de houding van het kind ten opzichte van de almachtige Vader en die is, onder de vorm van de islam dan, duidelijk “appelé à dominer le monde” (p. 271). In deze context is ook de opmerking over het zgn. ‘islamogauchisme’ belangrijk:

“l’islamogauchisme, écrivait-il (bedoeld is Rediger), était une tentative désespérée de marxistes décomposés, pourrissants, en état de mort clinique, pour se hisser hors des poubelles de l’histoire en s’accrochant aux forces montantes de l’islam.” (p. 273)

Hierbij moet ik onweerstaanbaar denken aan de houding van de PVDA hier in België en aan gelijkaardige groepen elders in Europa. Ik herinner me nog haarfijn discussies met leden van die partij over Afghanistan, waarbij ze mordicus stelden dat je je aan de islamitische context moest aanpassen en desnoods aan alle islamitische gebruiken moest meedoen, je onderwerpen aan de ‘wil van het volk’ dus. Ik vrees dat diezelfde houding daar nog steeds aanwezig is, en dat zij nog liever het totale obscurantisme van de islam zullen omhelzen dan godsdienstkritisch te zijn zoals Marx dat was. Overigens, in het volgende stukje blijkt ook in België inmiddels een ‘Parti Musulman de Belgique’ aan de macht te zijn gekomen (p. 278). Als het regent in Parijs druppelt het natuurlijk in Brussel. Daar, in Brussel overvalt de hoofdpersoon een soort inzicht à la Pascal: “j’eus soudain la certitude que je comprenais totalement Huysmans, mieux qu’il ne s’était compris lui-même,” (p. 279)

Dat is de omslag bij de hoofdpersoon: hij zal zich bekeren en de formule afleggen in de hoofdmoskee van Parijs; dat hij drie maal zo veel zal verdienen als voordien weet hij al, maar hij wenst enkel nog te weten op hoeveel vrouwen hij recht heeft (p.292). Zijn leven zal in geleide banen verlopen voortaan: hoogleraar, specialist in Huysmans, van wie hij twee Pléiadedelen zal kunnen uitgeven, en voor de rest verandert er blijkbaar niets wat hem betreft: “Je n’aurais rien à regretter.” (p. 300), zo luidt zijn conclusie en de laatste zin van het boek.

000

Het zal misschien opgevallen zijn dat ik dit in wezen een open boek vind, in die zin dat het quasi onmogelijk is de auteur vast te pinnen op een eenduidige boodschap of strekking. Ik zei het al enkele keren: door de afwezigheid van een ‘implied author’ zijn het de hoofdfiguur zelf en de bijfiguren die aan het woord zijn, en die mogen niet verward worden met de auteur zelf. Dat zoiets tot een zekere ambiguïteit leidt, is daarbij wat mij betreft meegenomen, het maakt de roman alleen maar sterker; en meer: het bewijst dat we helemaal niet met een roman à thèse te doen hebben.

Tenzij je als stelling zou aannemen dat de islam het hier voor het zeggen zal krijgen, vroeg of laat.

Hoe realistisch is dat?

Op dit ogenblik zeker niet. De volgende presidentsverkiezingen in Frankrijk zullen in 2017 plaatsgrijpen, en eerder dan een Mohammed lijkt me de kans groot dat een zekere Marine dan presidente zal worden. Op zich zou ik dat niet eens erg vinden (we leven niet meer in de jaren dertig en veertig, en le Pen zal dus geen politiek uit die tijd kunnen voeren, ook al liggen haar wortels in het Franse fascisme, zoals die van de N-VA in het Vlaamse fascisme liggen), want het zou het einde van dit Europa betekenen, en ik ben van oordeel: liever geen Europa dan dit Europa. Maar ook dat is niet eens zeker, want er is ook nog een Juppé, die een ernstiger kandidaat is dan Hollande of Sarkozy. Hoe dat ook zij, een moslimpartij bestaat niet (de Union des démocrates musulmans de France zegt over zichzelf niet-confessioneel te zijn, en twee eerdere partijtjes zijn een stille dood gestorven) en zal tegen 2017 ook niet bestaan of, als ze er wel is, onbetekenend blijken. Tenslotte vormen de moslims in Europa nog steeds een kleine minderheid van amper iets rond de vijf procent. Dat alles op korte termijn.

Maar het gevaar ligt elders en kruipt door alle Europese instellingen en mentaliteiten als een sluipend gif. En dat is dan de evolutie op lange termijn. Europa onderwerpt zich op alle vlakken aan de wensen van de islam en de moslims. Het dragen van hoofddoeken wordt toegelaten (vroeger vond ik ook dat dat moest kunnen, maar ik heb me vergist en kom daarop terug), in de scholen worden halal maaltijden opgediend, sportlessen vinden gescheiden (volgens geslacht) plaats, er komen steeds meer moskeeën en steeds meer zichtbaar in het stads- of straatbeeld. Steeds meer kunstenaars en organisatoren van tentoonstellingen passen al preventieve censuur toe, door werken niet op te voeren (Voltaire), door tentoonstellingen of opvoeringen van opera’s af te gelasten, door bepaalde werken uit tentoonstellingen te verwijderen, in sommige landen wil men deels de sharia invoeren (een topbons van de Anglicaanse kerk die dat voorstelt – je houdt het niet voor mogelijk!), of wil men het begrip ‘blasfemie’ opnieuw invoeren in het strafrecht (in Nederland waren er dergelijke voorstellen), enzoverder enzovoort. M.a.w.: het westen onderwerpt zich nu al aan de islam, zelfs zonder dat er een belangrijke partij of politieke beweging van die kant aanwezig is. Maar geen illusies: die zal er wel komen, en als het zo verder gaat, zal heel onze maatschappij op lange termijn inderdaad zonder problemen in hun handen overgaan.

Zoals het in het boek van Houellebecq beschreven staat.

Nochtans zou het uitgangspunt van onze maatschappijen eenvoudig kunnen zijn en, gelet op sommige uitspraken in de roman die overeenkomen met wat Houellebecq vroeger, in interviews gezegd heeft, zou dat ook zijn standpunt kunnen zijn: een privéregel (waar godsdienstige regels toe behoren) mag nooit primeren op een rechtsregel, zonder ook maar één enkele uitzondering, en pogingen om daaraan te ontsnappen kunnen niet streng genoeg bestraft worden. Hoe je het ook draait of keert, in de islam vormen godsdienst en politiek een onafscheidbare symbiose, meer zelfs, zoals ik al zei: ze zijn een siamese tweeling met de hoofdorganen gemeenschappelijk: neem een deel weg, en het geheel verdwijnt. En dat zou uiteindelijk ook moeten gebeuren. Maak ik me illusies? Natuurlijk niet, geen enkele politicus zou dat zelfs maar durven voorstellen; en alle krankzinnige wetten op racisme edm zorgen ervoor dat de islam zich rustig verder zal kunnen ontwikkelen.

Een terugkeer naar het Ancien Régime ligt voor ons; toen was het de katholieke kerk die de facto en de jure alle macht uitoefende; in de toekomst zal het de islam zijn. Je kunt alleen maar hopen dat de volgende Franse revolutie er voor eens en voor altijd voor zal zorgen dat een dergelijke terugkeer niet meer mogelijk wordt. Maar tegen dan lig ik al lang in mijn graf – gelukkig maar.

En je kunt het boek eigenlijk ternauwernood islamofoob noemen. Het spreekt vanzelf dat de auteur niet van deze of andere godsdiensten houdt, maar in de roman wordt het hele proces van machtsovername als onvermijdelijk, en vooral als zacht en bijna totaal geweldloos voorgesteld. Het gebeurt bijna vanzelf, want de marginale groepjes die zich verzetten komen niet aan bod. Degenen die indirect de meeste vegen uit de pan krijgen zijn de volledig opportunistische politici, die eerder op zielloze (die kunnen ze dus ook niet meer verkopen) poppen lijken dan op iets anders. En de academici natuurlijk. Kortom: de maatschappelijke elite blijkt zoals steeds en overal en altijd maar wat graag bereid om te collaboreren. En het volk stond erbij en keek ernaar.

Er is een Chinees spreekwoord, dat in zijn Franse variant als volgt luidt: “Alors que tu chasses un tigre par la porte de devant, un loup peut entrer par celle de derrière.”

In modern en actueel Nederlands zou je dat kunnen vertalen als: we hebben de pastoors door de voordeur weggejaagd, terwijl de imams langs de achterdeur naar binnen zijn geslopen.

Ecrasez l’infâme!, zoals Voltaire eiste.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijf − 2 =