17.01.15 – J.L. de Belders Vatersuche

| Geen reacties

Jozef L. de Belder. Foto van het AMVC Letterenhuis.

Jozef L. de Belder. Foto van het AMVC Letterenhuis.

In het nummer 4 van de dertiende jaargang (2014) van het literair-historische tijdschrift Zacht Lawijd publiceerde Elke Brems onder de titel ‘Voor mij een vader; Maurice Gilliams verdedigt J.L. de Belder’ een erg instructief opstel over beide dichters en hun verhouding. Zij gaat daarbij quasi enkel in op het roemruchte gedicht van de Belder en op de analyse die Gilliams daarvan maakte. Het is wel jammer dat zij de tekst van Gilliams niet in extenso bij haar artikel voegt. Misschien is die elders al gepubliceerd, maar ik vrees van niet.

Hoe dat ook zij, het is algemeen geweten dat de Belder tijdens de oorlog in het collaborerende tijdschrift DeVlag een gedicht publiceerde onder de titel ‘Ode aan den Führer’. Hij heeft dat, in tegenstelling tot sommige anderen, nooit onder stoelen of banken gestoken, maar uiteraard liep hij er ook nooit mee te koop. En al even uiteraard komt het niet voor in zijn Verzamelde gedichten. Brems analyseert het gedicht niet zelf, maar volgt op de voet de analyse van Gilliams. Zij stelt bij die analyse ook geen vragen, ofschoon dat in dit geval wel voor de hand ligt. Zo bv. bij de aantoonbaar onjuiste stelling van Gilliams dat het gedicht deels geplagieerd zou zijn, van Hölderlin dan nog wel. Invloed is er wellicht wel, maar daar houdt het dan ook mee op.

Maar het is meer: het gedicht vraagt bijna, niet om een poëticale of politieke duiding, maar om een psychoanalytische. Uit de titel van Brems’ opstel zou je dat al kunnen afleiden, maar jammer genoeg trekt zij de noodzakelijke conclusie niet. Daartoe is het echter misschien aangewezen twee verdere gedichten van de Belder te betrekken, die wat dit punt betreft erg verwant zijn met de ode. Een daarvan haalt ook Brems aan, het andere niet. Laat mij dus daarmee beginnen.

Uit een gedenkboek

(In memoriam Ernest van der Hallen, 1959)

Herinneringen aan de vele tochten met je boot
op de Nete, als zwevend boven de dijken,
in de zon. En de weiden en de verre bossen.
En de namiddag over het land. En de vrede in je kamer
onder de bomen bij het rustig-ademend harmoniumspel
dat Bach of Schubert of het Salve Regina vertolkte
wanneer de avond mild werd voor de enkele vrienden
voor wie het geen echte zomeravond kon zijn zonder uw stil verhaal.

Wij waren gelukkig toen, als je zonen te zijn.
En het zwerven met jou door de donkere dennebossen,
of de nachten onder de grote maan boven het kampvuur
als jij ons verhaalde van je reizen naar het Oosten
en van je vrienden in  de oasen van de Libysche woestijn.
En de liederen die wij zongen op het marktplein
van een of andere kleine zonbeschenen stad.

Of het spel dat wij speelden voor de kinderen in de dorpen
terwijl jij glimlachend je pijp zat te roken in het gras.
En het huis dat wij bouwden in de heide,
het tehuis voor allen die uw boodschap hadden begrepen,
waar wij zouden samenwonen als in een kleine abdij.
Wij waren gelukkig toen omdat jij bij ons was,
ons leven richtte en in onze harten bestendig een lied deed zijn
hoewel je eigen tenger lichaam droeg het teken van de pijn.

En de echte wijsheid van je raad steeds
en de hulpvaardige trouw van je groot, rijk hart…
Toen was het dat de kleine, felle vlam
die heel mijn verder leven bleef doorgloeien
in mij ontstoken werd…
Eén ding spijt mij nog steeds: dat ik bij jou niet was
toen broeder dood je roepen kwam voor de tocht naar ginder…
Pas veel later kon ik leggen op je graf
de malve bloemen van de herfst: mijn laatste hulde
aan jou die eens mijn beste vriend en tweede vader was.

 

Ernest Van der Hallen

Ernest van der Hallen

Door mij werden twee verzen cursief gezet. Ze duiden de kern aan van dit hele gedicht. Ernest van der Hallen was tijdens het interbellum een van de vooraanstaande katholieke voormannen, die zich vooral met de studentenwerking bezig hield. Hij zal voor meer dan éen jongere wel een vaderfiguur geweest zijn. Het gedenkboek waarvan sprake in de titel verscheen in 1958, tien jaar na de dood van van der Hallen. Ofschoon hij zich tijdens de oorlog politiek totaal afzijdig had gehouden, werd hij na de bevrijding toch aangehouden en opgesloten; aan de gevolgen van die opsluiting overleed hij in 1948.

De dichter spreekt de figuur van van der Hallen rechtstreeks aan, het hele gedicht door. Wat hij daarbij ophaalt zijn herinneringen aan tochten zoals die wel in elke jeugdvereniging zullen hebben plaatsgevonden. Maar wat opvalt is de totale afwezigheid van enig conflict, hetzij tussen de jongens zelf, hetzij met de mentorfiguur. Alles baadt in een sfeer van idyllische harmonie. Ook de stad is ver, plaats van handeling is duidelijk het pre-moderne platteland: de Nete, weiden, bossen. Een kampvuur met de daarbij horende liederen maakt het beeld af.

In dezelfde lijn ligt de figuur van van der Hallen zelf, die hier opgeroepen wordt: ook daarin is geen enkele vorm van strijd, van onvolkomenheid, van verscheurdheid te bespeuren. Het is een ideaalbeeld dat hier opgeroepen wordt, een beeld van hoe de absolute Vaderfiguur met zijn kinderen dient om te gaan: daartoe behoren blijkbaar op de eerste plaats culturele elementen: de Vader leert de jongens Bach,  Schubert kennen. Er heerst enkel ‘vrede’, er wordt een ‘stil verhaal’ verteld, en het harmonium speelt ‘rustig-ademend’. De Vaderfiguur glimlacht terwijl hij een pijp rookt; hij deed het leven van de jongens de juiste richting ingaan, en verbeet daarbij de eigen (lichamelijke – van der Hallen had reeds vroeg een erg zwakke gezondheid) pijn. Door het enige gebruik van rijm in de laatste verzen van de derde strofe lijkt de dichterlijke ik daar de nadruk op te willen leggen; maar mijns inziens komt het rijm wat stuntelig over.

Tot twee keer toe wordt de enkele aanwezigheid van de Vaderfiguur in verband gebracht met geluksgevoelens, bij het begin van de tweede strofe en op het einde van de derde strofe. Het spreekt bijna vanzelf dat de Vader verder wordt gekenschetst als ‘wijs’, ‘hulpvaardig’, ‘trouw’, met een ‘groot, rijk hart’. En dat alles heeft dan een onuitwisbare indruk gemaakt op de dichter, zoals in het midden van de laatste strofe, o.m. door het gebruik van een vers dat plots veel korter is dan de overige verzen van het gedicht, uitgesproken wordt.

Een sfeer van totale harmonie en daarbij een ideale Vader, het spreekt vanzelf dat we hier met een vorm van idealisme te maken hebben, die ver van elke mogelijke realiteit staat, ook al is het inderdaad zo dat de Belder zeer sterk beïnvloed werd door van der Hallen, met name in de eerste helft van de jaren dertig. Zou het kunnen dat van der Hallen toen inderdaad ook letterlijk de plaats van de Vader heeft ingenomen? Figuurlijk in elk geval wel, dat blijkt overduidelijk uit dit gedicht, en met name uit de twee expliciete verzen die ik gecursiveerd heb.

Toch moet dat beeld ook in tegenstrijd geweest zijn met waar de werkelijke Ernest van der Hallen voor stond. Ik druk hier een kleine gekalligrafeerde tekst van hem af. Als we daar iets uit mogen afleiden, dan wel dat van der Hallen nogal apodictisch, militant en zeker van zijn zaak was: strijd of twijfel kent hij niet, want het ‘strijdbeginsel’ waar hij het over heeft is strijd met de ander, de tegenstrever, de vijand. Totaal het tegendeel dus van de Belder zoals we die uit zijn poëzie leren kennen. En het zal dat ook wel zijn, dat hem heeft aangetrokken in van der Hallen. Hij wenste mannelijk te zijn als die Vaderfiguur, maar was het niet, nooit.

vanderhallen-scan

Het gedicht van de Belder werd tamelijk laat geschreven, in 1959; van der Hallen was toen al lang dood, maar voor de dichter was hij blijkbaar nog springlevend. Een dergelijke Vaderfiguur vergeet je uiteraard niet. Het gedicht bestaat uit herinneringen die zo worden opgeroepen dat je als lezer de indruk krijgt dat ze nog vers in het geheugen liggen inplaats van decennia terug te liggen.

Het is dus een herinneringsgedicht, en daarin verschilt het ook van de twee andere gedichten, die ik hier kort wil bespreken; het eerste daarvan speelt zich in de actualiteit af, het tweede noch in de herinnering noch in de actuele werkelijkheid, maar eerder in een universele actualiteit. Het eerste van die twee is de beruchte ‘Ode’, die de rechtstreekse oorzaak was van het feit dat de Belder een viertal jaren werd opgesloten bij de bevrijding.

Ode aan den Führer

Uit schemerleven in den hellen dag getreden
richtt’ ik mijn wankele stappen, mijne schreden
naar ’t klare licht.

En nu, dat weggegleden
het duister is, nu sta ik in het leven
van elken dag en zie U klaar voor mij,
mijn land, mijn volk en gij
die voor me werd een Genius, voor mij
een vader, gij die trouw en sterk
de kroon zet op het duizendjarige werk
van allen die, hun bloed getrouw, geleden,
gestreden hebben en die nu in ’t heden
herrijzen in de zonen van mijn land, het schoone,
het schoonste op de aarde: mijn land, tot ’t Rijk,
door U, die Führer zijt, heropgeroepen
voor ons die zien plots en begrijpen
den zin van ’t leven en die wijden
voortaan hun werk weer aan de groote taak
van U, met U, om samen uit den slaap
te doen ontwaken allen die nog droomen
van stille grootheid, die hun blonde zonen
een beter land beloofden dan het hunne was.

(Het is nu avond en in ’t groene gras
der weide speelt mijn kind met ’t kleine schaap
terwijl ik, schrijf dit, en een landman gaat
naar huis toe langs het korenpad.
Oh, dankbaar ben ik U omdat
wij ook dit kalme avondbeeld
aan U te danken hebben, want geheeld
hebt gij de wonden die de vijand sloeg
in ons, de onheilstichter, die bedreigd U had,
Uw werk, dit Rijk, mijn stille avondpad.)

Ik zag U eenmaal in een kleine stad
langs de rivier. Er waaiden bonte vlaggen
op alle torens en de heuveltoppen
waren een krans van vuur voor U ontstoken.
Gij kwaamt. En kleine meisjes, toegeloopen
over de straat, met bloemen in de hand,
hebt gij de wang gestreeld. Er was een milde band
van liefde tusschen U, de menschen en de dingen.
Toen gingen knapen wondere liederen zingen
waarin Uw naam voorkwam die stil geprezen werd.
En moeders toonden U hun jongste kind,
terwijl de avond en de avondwind
het lied der blijdschap verder droegen langs de straat
Gij hebt daarop de kleine stad verlaten –
het was alsof een heilige henenging.
Een stille krans van roerloos licht nog hing,
den ganschen nacht, over het plein, de straten
langswaar gij gingt…

Toen ik dit gedicht, jaren geleden, voor het eerst las, was mijn eerste indruk: dit is geen politiek gedicht, maar een vadergedicht. En dat denk ik nu nog, meer zelfs dan vroeger, ook al zie ik nu ook beter het politieke aspect ervan in. Maar in feite blijft het op de belangrijkste plaats een vadergedicht; het zou volstaan enkele woorden ( twee keer ‘Rijk’ en een keer ‘Führer’) te vervangen om zich daarvan te overtuigen.

Het is vooreerst geen toeval dat Brems haar opstel als titel de cruciale woorden uit de eerste strofe, ‘voor mij een vader’ meegegeven heeft. Door zijn voorbeeld is de Vader voor het kind een bron van licht tegenover de duisternis waarin het zelf nog verkeert. Dat licht moet breed symbolisch gelezen worden: het vat de opvoeding samen die het kind krijgt, het voorbeeldige dat het kind wegwijs maakt, dat het leert welke wegen te gaan, dat voor het kind de dingen helderder, begrijpelijker maakt. Een symbool dat overigens in elke politieke context gebruikt kan worden.

De Führervader wordt ook een Genius genoemd. Volgens Gilliams zou dat een vorm van plagiaat zijn, als ik op Brems’ opstel afga. Dat is natuurlijk klinkklare nonsens. Wel is het inderdaad een verwijzing naar de Duitse romantiek (met name Hölderlin en Novalis gebruiken dat woord), waar de Belder zeer goed in thuis was. Eigenlijk is een Genius een soort privé beschermende god, een engelbewaarder zou je kunnen zeggen (ook Genii werden vaak met vleugels afgebeeld), maar oorspronkelijk waren de voorvaderen ermee bedoeld.  Bescherming is éen van de hoofdtaken van een Vader ten opzichte van zijn kinderen, en het spreekt vanzelf dat hij in die functie door het kind als ‘trouw en sterk’ gezien wordt. Opvallend: ‘U, die Führer zijt’ klinkt bijna als een verre echo van ‘Gij, die Vader waart’, uit het bekende ‘Wijding aan mijn Vader’ van Karel van de Woestijne – een dichter waarvan wel vaker echo’s aanwezig zijn in de Belders gedichten.

Maar ook hier weer hebben we met een zeer sterk vaderbeeld te maken: een ideaalbeeld van iemand die de weg baant, van iemand die een totaal voorbeeld is, weer zonder dat van enige complicatie sprake is: een Vader is een man uit één stuk, die geen aarzelingen, geen twijfels kent. Enkel op die manier kan hij een voorbeeld zijn voor zijn ‘blonde zonen’. En dat Vaderbeeld komt grotendeels overeen met de werkelijke Ernest van der Hallen, zoals we die uit de afgebeelde korte tekst leerden kennen.

Het is niet mijn bedoeling de politieke betekenis van deze strofe, dit gedicht weg te moffelen; de naziclichés zijn er overduidelijk in aanwezig: het ‘Rijk’, het ‘duizendjarig werk’, de ‘groote taak’, de ‘blonde zonen’. Maar wel wil ik het in een psychologisch kader plaatsen, dat de altijd onbewust blijvende dieptestructuur aanduidt, die zich dan enten kan op bepaalde actuele personen of gebeurtenissen. In een opstel over ‘Stalin in de literatuur’ heb ik o.a. een Stalingedicht van Marc Braet behandeld, waarin exact dezelfde psychische dieptestructuur werkzaam was. En die werkt los van de totaal verschillende politieke figuren. Je hebt de diepte (de Vatersuche in Freudiaanse termen) die zichzelf gelijk blijft, en dan de oppervlakte, die enorm verschillen kan naargelang de tijd en de omstandigheden.

De tweede strofe kun je in twee delen splitsen: er is eerst weer het oproepen van een idyllische atmosfeer: een kind dat met een schaap speelt. Je waant je even in een achttiende-eeuwse herderszang. Maar de verhouding tussen de dichter en zijn kind zijn enkel het spiegelbeeld van de veel grotere verhouding tussen de dichter en zijn ideale Vaderbeeld: zoals de dichter tegenover de Führer staat, zo zou zijn eigen kind tegenover hem moeten staan; ook hij wil een ideale vader zijn voor zijn kind, in een ideale, harmonische omgeving: Rijk en avondpad vallen a.h.w. samen, het laatste is enkel een kleiner deel van het grote geheel.

Die idylle, die harmonie zonder enige breuk, zonder enige dissonant wordt nog sterker opgeroepen in de derde en laatste strofe, die weer een vergroot spiegelbeeld is van de leefomgeving van de dichter zelf, zoals die even opgeroepen werd in de tweede strofe. Weliswaar speelde dat zich op het platteland af en dit ‘in een kleine stad’, maar het adjectief duidt al aan dat het verschil niet al te groot is. Die kleine stad moet Marburg an der Lahn zijn, waar de Belder in 1935/36 op instigatie van Ernest van der Hallen enige tijd kunstgeschiedenis studeerde. Of hij daar inderdaad een bezoek van Hitler meemaakte, weet ik niet. Maar dat hoeft uiteraard niet.

hitler_met_kinderen

En ook in deze strofe treedt de Führer weer op als ideale Vaderfiguur, deze keer echter niet ten opzichte van de dichter zelf, maar wel tegenover de kinderen van het stadje: de meisjes met bloemen die komen toegelopen, de knapen die liederen zingen, en tenslotte de moeders die hun jongste spruit tonen. De vaders zijn in dit beeld totaal afwezig. Uiteraard, want die rol heeft de Führervader zelf volledig ingenomen. Het voorbeeldige van de Vader wordt nog eens benadrukt door hem met een heilige te vergelijken. En het gedicht eindigt zoals het begonnen was, met de evocatie van het licht, dat van de Vader uitgaat. Men weet dat God de Vader en ook heiligen vaak werden afgebeeld met een stralenkrans rond het hoofd, en dat Christus in vroege christelijke iconografie vaak samenviel met de Zonnegod.

Een enkele keer slechts klinkt, voor een ogenblik maar, een andere toon op: in de tweede strofe is sprake van een ‘vijand, een ‘onheilstichter, die bedreigd U had’. Maar dat is zo vaag en zo nietszeggend; op geen enkele, directe of indirecte manier wordt ook maar gesuggereerd wie die zgn. vijand zou kunnen zijn. Vermoedelijk wist de Belder dat zelf niet, want hij lijkt me niet echt het type geest te zijn, dat vijanden had, laat staan nodig had. In de bijt die heel die martiale beweging die DeVlag was, moet hij een heel vreemde eend geweest zijn. Eerder een lelijk jong eendje, vrees ik. Hopeloos op zoek naar een Vader-eend.

Het lijkt me zonder meer duidelijk dat de dieptestructuur die we in dit gedicht vinden volkomen parallel loopt met die uit het vorige, aan Ernest van der Hallen gewijde gedicht. Het derde gedicht dat ik hier wil behandelen, en dat ook Brems volledig aanhaalt en summier bespreekt, zal daar maar amper van afwijken. Hier wordt dezelfde psychische dieptestructuur geënt op de persoon van Maurice Gilliams.

Meester en dienstknaap

(aan Maurice Gilliams, 1974)

De meester tot de dienaar sprak:
dit is het boek en dit het woord,
de kleur, de zin en dit de toon,
het hart, ’t geheim en dit de droom
waarin ik woon.

Toen nam de meester ’s dienaars hand
en leidde hem tot bij het raam:
Dit is het land, waarin voortaan
gij, zoals ik, herom kunt gaan
en gij bestendig blijven zult.

Dit land vol rilde bomen staat
rond een wit landhuis (waarin Elias
en speelse knaap en stille dromer was
en van ’t verdriet der nachtegalen nooit genas).

En om dit huis, veraf of dichterbij:
een oude toren langs een vestingwal
waarin een dichter jarenlang verkwijnt,
een klein kasteeltje in een wijngaarddal
waarin een dichter eenzaam brieven schrijft,
een droevig graf, nabij een waterval,
waarin een dichter en zijn eeuwigheid.

En ginder ook: een tempeltje van goud
waarin een dichter woont, een mandarijn
die, op zijn beurt, en dichterspijn
en zacht solaas voor u zal zijn
én oponthoud.

Toen zei de knaap: uw boek, uw woord,
uw huis, dit land, uw zin, uw droom
gaven reeds lang mijn hart zijn toon.
Laat mij de trouwe dienaar zijn
die bij u woont.

Sindsdien verblijft hij in het land
der dichters en der eeuwigheid.

De dienaar ik, de meester hij.

Van de drie hier kort besproken gedichten is dit het recentste: het werd blijkbaar geschreven voor een Gilliams-nummer van het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort, in 1974. Dat is dus enkele jaren voor de dood van de Belder. Je zou dus mogen verwachten dat de dichter hier meer afstand kan nemen van zijn thema, dat zijn betrokkenheid bij de gestorven vriend gefilterd werd door de tijd, door het feit dat hijzelf inmiddels volwassen geworden is en vader van vier zonen.

Bron: Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

Maurice Gilliams -Bron: Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

Dat is inderdaad ook zo. Dat moge al blijken uit de afwisseling tussen de verleden tijd en de tegenwoordige tijd, die in het gedicht gebruikt worden: enerzijds herdenken van wat geweest is, anderzijds oproepen van wat uit dat verleden gebleven is. Daardoor verkrijgt het gedicht ook een universele lading die de andere twee minder hebben. En ook is er niet meer direct sprake van een vader-zoon-verhouding, maar wel een van meester tegenover dienaar. Maar psychoanalytisch gezien komt dat op hetzelfde neer. En wie goed leest, merkt al snel, dat die dienaar een ‘knaap’ is, een ‘dienstknaap’ in de titel, en gewoon een ‘knaap’ in de voorlaatste strofe. Een knaap is uiteraard een kind, en de verhouding is dus ook hier weer een tegenover een Vaderfiguur, die hier dan ‘meester’ genoemd wordt.

In drie cursief gezette passages is die ‘meester’ zelf aan het woord: en zoals een vader geacht wordt zijn kind wegwijs te maken in de wereld, zo tekent de ‘meester’ hier de weg, de omtrekken, de ruimte van wat het leven van de ‘knaap’-dienaar zal gaan uitmaken. Vooreerst het boek en het woord, die voor de estheet Gilliams de kern van zijn leven uitmaakten. De dienaar wordt opgeroepen hem daarin te volgen: “gij, zoals ik” zegt de meester letterlijk. Vervolgens het landschap, het land, waarin de dienaar leven zal, zijn werk zal volbrengen.

Dan volgen twee strofen waarin geen cursief voorkomt, maar waarin de dichterlijke ik zelf aan het woord is. Hij beschrijft de ruimte waarin hij leeft, en die weeral een sterk idyllisch karakter heeft, naast licht romantische (de toren, het kasteeltje, een dal – men waant zich in Eichendorff). De ‘toren’ doet natuurlijk denken aan Gilliams, bij wie het begrip ‘ivoren toren’ wel past. Maar er is een directere verwijzing naar Gilliams, wanneer de dichterlijke ik ‘Elias’, de knaap die hoofdpersoon is van Gilliams’ belangrijke roman Elias of het gevecht met de nachtegalen, oproept. Het is alsof de dichter zich even vereenzelvigt met deze dromerige knaap, waarin Gilliams veel van zijn eigen kindertijd geprojecteerd heeft. Zoals Elias metaforisch gezien een ‘kind’ van Gilliams is, zo wenst ook de dichterlijke ik datzelfde te zijn.

Na nog een strofe in cursief, waarin de ‘meester’ verder de weg wijst, komt er een antwoord van de ‘knaap’ zelf: ‘Laat mij de trouwe dienaar zijn/die bij U woont.’, zo stelt hij in een onderworpenheid die bijna op een lichte vorm van masochisme zou kunnen wijzen. En dat die verhouding voor de eeuwigheid gedacht is, wordt niet enkel aangetoond door het gebruik van dat woord in de vierde en de zevende strofe, maar meer misschien nog door het apodictische strofevers waarmee het gedicht afsluit, en dat met evenveel recht als volgt zou kunnen luiden: “De (zoon ben) dienaar ik, de (vader) meester hij.”

000

Drie gedichten, drie keer het oproepen van een Vaderfiguur. En toch zijn dit bijna absolute uitzonderingen in het dichterlijke oeuvre van de Belder. Daarnaast komen nog enkele gedichten voor die aan vrienden gewijd zijn, maar daar speelt deze thematiek niet. En God (de Vader bij uitstek) is eveneens grotendeels afwezig. Ook dat valt op bij een katholiek, en meer algemeen zeer religieus dichter. De naam ‘God’ wordt in enkele gedichten vermeld, maar zonder verdere specificatie. Enkel in het gedicht ‘Een weinig roem wellicht’ komt hij expliciet voor, en daar speelt hij inderdaad de Vaderfiguur, waar de dichter ootmoedig naar opkijkt en waaraan hij zich zonder protest aan onderwerpt: “Ik zal mijn voorhoofd buigen. God zal richten/bepeinzend dat Hij mij een eenzaam leven gaf.”

Hoe deze verdere afwezigheid van de Vader te verklaren? Lacan onderscheidt drie verschillende vaderfuncties, die elkaar gedeeltelijk overlappen.

Er is vooreerst de werkelijke vader, van vlees en bloed. De houding van deze vaderinstantie (die overigens niet noodzakelijkerwijze de verwekker van het kind hoeft te zijn) tegenover het kind bepaalt voor een groot deel zijn latere leven wat betreft diens houding tegenover vrouwen en mannen. Zeker wanneer er in het identificatieproces, en later in het losmakingsproces iets misgaat, kan dat psychische gevolgen hebben die min of meer uitgesproken kunnen zijn. Over de Belders werkelijke vader heb ik nergens iets terug kunnen vinden, tenzij in de toespraak die de Belder zelf rond zijn zestigste hield toen hij op 1 juni 1980 in zijn geboortestad Lier gehuldigd werd. Daar sprak hij o.a. over zijn beide ouders, maar voor wat de hier behandelde thematiek betreft, brengt die tekst niets nieuws of wezenlijks, hij blijft aan de oppervlakte. Een biografie van de Belder bestaat niet, en in de weinige secundaire literatuur wordt nooit ingegaan op zijn verhouding tot zijn ouders.

Toch zou dit door hem aangehaalde feit misschien in deze context wél betekenisvol kunnen zijn: “Bij de telkens terugkomende teksten hoorde ook de litanie van de H. Maagd. De stoet van sublieme beelden die daarbij telkens doorheen mijn luisterende en toegespitste verwondering en bewondering trok (…) moet me toen even fel geraakt en ontroerd hebben als later o.m. series imponerende figuren of symbolen uit het oeuvre van een Puvis de Chavanne of een ander Pre-rafaëliet.” (Huldiging J. L. de Belder – Lier 1 juni 1980, uitgegeven door Jan Uytterhoeven, Davidsfonds, Lier, 1981, p. 47). Maar dan wel eerder wat zijn houding tegenover het vrouwelijke betreft.

De tweede figuur die Lacan onderkent is de imaginaire vader. Het is deze vaderinstantie die mijns inziens op de eerste plaats optreedt in de drie hier behandelde gedichten, op de sterkste plaats in de ‘Ode’. Het kind projecteert zijn fantasie over een almachtige vader (zeker de Führer, die ‘heilige’ genoemd wordt en daardoor bijna goddelijke trekken krijgt) op reëel bestaande figuren. Dat kan m.i. enkel wanneer er een breuk heeft plaatsgevonden, op de een of andere manier, met de werkelijke vader. In de secundaire literatuur treedt die, zoals gezegd, amper op; hij wordt wel vermeld, maar op een zeer summiere wijze. En na het begin van de jaren dertig helemaal niet meer. Zou het kunnen dat hij toen gestorven is? Ik weet het niet. Wel begint op dat ogenblik Ernest van der Hallen de rol van een vaderersatz te spelen.

“Si, par certains de ces aspects, ce Père imaginaire peut être source de souffrances, névrotiques ou masochistes notamment, il n’est pas sans effets bénéfiques dans la mesure où il donne du poids au Père symbolique et protège ainsi l’enfant des effets ravageants de l’image de la Mère archaïque toute-puissante.” (Dictionnaire internationale de la psychanalyse, lemma ‘Père réel, imaginaire et symbolique).

Ongeacht welke in dit citaat vermelde gevolgen bij de Belder zijn opgetreden, is deze tekst wellicht een sleutel voor een ander feit dat in het geheel van de Belders poëzie onmiddellijk opvalt: zoals de Vader en het mannelijke in het algemeen op enkele uitzonderingen na afwezig zijn, zo zijn het vrouwelijke in het algemeen en soms de moeder manifest aanwezig in dit oeuvre, van het begin tot het einde, direct of indirect. Het is werkelijk éen van de hoofdthema’s in deze lyriek. Ook het landschap, dat een tweede hoofdthema is, kan daarmee in verband worden gebracht; vaak is het een aspect van het vrouwelijke, in die zin dat de dichter er even sterk in kan opgaan, zich er even sterk in kan verliezen als in het vrouwelijke.

Zo zijn er wel twee moedergedichten, éen dat ‘De moeder’ heet, en een ander dat geen titel draagt (‘Geen die zo zacht als gij…’ uit Avondverzen II), maar geen enkel gedicht voor of over de lijfelijke vader. Maar vooral de beminde(n) spelen een zeer grote rol; meestal is daarmee de verloofde, en later echtgenote van de dichter bedoeld, ook expliciet, maar veel vaker bereikt hij een universaliteit in deze liefdespoëzie die het persoonlijke ver overstijgt. Het gedicht ‘Maar altijd zal…’ eindigt met het vers: “en ’t kindermondje zoekt de borst steeds van de eeuwige moeder.”

Maar het analyseren van dit vrouwelijke aspect in de Belders poëzie vergt een afzonderlijk opstel, waarin misschien de vraag centraal zou kunnen staan in hoeverre het beeld van de beminde overeenstemt met het beeld van de moeder. Bij de vrouw is er altijd van overgave, zelfverlies zelfs soms, passiviteit en zelfs onderdanigheid sprake; maar ook van dichtbijheid die niet verstikkend werkt. Terwijl de Vader geprojecteerd wordt in transcendente hoogten, die onbereikbaar blijven.

000

Ik ben dit opstel begonnen met een verwijzing naar het opstel van Elke Brems over Gilliams verdedigingsschrift voor de Belder. Je vraagt je af of Gilliams het niet beter over een andere boeg, met name de psychologische gegooid had. Maar ik vrees dat dat totaal ingedruist zou hebben tegen de aard van Gilliams, voor wie een gedicht, een tekst een artefact was, waar de persoonlijkheid van de dichter niets meer mee te doen zou moeten hebben. Vandaar zijn poëticale en literairhistorische uitgangspunten. Maar misschien zou, gelet op de context toen, noch het ene noch het andere enige invloed hebben gehad op de beslissing van een rechtbank, die met weinig of geen verzachtende omstandigheden rekening hield.

Tenslotte nog dit. Brems’ voetnoot 28 luidt als volgt: “In de verzamelde gedichten van De Belder stopt dit gedicht na regel 21 (na ‘eeuwigheid’).” Brems doelt op de eerste uitgave van de Verzamelde gedichten (Orion, Brugge, 1975). Het leven van hoogleraren is onnoemelijk zwaar; niet alleen moeten ze lessen voorbereiden en die dan ook nog doceren, daarenboven worden ze onderworpen aan een publicatiedwang die bij wijle ziekelijk lijkt en alleszins niet bevorderlijk is voor kwaliteit. In die omstandigheden kan zelfs het simpele omslaan van een blad een onoverkomelijke taak worden.

Anders had Brems deze voetnoot niet hoeven te schrijven. De rest van het gedicht staat nl. eenvoudigweg op het volgende blad (pp. 245-246). En als zij de tweede uitgave (Nioba Uitgevers, Antwerpen, 1987) gebruikt had ware het nog gemakkelijker geweest: daar staat het gedicht op de bladzijden 258-259, en daar hoefde dus niet eens een bladzijde omgeslagen te worden. Veel werk gespaard dus.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zes + tien =