12.01.15 – Johannes R. Becher

| Geen reacties

Tijdens mijn studententijd heb ik één kleine bloemlezing met gedichten van Johannes R. Becher gelezen, een boekje van een honderdvijftigtal bladzijden, waarin de inleiding even veel plaats innam als de teksten van Becher zelf. Ik herinner me daar amper nog iets van, tenzij dat het me niet aansprak.

Daarna heb ik Becher beschouwd als een orthodoxe partijdichter van de slechtste soort.

Hoe een mens zich kan vergissen!

becherEen ander, een veel accurater beeld van hem kreeg ik pas toen bijna twee decennia geleden inmiddels de grote biografie van Becher van de hand van Jens-Fietje Dwars verscheen (Abgrund des Widerspruchs; das Leben des Johannes R. Becher, Aufbau Verlag, Berlin, 1998). Een (dubbel)zelfmoordenaar, een Godzoeker, een communist, een apparatschik, noem maar op, je vindt het allemaal in zijn leven terug. Begonnen was hij als expressionistisch dichter, en daarin lijkt hij mij het meest verwant met Werfel. Maar al vlug is hij poëzie in klassieke vormen gaan schrijven, ook natuurlijk onder invloed van de in communistische kringen heersende poëtica, die vanaf een bepaald ogenblik alle uitingen van modernisme veroordeelde.

In de jaren dertig vluchtte hij naar Moskou, en in 1945 al keerde hij naar Berlijn terug, samen met Ulbricht, Pieck en andere bonzen van wat toen nog de KPD heette. Hij had het verblijf aldaar overleefd. In 1954 werd hij zelfs minister van cultuur van de DDR, terwijl hij ook lid bleef van het Centraal Comité, eerst van de KPD, dan van de SED.

Het is rond die tijd, eerste helft van de jaren vijftig dus, dat hij het volgende gedicht schreef, waarin hij op een sterke wijze de gespletenheid weergeeft van een communistische banneling in het Moskou van de tweede helft van de jaren dertig:

 

In Licht und Finsternis 

Zur höchsten Menschenwürde sich erhebend,
Ein ganzer Mensch und überlebensgroß,
Zugleich erniedrigt, zitternd und erbebend
Vor Ängsten nächtlich, nichtig, würdelos:

So haben wir gelebt in jenen Jahren.
Wir wuchsen auf zu einer Übermacht
Und waren machtlos, wie wir niemals waren,
Denn keine Macht half uns vor dem Verdacht:

Ein jeder war dem anderen verdächtig,
Ein jeder war des anderen ungewiß,
– So hoch gestiegen und so niederträchtig! –

War unsre nicht die größte der Epochen?
Und wessen Tür wird heute Nacht erbrochen?
So lebten wir in Licht und Finsternis.

Ik heb de totale verscheurdheid (‘Abgrund des Widerspruchs’ zoals Dwars zijn biografie terecht en accuraat noemt) die sommige bannelingen aldaar jarenlang in de greep heeft gehouden, zelden zo krachtig uitgedrukt gezien. Dat het over Moskou gaat en dat ‘jenen Jahren’ inderdaad de bannelingsjaren aldaar aanduiden, blijkt niet expliciet uit het gedicht, maar eenieder die het leven van Becher kent, en die iets afweet van de toestanden toen in de Sovjet-Unie, weet direct dat het daarover gaat.

Die verscheurdheid blijkt uit een aantal scherpe tegenstellingen die opgeroepen worden. In de eerste strofe die tussen de grootheid van de menselijke waardigheid, waar de Sovjet-Unie voor stond, en die de Sovjet-Unie wou zijn, en de praktijk van de angst, het gevoel een waardeloos radertje te zijn in een machine die je op geen enkele manier kon beheersen.

Dat feit van geen enkele zeggenschap of invloed te hebben op je eigen lot komt in de tweede strofe tot uiting, waar enerzijds de overmacht van de Sovjet-Unie opgeroepen wordt, en daartegenover dan de diepe machteloosheid van de kleine individuen die ‘zij’ waren. De dichter spreekt inderdaad in het meervoud, over ‘wir’ en ‘uns’. Historisch klopt dat uiteraard volkomen; er waren vele bannelingen in de Sovjet-Unie toen, en velen van hen, ook vooraanstaande communisten hebben het niet overleefd. Terzelfdertijd schept hij door het gebruik van dit meervoud afstand.

In vers twee en drie worden dus ‘Übermacht’ en ‘machtlos’ tegenover elkaar gesteld, in het laatste vers ‘Macht’ en ‘Verdacht’. Deze tegenstelling wordt dan verder uitgewerkt in de eerste terzine, waarvan de eerste twee verzen klinken als een verre echo van Hobbes’ omschrijving van het beginnende kapitalisme als een oorlog van allen tegen allen. Het laatste vers van de terzine sluit daarbij aan en ook weer niet: enerzijds immers was de Sovjet-Unie, haar leiding en bevolking inderdaad ‘so hoch gestiegen’: zij waren een lichtbaken voor alle onderdrukten ter wereld en zouden wat later het beste leger ter wereld verslaan ten koste van 26 miljoen doden; anderzijds echter was datzelfde regime blijkbaar door en door laaghartig, gelet op de even eerder beschreven angst als bestendige begeleider.

In de eerste twee verzen van de laatste strofe wordt even verder gefocust op die twee elkaar bijna uitsluitende tegengestelden: de grootste der tijdperken, zo werd de opbouw van het socialisme in de Sovjet-Unie inderdaad door velen gezien, op de eerste plaats natuurlijk door zij die niets hadden dan hun arbeidskracht, maar ook door vele intellectuelen. Maar het vraagteken aan het eind van dat vers is natuurlijk ook veelbetekenend: was het wel zo, klopte dat beeld wel?

In tegenstelling tot de algemene vraag in dat eerste vers, is de vraag van het tweede vers veel concreter en individueler: ook uit andere bronnen weet ik dat de politie en de veiligheidsdiensten liefst snachts kwamen ‘aankloppen’ om verdachten aan te houden. Die dan in de meeste gevallen niet meer terugkeerden. Het vraagteken waar dit tweede vers mee eindigt, heeft een andere betekenis dan dat van het eerste vers. Daar werd gevraagd of het inderdaad het belangrijkste tijdperk was, waarin de dichter leefde. Hier wordt ervan uitgegaan, dat hoe dan ook een deur open gebroken zal worden, de enige vraag die rest, is: wiens deur.

Het bilan is dus veel eerder negatief dan positief. En toch eindigt de dichter met een eerder positieve, of, als men wil, neutrale noot: we leefden in licht en duisternis. Eerder dan een vorm van manicheïsme zou je hierin een vorm kunnen zien van de marxistische dialectiek, die immers oplegt steeds beide zijden van een probleem te zien. Misschien ook voelde Becher zich daartoe verplicht.

becher1Rond dezelfde tijd schreef Becher ook enkele gedichten aan Stalin; ik heb die in mijn opstel over ‘Stalin in de literatuur’ niet aangehaald, omdat ze amper verschillen van de andere, behalve door hun lengte wellicht. Dat was de openbare Becher, de cultuurbons en minister; en bovenstaand gedicht is de private Becher, de mens, de vertwijfelde die een evenwicht zoekt, dat hij blijkbaar nooit gevonden heeft.

Het gedicht heb ik uit een boekje, samengesteld door Bechers biograaf, dat Wolkenloser Sturm, Ahrenshooper Gedichte (Edition Ornament, Jena, 2004) heet, en waarbij de gedichten samengaan met mooie foto’s van het landschap aan de Oostzee.

Een fascistisch dichter die op dezelfde manier verscheurd is, en die op een gelijkaardige wijze (zij het slechts gedeeltelijk) afstand zou nemen van een bepaalde praktijk, en die zijn opvattingen kritisch onder de loep zou nemen, is mij niet bekend.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


elf + 8 =