08.01.15 – Rob Goswin, dichter en vrijmetselaar

| Geen reacties

Er is een tijd geweest, lang, lang geleden, op de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw dat de Nederlandse Parnassus quasi helemaal bevolkt werd door vrijmetselaren. Het was gemakkelijker hen op te sommen die dat niet waren (Bilderdijk en zijn leerling da Costa voornamelijk) dan hen die het wel waren. En zij hadden er geen enkel probleem mee voor hun lidmaatschap van de orde uit te komen en specifiek maçonnieke gedichten in hun werken op te nemen. Kinker bv. nam in het derde deel van zijn ‘Gedichten’ meerdere expliciet maçonnieke gelegenheidsstukken op.

Sindsdien zijn er nog heel wat dichters en schrijvers lid van de orde geweest, en binnenkamers hebben zij af en toe ook wel eens een maçonniek gedicht gepleegd. Maar zij zijn daar zelden of nooit, eerder nooit meer mee naar buiten gekomen. Ik denk bv. aan Daisne, aan Herreman, aan Andreus. Ook onder de hedendaagse nog levende schrijvers zijn er vrijmetselaren, maar ook zij komen met hun maçonnieke werk niet naar buiten. Zo is de poëziebloemlezing Onder de acacia enkel binnen de loges verspreid.

goswin-1 klIn die bloemlezing stonden ook enkele gedichten van Rob Goswin, die met zijn bundel Niet elke steenkapper is een vrijmetselaar, maçonnieke gedichten (Uitgeverij Kramat, Westerlo, 2014) dus wel expliciet in de openbaarheid treedt als vrijmetselaar-dichter, en wel op een zeer uitdrukkelijke wijze, want op de achterflap staat een foto van hem in vol ornaat, met de kraagband en het schootsvel van Soeverein Prins van het Rozenkruis (de 18de graad) om.

Ik zou hem niet meer herkend hebben. Begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw, heeft Michel Bartosik mij aan hem voorgesteld, in de Vécu was dat; of we toen een gesprek gehad hebben, weet ik niet meer. Misschien heb ik hem ook nog eens ontmoet op de een of andere redactievergadering van Impuls, maar ook dat ben ik vergeten. Wel heb ik in die tijd enkele van zijn dichtbundels gelezen, want die jaren zeventig waren wel zijn productiefste periode; in de jaren tachtig en negentig verscheen er telkens nog één dichtbundel van hem – toch waarvan ik weet heb –  en daarna blijkbaar niets meer tot aan deze omvangrijke bundel maçonnieke poëzie.

goswin-2 klDat maçonnieke aspect maakt ook de eenheid uit van de bundel. Goswin is altijd een min of meer hermetisch dichter geweest, en hier is dat niet anders, ook al is dat in vergelijking met vroeger wel wat afgezwakt. Het hermetische karakter van dit boek zal vooral tot uiting komen als de zo typische symboliek van de vrijmetselarij, en wordt slechts aangevuld door persoonlijke verwijzingen, die niet direct gevat kunnen worden: zo wordt regelmatig verwezen naar een ‘open raam’ (pp. 105-107 in de titel al, maar ook elders in de tekst), dat op de eerste plaats verwijst naar de werkplaats van het Grootoosten, waar Goswin vooreerst ingewijd werd; maar het wordt in zijn poëzie meer dan dat: een metafoor nl. voor wat hij in deze bundel zelf doet: naar buiten treden, een inkijk bieden in het maçonnieke leven van hemzelf en zijn broeders en zusters.

Het is trouwens over ’t algemeen zo, dat ook de niet-maçonnieke lezer de symboliek wel volgen kan. Zo hebben de zon en de maan binnen de vrijmetselarij wel een specifieke betekenis (beide komen voor op de logetapijten van de eerste graad, en zij hangen, al dan niet verlicht naar gelang het rituaal, aan de muur in het oosten, achter de zetel van de achtbare meester). Maar uiteraard hebben die beide ook een algemeen-symbolische betekenis, die trouwens niet zo erg afwijkt van de maçonnieke. Boucher en/of Bayard erbij halen om dieper op dat symboolgehalte in te gaan, kan wel degelijk helpen, maar is niet strikt nodig.

De bundel bestaat uit vier afdelingen, waarvan de laatste de titel aan het hele boek gegeven heeft; die laatste afdeling is ook de omvangrijkste, en ze vertoont het meest afwisseling: kortere en langere gedichten komen voor, en ook de motieven wisselen af.

De eerste afdeling heet ‘De Tempel’ en bevat twee dialoogteksten in poëtisch proza. Beide dialogen zijn duidelijk ritueel gedacht, en kunnen dus in de tempel opgevoerd worden. Het rituele blijkt vooreerst uit het anaforische karakter van de teksten: elk deel van de dialoog begint ofwel met ‘tempel’ ofwel met ‘gij’; aan het woord zijn een meester (die voor de tempel als geheel staat, d.i. de gemeenschap der broeders) en een leerling. Opvallend is het gebruik van retoriek in deze dialogen, waarvan elke tussenkomst, na de anafoor, voornamelijk bestaat uit een reeks metaforen, waarna dan een oproep volgt tot respectievelijk de leerling of de tempel. Eén voorbeeld: de leerling is aan het woord:

“Tempel van de Graal, biechtstoel van kreupele ridders, praalgraf van vermoorde pelgrims, reis en razernij voor het medium van de middelmatigheid, help mij in mijn slaap van onmacht, open mijn ogen voor de wereld die mij belaagt, verleen mij de gave tot bekwaamheid, maak mij een ziener, open mijn hart en scheur mij aan flarden.” (p. 12)

Dit lijkt al een beetje een scheldpartij, maar dat is het niet. Ook andere clausen zouden zo gelezen kunnen worden, maar binnen de context van een tempelzitting zijn het eerder oproepen om diep in zichzelf te kijken en alle wereldse gedachten en bedoelingen af te leggen. Een tempelzitting is een sacrale zitting tenslotte. ‘De tempel 2’ is een poëtische monoloog van een leerling, die verder dezelfde structuur vertoont als de eerste tekst. Soms vergaloppeert Goswin zich wel een beetje, bv. wanneer hij de ‘zuster boven vrouwen’, ‘engel van tederheid’ noemt (p.15). Later gebeurt dat ook nog wel eens, bv. wanneer hij het over de ‘vulva van het Voorgeborchte’ (p. 100) heeft. Maar gelukkig komen zulke overdreven en licht lachwekkende metaforen niet vaak voor. In deze teksten komen wel wat elementen voor (zwaarden, ridders, gulden snede, bedelstaf enz.) die waarschijnlijk op de eerste plaats enkel door vrijmetselaren ten volle begrepen kunnen worden.

Dat is al veel minder het geval voor het tweede deel dat ‘Michel Oukhow (1926-1997)’ heet, en dat één lange combinatie is van een eulogie en een elegie voor Oukhow, een lofdicht dus en een treurdicht voor de afgestorvene. Deze afdeling telt slechts twee gedichten, die overigens beide eerder gepubliceerd werden. Het eerste is een eerder kort gedicht, waarvan het einde (‘geen dingen/Gaan aan ons verloren’ – p. 25) een verre echo lijkt van een vers van Jan de Roek (‘niets gaat ooit verloren’). Het tweede is weer eerder een poëtische prozatekst, waarin de kracht van de emotie die eraan ten grondslag ligt duidelijk voelbaar is; wellicht werd het gedicht expliciet geschreven als afscheid van een vriend. De tekst is zeer gedragen, en Goswin schuwt zelfs de uitroep ‘o’ niet: niet minder dan enentwintig keer komt hij voor; je moet maar durven in de huidige poëtische constellatie. Het neemt mij in elk geval voor de dichter Goswin in, want zijn ontegensprekelijk pathos wordt nergens in dit lange gedicht tot pathetiek; dat moet je maar kunnen. Eén strofe eruit:

“Mijn zoon, je dwaalt, je Melkweg is een oord van
duisternis, je hart een tuin zonder tederheid.
En in de wenteltrap van de argeloze liefde ik
leerde de taal van de Dubbele Waarheid, o grandioze
vriend Hubert Dethier, o lieve zuster Paula, o lieve
broeder Eddy. Laten wij één worden in zijn hoofd.” (p.27)

Ook de bezwerende herhaling van de oproep ‘laten wij’ in de laatste strofen maakt hier een zeer direct aansprekend gedicht van, dat de lezer bij de keel kan grijpen. Maar daardoor kun je ook stellen dat het eigenlijk elegische van het gedicht overwonnen wordt en overgaat in een hymne, en door het vaak extatische van de oproep zelfs in een dithyrambe.

Het derde deel bevat zeven gedichten die werden overgenomen uit de vorige bundel van de auteur, Heer Thorax of de opstand van de kinderen uit 1997, maar zij krijgen hier hun definitieve plaats. Daar maakten zij als uitgesproken maçonnieke gedichten deel uit van een veel breder geheel, terwijl hun eigenlijke nieuwe plaats uiteraard hier is, in deze maçonnieke bundel. In het derde en vierde vers van bovenstaand citaat komt een inversie voor, zoals de lezer gemerkt zal hebben. Dat soort inversies is één van de stijlkenmerken van Goswins poëzie – en was dat al heel vroeg zoals ik me meen te herinneren. Wellicht is dat de invloed geweest van Pernath, die dat procedé eveneens veel gebruikte (Wilfried Adams heeft in zijn licentiaatsverhandeling, Mijn gegeven woord van Hugues C. Pernath, een syntaktische benadering (Leuven, eigen beheer, 1972) ettelijke bladzijden gewijd aan dat verschijnsel in die éne bundel (pp. 23-60)), meer nog dan Goswin waarschijnlijk. Enkele voorbeelden: “Van overal wij/kwamen en leerden.” (p.36); “In elke kubus ik kantel en wentel en reutel/en genees.” (p.40); “Van de voet van de zuilen ik herstel van de pijn.” (p.48).

Dit kenmerkend procedé komt enkel in de derde en de vierde afdeling voor, die kortere gedichten bevatten dan de lange teksten uit de eerste twee, én werkelijke gedichten i.p.v. het poëtisch proza dat de eerste afdelingen overheerst. Het is een procedé dat de aandacht trekt, de lectuur even stil doet staan omdat het een ongewone zinsbouw is; maar daardoor net wordt de aandacht van de lezer scherper gesteld.

De zeven gedichten in deze derde afdeling zijn van dezelfde aard als die in de vierde afdeling, die tevens de langste is, bijna honderd bladzijden, dat is twee derde van het boek. Al deze gedichten roepen de ‘arbeid’ in de tempel op, waarbij soms wel erg particuliere feiten aan bod komen, die de lezer, ook de maçonnieke lezer niet echt kan duiden. Daarbij wordt niet enkel gebruik gemaakt van de gangbare maçonnieke symboliek, maar ook de Noorse mythologie komt aan bod, en zeer zeker de alchemie: ‘Opus magnum of maçonniek liefdesgedicht’ heet een gedicht (p. 102), en het alchemistische proces wordt erin verbonden met de liefde tussen twee mensen, zoals ook in de alchemie aantrekking en afstoting een grote rol spelen. Dit is overigens het eenvoudigste gedicht van de hele bundel, samen met ‘Levenslang’ (p. 108), eveneens een liefdesgedicht.

Daarnaast komen ook nog treurdichten voor, waarschijnlijk voor gestorven broeders, maar het pathos daarin is minder sterk dan in het Oukhow-gedicht uit de tweede afdeling. Misschien was Michel Oukhow een van de peters van Goswin bij Open Raam? Hoe dat ook zij, het valt op dat Goswin geen onderscheid maakt tussen zusters en broeders, ook al was, c.q. is hij lid van mannelijke obediënties, eerst het Grootoosten, nu de Reguliere Grootloge. Ik wil het laatste gedicht van de bundel nog citeren, in zijn geheel deze keer. Het is opgedragen aan Eli Peeters, die de vorige Grootmeester van de Reguliere Grootloge was:

DE KONINGIN VAN SHEBA

Voor Eli Peeters

‘Let er niet op dat mijn huid donker is, dat de zon
Mij heeft verbrand.’ (Hooglied 1,2)

Het eenzame graf dat raaskalt en struikelt in stilte
en nu het vuur van verlangen koestert. Vroeger huisde
hier de grootste liefde, de mantel van de Tempelliefde.
En plotseling het meedogenloze verdict: zij, de koningin
van zijn familie, werd de toegang ontzegd.

Met een katheter werden haar aders naar zijn Tempel in
ijltempo doorgesneden. Zij, zijn echtgenote, zijn enige liefde,
zijn enige minnares maar ook Zijn Zuster, werd verbannen
naar haar eigen Werkplaats. Wat gelijk was, werd opnieuw
ongelijk. Wat harmonieus was, werd chaos. Orde in de chaos.

Mijn lieve Broeders, in onze queeste naar het bouwen
van de Tempel der Mensheid vergeten wij één ding: hoe
donker zij ook was, ze bleef zijn koningin. Laat ons niet
de dochter van Kédar, echtgenote van Salomo, doen zeggen:
“Want waarom zou ik rijk zijn als een gesluierde bij de kudde
van uw makkers?”

Laat ons vrije Vrijmetselaars zijn.”

Een oproep dus (‘laat ons…’), zoals die wel vaker voorkomt in deze poëzie, waarin niet enkel de medebroeders, maar ook de lezer zelf rechtstreeks aangesproken, aangespoord wordt. Maar het is een oproep in het ijle, want vrijmetselaars zijn uiteraard niet vrij, omdat het ook maar mensen zijn; en voor velen is de erkenning door het maçonnieke Vaticaan in Londen veel belangrijker dan wat dan ook, zeker het toelaten, weze het enkel als bezoeksters, van zusters in de tempel.

Rob Goswin heeft met dit boek in elk geval een unieke dichtbundel gepubliceerd, die op de eerste plaats de vrijmetselaren zal aanspreken, maar die breed en rijp en diep genoeg is om ook anderen iets te zeggen. Jammer dat kleine uitgeverijen zoals Kramat geen redacteuren in dienst hebben, die zou de auteur hebben kunnen behoeden voor enkele uitglijders, gelukkig niet veel. Desondanks blijft het een meer dan lezenswaardige bundel, waarin we zowel de oude Goswin uit de jaren zeventig herkennen als een nieuwe Goswin.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


20 + 4 =