20.12.14 – Het Hout

| Geen reacties

brouwers-houtRomans à thèse ofte tendensromans hebben een slechte naam; meestal worden ze geassocieerd met het zgn. ‘socialistisch realisme’, de officiële kunstdoctrine van de voormalige Sovjet-Unie; maar ze kunnen even goed geassocieerd worden met de liberaalfascistische romans van Ayn Rand, alleen is die natuurlijk in overeenstemming met de heersende sociaal-economische doctrine, en dus noemt niemand haar.

Maar is die slechte naam wel terecht? Hét voorbeeld van een sociaal-realistische roman is wellicht wel De moeder van Maxim Gorki, en behalve de gewone rabiate antilinksen zal wel niemand bestrijden dat dit een meesterwerk is. Wat uiteraard niet gezegd kan worden van àlle romans uit die school.

Maar ook andere romans bewijzen dat dit vooroordeel niet echt juist is. Zo bv. de recentste roman van Jeroen Brouwers, Het Hout (Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2014), die je zonder veel problemen een ideologische roman kunt noemen in de zin van Susan Rubin Suleimans Authoritarian Fictions, the ideological novel as a literary genre, haar reeds enkele decennia oude doctoraat, dat nog steeds een basisboek is over deze soort romans. Maar Brouwers zou Brouwers niet zijn natuurlijk als hij er niet een eigen, persoonlijk boek van zou maken, dat weliswaar binnen dat genre past, maar het terzelfdertijd op alle manieren overstijgt. Brouwers is een te goede schrijver om zich aan al dan niet voorgeschreven modellen te houden, en als hij daar dan toch op een of andere manier in past, dan zorgt hij er wel voor er niet in te blijven steken, maar ze op een originele en authentieke manier toe te passen.

Het is niet mijn bedoeling deze roman volledig te gaan analyseren, al dan niet in het licht van Suleiman, maar ik wil wel aan de hand van enige hoofdcriteria van haar proberen te zien of en zo ja in hoeverre Brouwers’ boek daarvan afwijkt of ermee overeenstemt, en of we dus werkelijk met een ideologische roman van zijn hand te maken krijgen – waardoor hij zichzelf nog maar eens vernieuwd zou hebben.

Het eerste en wellicht belangrijkste criterium om van een ideologische roman te kunnen spreken is het optreden van een positieve en voorbeeldige hoofdpersoon ofte held. Is dat hier het geval?

Nee en ja.

Nee gedurende het grootste deel van de roman. Eldert Haman wordt leraar Duits benoemd in een school annex internaat dat door minderbroeders (Franciskanen) gerund wordt; langzaamaan wordt hij door dat instituut ingekapseld zodat hij uiteindelijk de orde zelf vervoegt en dus kloosterling wordt. Dat alleen al wijst erop dat we met een zwakkeling, een labbekak te maken hebben, iemand bijna zonder eigen wil, die zich schikt naar wat anderen voor hem beslissen. Toch is hij niet vrij van kritiek op wat hij rond zich waarneemt, voornamelijk de sadistische manier waarop sommige kloosterlingen (vooral éne Mansuetus) met de leerlingen, of met sommige leerlingen (ze weten er altijd de zwaksten uit te pikken om te tergen) omgaan. maar hij zwijgt, laat staan dat hij er iets tegen zou doen. In dat opzicht is hij dus het tegendeel van een positieve of na te volgen held. Enkel op het einde, in het laatste hoofdstuk komt hij in opstand: tijdens een bezoek van de bisschop aan het klooster en de school trekt hij, zoals Franciscus zelf het hem ooit in totaal andere omstandigheden voordeed, het overgrote deel van zijn kleren uit, laat die tijdens de plechtigheid in de kerk achter, en trapt het af, naar de vrouw die hij tijdens een tandartsbezoek heeft leren kennen en waarop hij verliefd geworden was. Op dat ogenblik wordt hij dus inderdaad de positieve held die van een ideologische roman verwacht wordt. Beter laat dan nooit, zullen we maar zeggen.

Sommigen zullen zeggen dat deze laatste scène eigenlijk totaal onrealistisch is. En daarmee zou ze volkomen in strijd zijn met een ander uitgangspunt van dit soort roman, nl. het werkelijkheidsgetrouwe karakter ervan. Maar eigenlijk is dat niet zo: zeker sinds hij Patricia leerde kennen voelt de hoofdpersoon de behoefte om zijn klooster te verlaten en in de ‘normale’ wereld terug te keren, maar labbekak als hij is blijft hij voortdurend twijfelen. In zo’n geval is het best denkbaar dat de beslissing genomen wordt in een opwelling, een soort paroxysme dus. En het is een schitterend geschreven scène, waarin Brouwers zijn hele kunnen samenvat.

Los daarvan is het realistische gehalte van de roman zeer groot. Hij speelt zich af in de jaren vijftig van de vorige eeuw, maar de beschreven toestanden heb ik zelf nog meegemaakt bij het begin van de jaren zestig, in het Klein-Seminarie van Sint-Truiden. Dat was een beetje een equivalent van het bekende Rolduc in Nederlands Limburg, waar Van Deyssel nog over geschreven heeft. Broeder Mansuetus, de ergste van de sadisten, heette in Sint-Truiden Gathy, en iets maar weinig minder erg was een zekere Baeten. In elk geval, de atmosfeer die Brouwers uit eigen ervaring beschrijft, komt grotendeels overeen met de werkelijkheid zoals ook ik die ervaren heb. Uiteraard hebben anderen die daar verbleven een andere ervaring, erger of minder erg. Dat alles is ook grotendeels subjectief. Maar in grote trekken is het door Brouwers geschetste beeld zeer adequaat. En het valt op dat hij helemaal niet overdrijft en de val van de karikatuur dus zeer goed weet te vermijden: het sadisme en het misbruik situeren zich bij enkele broeders, niet bij allemaal. Maar ze zwijgen natuurlijk allemaal wel, waarschijnlijk haben sie es nicht gewusst, wat in alle gevallen het beste voor hen is.

Het derde criterium voor een ideologische roman is de didactische aard ervan; de lezer wordt geacht lessen te trekken uit het geschrevene en die gebeurlijk toe te passen in het eigen leven. De antikatholieke tendens, het Voltairiaanse écrasez l’infâme, is zonder meer duidelijk: alleen al daarom mogen we inderdaad van een roman à thèse spreken. Het is geen toeval dat op het einde enkelen van de leerlingen broeder Bonaventura toejuichen en volgen wanneer hij zijn opstandige act volbrengt, en zodoende de hypocrisie, de afgronddiepe kloof tussen de leer van Franciscus en de praktijk van de Franciscanen achter zich laat. Hoe groot die kloof was blijkt uit het feit dat het grootste en dodelijkste concentratiekamp op Joegoslavische bodem, Jasenovac, mede geleid werd door een Franciscaner pater, Miroslav Filipovic, die zijn nazibroodheren in wreedheid ver overtrof. In nuce zijn dergelijke zaken ook al aanwezig in de katholieke kloosterscholen uit de jaren vijftig, zo stelt Brouwers het, en daar moet volgens hem tegen worden opgetreden.

Wat dat laatste betreft zou je kunnen zeggen dat het niet meer nodig is, omdat de katholieke kerk hier en nu gewoon dood is. Die oproep tot handelen dateert duidelijk uit de jaren zestig van de vorige eeuw toen Brouwers een jong auteur was en zich hier in Vlaanderen inderdaad bewoog in de kringen van jonge schrijvers rond de tijdschriften Mep, Totems, Daele etc. die, om het zacht te zeggen, een broertje dood hadden aan alles wat naar Rome rook. Iemand als wijlen Herwig Leus zal waarschijnlijk niet hebben kunnen slapen als hij die dag niet een pastoor verorberd had. Wat dat betreft is Het Hout eigenlijk al een historische roman. Suleiman had het over autoritaire fictie; en het is duidelijk dat Brouwers die vorm wel voor een groot deel gebruikt, maar dan om een totaal anti-autoritaire boodschap mee te geven aan de lezer: gooi alle kappen over de haag, laat je niet voorschrijven door welke autoriteit dan ook hoe je te denken en te handelen hebt, beslis voor jezelf en stel elke autoriteit in vraag. De boodschap van mei 68, zou je kunnen zeggen. Is die nog nodig? Op een ogenblik waarop een totale bewonderaar van Ayn Rand en andere dergelijke liberaalfascistische auteurs burgemeester van België geworden is en het op alle vlakken voor het zeggen heeft, en liefst op een totaal autoritaire wijze (TINA), meer dan ooit, zou ik zeggen. In dat opzicht is het een uiterst actuele historische roman, waarvan de didactische strekking, de boodschap niet genoeg kan worden verder gegeven.

Ook het feit dat we met een ik-persoon te maken hebben (het is pater Bonaventura zelf die aan het woord is) kan ertoe bijdragen dat didactische element nog te versterken: de lezer wordt daardoor immers a.h.w. uitgenodigd zich met de hoofdpersoon te vereenzelvigen. Wat mij duidelijk gebeurd is, want ik heb meer dan eens tijdens het lezen gedacht: beslis nu eens, voddevent!

Een laatste, volgens Suleiman zeer belangrijk criterium voor de door haar behandelde romans is wat zij ‘redundantie’ noemt. Dat lijkt me een moeilijk criterium omdat dat natuurlijk voor alle echte literatuur geldt; daarin komen altijd herhalingen voor, zelfs wanneer al te ijverige redacteuren het grootste deel ervan schrappen. Het spreekt dan ook vanzelf dat dat aspect ook in Brouwers’ roman aanwezig is, nadrukkelijker wellicht dan in de doorsneeroman, omdat Brouwers nu eenmaal een stilist is (je herkent een bladzijde van Brouwers onmiddellijk aan de stijl, iets wat enkel bij de grootste auteurs geldt).

Zo zijn er het hele boek door verwijzingen naar Duitsland en Duits, we zijn in de eerste helft van de jaren vijftig. Bonaventura is eerst leraar Duits, de oppersadist Mansuetus komt uit Duitsland en heeft een Duits accent dat steeds sterk in de verf wordt gezet – met de nodige verwijzingen naar de oorlog die slechts enkele jaren achter de protagonisten ligt. Dat lijkt me voor de hand te liggen overigens, want de anti-Duitse stemming in Nederland is nu, enkele generaties na die oorlog, wel verdwenen, maar toen was het tegendeel het geval. Ook de verwijzingen naar de figuur van Franciscus en naar Christus zelf en zijn lijden komen het hele boek door terug. Daardoor wordt het inzicht van de lezer in de fundamentele hypocrisie van de toenmalige katholieke leefwereld nog versterkt. Toch overdrijft Brouwers nooit in dat redundante, daar is hij een te goed schrijver voor: hij weet perfect af te wegen hoe veel hij van die elementen kan laten terugkeren zonder dat het ooit karikaturaal wordt. Zoals de krenten in een kramiek, het moet juist de gepaste hoeveelheid zijn, en ze mogen niet samenklonteren op één plek.

Brouwers is een van de extreem weinige schrijvers waarvan ik durf beweren dat ze enkel zeer goede romans geschreven hebben en enkele meesterwerken (in Duitsland zou ik van Günter Grass hetzelfde zeggen). Ook Het Hout is een zeer goede roman, en op elke bladzijde ervan herken je de begenadigde schrijver. Brouwers steekt, zelfs met een ideologische roman, met kop en schouders uit boven de grote meute van de hedendaagse schrijvers.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien + vijf =