11.12.14 – Nussbaum

| Geen reacties

schaeversHet moet zowat tien jaar geleden zijn of meer dat we een lang weekend hebben doorgebracht in Münster; ik wou daar naartoe om op zoek te gaan naar mogelijke sporen van Jan van Leyden en de Wederdopers. Van die gelegenheid hebben we ook gebruik gemaakt om een uitstapje te maken naar Osnabrück, waar Diana mij op een bepaald ogenblik een museum binnen loodste dat ik niet kende, en dat alvast architecturaal bijzonder was. Het was het Felix Nussbaummuseum.

Felix Nussbaum? Ik had er nog nooit van gehoord, en had bij mijn weten ook nog nooit een schilderij van hem gezien. Het museum en vooral de er tentoongestelde werken waren een echte ontdekking. Nu, zoveel jaren later, moet er nog veel meer hangen, want in die periode zijn voortdurend nieuwe en nog onbekende werken van Nussbaum opgedoken.

Dat leert mij de biografie van Marc Schaevers: Orgelman, Felix Nussbaum, een schildersleven (Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2014). ‘Gij zult het woord ‘meesterwerk’ niet ijdel gebruiken’; maar dit boek is wel degelijk een meesterwerk.

Schaevers volgt grotendeels de chronologie van Nussbaums leven, dat aanving in Osnabrück – vandaar ook dat zijn museum daar gelegen is, als een vorm van Wiedergutmachung ook. Want Nussbaum kwam uit een bemiddelde joodse fabrikantenfamilie. Eén van zijn vroegste olieverfschilderijen beeldt de binnenruimte van de plaatselijke synagoge af, met op de voorgrond de kantor en de schilder zelf. Nussbaum schilderde zichzelf blijkbaar graag, niet enkel bij wijze van echt zelfportret, maar ook als hij groepen schilderde is hij in éen van de figuren vaak te herkennen – meestal niet op de voorgrond, maar een beetje verborgen als het ware in de groep.

Die beiden Juden ("Inneres der Synagoge in Osnabrück") - 1926

Die beiden Juden (“Inneres der Synagoge in Osnabrück”) – 1926

Na Osnabrück verhuisde hij naar Berlijn, en als er niets tussen gekomen was, zou hij het daar zeker gemaakt hebben, want in het begin van de jaren dertig kreeg hij een beurs voor een Duits kunstenaarsverblijf in Rome…samen met o.a. Arno Breker, of all persons. Begin 1933 verbleef hij daar nog, maar terug naar Duitsland waagde hij zich niet. Vooreerst verbleef hij nog een tijdje in Italië, vervolgens in België om te eindigen (dank zij de Belgische staatsvuiligheid) in Frankrijk, waar hij bij het begin van de Duitse inval als ongewenste vreemdeling in een Frans concentratiekamp opgesloten werd: de herinnering daaraan heeft de eerste grote, navrante, angstige en beangstigende schilderijen opgeleverd.

Im Lager - 1940

Im Lager – 1940

Schaevers maakt veel gebruik van de schilderijen om het leven van Nussbaum te volgen; dat kan gevaarlijk zijn, in die zin dat kunstwerken nooit volledig autobiografisch zijn (zelfs literaire autobiografieën zijn dat niet), en dat je je dus kunt vergissen als je ze als uitgangspunt neemt: de kunstenaar kan verfraaien, verhullen, aus- of einblenden, lelijker maken, ja zelfs liegen (zie het vorige stukje over Malaparte). Maar hier toont Schaevers zich een goed biograaf: hij maakt gebruik van die elementen in de schilderijen die zeker zijn, of die herkenbaar zijn; en steeds zonder ooit aan hineininterpretierung te doen. Wanneer je de stof onder de knie hebt, voorzichtig bent en jezelf steeds intoomt en blijft vragen stellen, dan blijkt dit best een werkzame methode te zijn. En uiteraard is deze methode in zekere zin gemakkelijker te hanteren als het over schilderijen gaat, dan wanneer het over literatuur gaat.

Als hij vrij komt (weg loopt) uit het Franse kamp keert hij terug naar België, dat hij goed kende. Hij had immers de tweede helft van de jaren dertig grotendeels in Oostende doorgebracht, waar James Ensor woonde, waar Nussbaum veel bewondering voor had, die hij ook oppervlakkig ontmoet had, en wiens bekende maskers hij eveneens gaat gebruiken in sommige schilderijen, maar steeds op een eigen manier; een kloon of epigoon is Nussbaum nooit geweest, zelfs in zijn vroegste werk niet, ook al kun je daar wel de invloeden op aflezen. In Oostende schildert hij blijkbaar vooral stillevens, havenzichten enzovoorts, vaak in aquarel of gouache. Het is waarschijnlijk toch een van de rustigste periodes geweest in het leven van Nussbaum, ook al had hij uiteraard veel last als vreemdeling; maar gelukkig voor hem kreeg hij nog geld van zijn vader, die in Keulen was gaan wonen, zodat hij de echte armoede van vele emigranten toen niet gekend heeft.

Na Frankrijk wordt het echter Brussel, zijn voorlaatste verblijfplaats; zijn ouders en familie zijn inmiddels uitgeweken naar Amsterdam. Schaevers schetst goed, met veel empathie maar zonder emphase de moeilijkheden van het emigrantenleven, het lopen om verblijfspapieren, de voortdurende angst ook, zeker wanneer de bezetter de verplichte vermelding ‘JOOD-JUIF’ op de identiteitskaarten laat aanbrengen

(een belangrijk detail hier: het Antwerps stadsbestuur was er als de kippen bij om in deze met de moffen mee te werken; nu zijn hier de kleinkinderen van die collaborateurs aan de macht; het stadsbestuur van Brussel weigerde gewoon daaraan mee te werken: ‘doe het maar zelf’)

en de Jodenster invoert. Nussbaum en zijn vrouw, de schilderes van Pools-Joodse afkomst Felka Platek, moeten vanaf dat ogenblik onderduiken. Tijdens die periode schildert Nussbaum zijn grootste, beklemmendste, indrukwekkendste schilderijen, die zo veel jaren later een beroemd schilder van hem zullen maken. Het zijn bijna steeds realistische schilderijen die nauw aansluiten bij die stijl die in de jaren twintig en dertig ‘nieuwe zakelijkheid’ genoemd werd. Af en toe is er wel een surrealistische hint, maar dat is eerder zeldzaam. Een mooi voorbeeld uit deze periode is ‘Angst’, dat ook door zijn grauw coloriet indrukwekkender is dan het bekende expressionistische ‘Skrik’ van Munch.

Angst (Selbstbildnis mit seiner Nichte Marianne) - 1941

Angst (Selbstbildnis mit seiner Nichte Marianne) – 1941

Uiteindelijk werden Nussbaum en zijn vrouw toch nog opgepakt, en met het allerlaatste konvooi vanuit de Dossinkazerne in Mechelen naar Auschwitz gestuurd, waar hij blijkbaar nog een tijdje geleefd heeft en zij onmiddellijk vergast werd – zoals de familie in Amsterdam, die vanuit Westerbork naar Polen werd gestuurd. Je zou kunnen denken dat het daarmee endgültig voorbij was.

Niet dus, gelukkig. De laatste afdeling van het boek draagt als titel ‘Fenix’ en behandelt de wederopstanding, de wederontdekking van Nussbaum als schilder. Dat begon in 1955 toen in een kleine overzichtstentoonstelling van Osnabrückse kunstenaars enkele werken (aquarellen en gouaches) van Nussbaum hingen; enkele mensen hebben zich erachter gezet, zijn opzoekingen gaan doen, en dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het aan Nussbaum gewijde museum in zijn geboortestad, dat in 1998 open ging, en waar ik eenieder aanraad eens een bezoek te brengen. Opvallend hierin is de figuur van een zekere Willy Billestraet, een Vlaamse kunsthandelaar die blijkbaar in het bezit was van enorm veel werk van Nussbaum, dat hij grotendeels (ook via omwegen om de prijs op te drijven) aan het museum verkocht heeft. Schaevers zegt het nooit met zoveel woorden, maar uit alles blijkt dat deze heer een gewone haai was, die het werk van iemand die niet meer wist waarheen, ‘tot zich genomen heeft’ om er later geld uit te slaan. Een oorlogsprofiteur, niets meer of niets minder. Wellicht kon Schaevers dat om juridische redenen niet zo expliciet stellen, maar hij laat het wel duidelijk uitschijnen. Je kunt je enkel afvragen of achter deze heer niet nog veel gemenere zaken schuil gingen – Nussbaum en zijn vrouw werden tenslotte verraden, anders hadden zij het overleefd.

Schaevers schrijft ingetogen, maar vlot en altijd boeiend en afwisselend. Doorheen het hele boek leidt hij de lezer ook af en toe om zo te zeggen bij de hand als hij zijn zoektocht, zijn ontmoetingen, zijn opzoekingen in archieven vermeldt. Hij overdrijft daarin niet, en het maakt daardoor het boek boeiender: het is alsof de lezer zelf meedoet, als het ware naast de auteur staat bij wijlen en met hem de ontdekkingen deelt. Hij mijdt ook een van de mogelijke valkuilen van biografen: bij gebrek aan documenten hun onderwerp woorden in de mond leggen of gedachten laten hebben, die niet gecontroleerd kunnen worden. Schaevers stelt in de plaats daarvan vragen: wat zou hij daarover gedacht hebben, hoe zou hij zich dan gedragen hebben enz. Zodoende laat hij de lezer toe zelf een mogelijk antwoord te formuleren, hetgeen de empathie bij de lezer alleen maar kan versterken.

Belangrijk is eveneens dat het boek doorlopend geïllustreerd is, in kleur. Zodoende kan de lezer niet enkel de ontwikkeling van de schilder zien, maar hij kan eveneens controleren wat Schaevers over bepaalde schilderijen te zeggen heeft. En het valt op: de schrijver houdt zich nauwgezet aan wat er op het doek te zien is.

Tenslotte heb ik nog één opmerking: Schaevers vergelijkt het laatste grote schilderij, Triomf van de dood met het gelijknamige van Brueghel. maar daar heeft het niets mee te maken, Schaevers laat zich hier vangen door de gelijke titel. Nussbaums schilderij sluit daarentegen zeer nauw aan bij de laatmiddeleeuwse en barokke dodendansen. Het is best mogelijk dat hij een van de bekendste in dat genre, de Totentanz in de Marienkirche in Lübeck, persoonlijk gezien heeft, zo ver liggen Osnabrück en Lübeck tenslotte niet van elkaar af. Die dodendans werd overigens in 1944 bij een Amerikaans bombardement volledig vernietigd (niet enkel de Taliban zijn barbaren). (zie www.totentanz-online.de voor iemand die dat zou willen nakijken). Hoe dat ook zij, dit laatste schilderij van Nussbaum is een meesterwerk zoals ze maar enkele keren in een eeuw geschilderd worden; en méér dan bij Brueghel klopt de titel, want bij Brueghel zijn nog mensen of hun resten op het schilderij aanwezig, hier zijn het enkel nog de doden die dansen (op die éne menselijke figuur na dan, waarin we de schilder zelf herkennen – de laatste mens op aarde).

Pieter Brueghel de Oude - De Triomf van de Dood - ca.  1562 - klik voor groter beeld

Pieter Brueghel de Oude – De Triomf van de Dood – ca. 1562 – klik voor vergroting

Triumph des Todes (Die Gerippe spielen zum Tanz) - 1994 (klik voor vergroting)

Felix Nussbaum – Triumph des Todes (Die Gerippe spielen zum Tanz) – 1944 – klik voor vergroting

Detail einer Abzeichnung des Totentanzes durch Carl Julius Milde von 1852 mit Domherr, Edelmann und Arzt vor der Silhouette Lübecks - Klik voor vergroting

Detail van een kopie van de Dodendans van Lübeck door Carl Julius Milde van 1852  – Klik voor vergroting

Marc Schaevers heeft een schitterend boek geschreven, waarvoor we hem dankbaar moeten zijn. Het zou onmiddellijk vertaald moeten worden, minstens in het Duits, Frans, Engels en Spaans.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


4 × 2 =