08.12.14 – Malapartes dagboek

| Geen reacties

Curzio Malaparte is de auteur van twee meesterwerken: Kaputt en La Peau (la Pelle). Het is ettelijke decennia geleden dat ik die las, maar de indruk van sommige passages is onvergetelijk en zal dat ook wel zo blijven tot het einde: de scènes van de in een vijver bevroren paarden, en de evocatie van een eetgelag in het Poolse generaalgouvernemnt van Hans Frank uit Kaputt; en de navrante scènes met de vliegen uit La Peau bv. Als ik daar nu aan terugdenk, weet ik dat het de esthetisering van het kwaad was; de auteur ervan nam nooit een moreel of politiek standpunt in, en het is die afstandelijke betrokkenheid die mede zijn kracht uitmaakte. Beide boeken waren (zijn) van een gruwelijke schoonheid – die voor velen wellicht afstotend moet zijn.

En nu is in de reeks privé-domein van dezelfde schrijver Dagboek van een vreemdeling in Parijs ( De Arbeiderspers, Amsterdam, 2014) verschenen.

malaparte-dagboekHet is een vreemd boek – heel anders dan zijn beide romans. En toch herken je in sommige passages de begenadigde auteur van die boeken. De laatste bladzijden bv. waarin hij vertelt over twee oudere joodse mensen, die bekenden hadden uitgenodigd voor een feest. Maar niemand kwam meer opdagen, omdat Mussolini net de rassenwetten van de nazi’s ook in Italië had ingevoerd. Niemand – behalve Malaparte en een vriendin; maar die doen niets dan de beide oudjes in hun bezigheden beloeren zonder hun aanwezigheid kenbaar te maken. Hier spuit de auteur geen meningen, maar beschrijft hij wat hij ziet, als dezelfde objectieve toeschouwer die geen standpunt inneemt. Het is glashelder, verzorgd proza, dat weer, door die afstand, beklijft, als beelden van een film.

In het hele boek komen zo af en toe nog wel eens dergelijke passages voor, maar dit is de langste; en in het geheel van het boek vormen zij slechts een zeer kleine minderheid.

Het overgrote deel ervan bevat ‘meningen’ van de auteur over wat hij opmerkt, wie hij ontmoet, hoe men tegenover hem staat etc. Daarbij springen twee zaken onmiddellijk in het oog: op de eerste plaats redeneert Malaparte blijkbaar uitsluitend in essentialismen. Het is bijna of hij helemaal geen individuen kent, zelfs niet als hij ontmoetingen ermee vermeldt. Het gaat steeds over dé Fransen, dé Italianen, dé Franse vrouw, dé Duitsers…Je houdt het bijna niet voor mogelijk dat je op een dergelijke wijze kunt denken, en dat je dat dan ook nog eens zo radicaal toepast. Het spreekt dan ook vanzelf dat wat hij over deze groepen debiteert kant noch wal raakt. In dat opzicht is dit boek dan ook zo goed als waardeloos; het maakt zijn belofte ook niet waar, want van de toestand in Parijs zo vlak na de oorlog verneem je zo goed als niets. Dat heeft uiteraard ook te maken met de contacten van Malaparte, die zich quasi uitsluitend in de adel en de grote bourgeoisie situeren.

Maar erger is een andere zaak, vind ik. Malaparte gaat ervan uit dat de Fransen ervan uitgaan dat ze de enige vertegenwoordigers zijn in Europa van een noemenswaardig verzet. Blijkbaar beschouwen ze hem als een collaborateur, en daar verzet hij zich in dit ‘dagboek’ hevig tegen. Het verhaal van de twee joden op het einde van het boek komt daardoor ook in een ander daglicht te staan: zie eens, wat een verzetsstrijder ik was, ik ging als enige op hun uitnodiging in! Eerder een pleidooi pro domo dus – nog onafgezien van het feit dat het werkelijkheidsgehalte van dat verhaal oncontroleerbaar is.

Wat was Malaparte dan, een man van het verzet of een collaborateur? Eerder het tweede natuurlijk, hoewel ik hem vooral als een pure opportunist zou beschouwen, iemand die totaal geen ideologie aanhangt. Dat komt trouwens goed overeen met de amoraliteit van de focalisatie in zijn grote romans. Op zich is daar wat mij betreft ook niets mis mee: iedereen is opportunistisch en poogt in bepaalde omstandigheden het eigen vege lijf te redden. Heldendom lijkt me eerder een vorm van persoonlijkheidsstoornis. Maar jezelf persé willen voordoen als iets wat je niet bent en nooit geweest bent, is natuurlijk niet erg fraai. Het is zoals in de septemberdagen hier in 1944 (en elders in Europa rond dezelfde tijd): plotseling had de helft van het land in het verzet gezeten. Wat dat betreft mag Malaparte dus gerust plaats nemen naast Breker en Riefenstahl, nog twee grote verzetslieden.

Dat alles wordt trouwens ook gezegd – zij het wat minder expliciet – in het nawoord van vertaler Jan van der Haar, die daarin een korte schets geeft van de ambtelijke, politieke en journalistieke loopbaan van Malaparte, en van zijn werk natuurlijk, dat hij echter wel wat erg oppervlakkig aanraakt.

Veel stelt dit dagboek dus niet voor. Je leert er vooral uit hoe bepaalde figuren zich aanpassen naargelang de overwinnaar van het ogenblik, en met elke nieuwe overwinnaar opnieuw gaan collaboreren. Het lijkt Fouché wel.

Maar meer nog deed hij mij tijdens de lectuur onweerstaanbaar denken aan die karikatuur van een Italiaanse officier uit de Engelse serie Allo Allo!

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


9 + twaalf =